Jurisprudentie Verdrag van Istanbul

  • Gerechtshof Amsterdam 29 mei 2018, zaaknr. 200.209.859/01 niet gepubliceerd
    Eiseres en verweerder hebben een relatie gehad waaruit een zoon is geboren, waarna de relatie is verbroken. Beide ouders zijn, overeenkomstig verzoek van de vader, door de rechtbank gezamenlijk belast met gezag. Kind is uit huis geplaatst in een pleeggezin.
    Eiseres stelt dat rechtbank ten onrechte de ouders met gezamenlijk gezag heeft belast, omdat er sprake was van psychisch en lichamelijk geweld van de vader jegens de moeder.
    De Raad van de Kinderbescherming adviseert gezamenlijk gezag in het belang van het kind, wijst op psychische problemen moeder/eiseres, zonder geweld door de vader te noemen (voor zover het hof het rapport van de RvdK samenvat).
    Eiseres heeft zich beroepen op art. 31 en 45 van het Verdrag van Istanbul, maar dit niet onderbouwd en ook niet duidelijk gemaakt welke gevolgen het beroep op deze artikelen zou moeten hebben. Daarom gaat het hof hieraan voorbij (r.o.5.7). Hof Amsterdam 29 mei 2018
  • Raad van State 11-01-2017, ECLI:NL:RVS:2017:19
    Gemeente Rotterdam had in mei/juni 2015 een huisverbod opgelegd aan een niet in het betreffende huis woonachtige ex-partner en het huisverbod ook verlengd.
    De rechtbank had het daar tegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De burgemeester heeft hoger beroep ingesteld en daarbij gewezen op art. 3, 52 en 53 van Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
    De rechtbank had de in de Wet Tijdelijk Huisverbod opgenomen beperking strikt uitgelegd: alleen tegen wie in een bepaald huis woont, eventueel een deel van de week, kan een huisverbod worden opgelegd. Art. 53 van het Verdrag van Istanbul brengt niet met zich mee dat dit anders gelezen moet worden.  De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het hier mee eens en voegt er aan toe dat het Verdrag van Istanbul pas op 1 maart 2016 voor Nederland van kracht geworden, dus na het opgelegde huisverbod.
  • Rechtbank Den Haag 17-06-2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7173
    De rechtbank werpt de vraag op of standpunt van verweerder dat (huiselijk) geweld tegen vrouwen in de privésfeer ligt en niet onder één van de gronden van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag nog wel houdbaar is gezien artikel 60 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
    De rechtbank citeert het eerste en het tweede lid van dat artikel en wijst er op dat Nederland het Verdrag op 14 november 2012 heeft ondertekend en dat nergens is gebleken dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van artikel 60.
    Het Verdrag is op 1 augustus 2014 in werking getreden en op 1 maart 2016 voor Nederland van kracht geworden.
    Verweerder was de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie die eiseres geen verblijfsvergunning had verstrekt. Daar bracht de uitspraak geen verandering in.
    rechter: mr. N.O.P. Roché.