CEDAW: staat moet zwangere zelfstandigen zonder uitkering compenseren

CEDAW heeft tijdens de 57ste sessie in februari 2014 haar oordeel gegeven over de klacht van zwangere zelfstandigen die na de intrekking van de eerste publieke verzekering voor zwangere zelfstandigen in 2004 zonder uitkering hun verlof moesten uitzitten. Na de intrekking van die eerste publieke verzekering hebben FNV, Proefprocessenfonds Clara Wichmann en zeven individuele vrouwen tot aan de Hoge Raad geprocedeerd tegen de Staat der Nederlanden. Zij waren van mening dat de intrekking van de regeling onrechtmatig was.[1] Door rechtbank, hof en Hoge Raad zijn hun vorderingen terzake afgewezen. [2] Namens zes van de vrouwen is eind 2011 een klacht bij het CEDAW-Comité ingediend.

Op 17 februari 2014 heeft CEDAW klaagsters volledig in het gelijk gesteld. CEDAW overweegt in de eerste plaats dat artikel 11 Vrouwenverdrag niet alleen ziet op werkneemsters, zoals door de Nederlandse Staat was betoogd, maar ook op zelfstandigen. Vervolgens merkt CEDAW op dat artikel 11 niet alleen een inspanningsverplichting bevat, maar ook een resultaatsverplichting: de aangesloten staten dienen het Vrouwenverdrag volledig uit te voeren en zich niet te verschuilen achter de redenering dat het artikel alleen instructies bevat en geen dwingende normen. CEDAW toont zich op dit punt geïrriteerd over de houding van de Nederlandse Staat, aangezien zij deze materie al meerdere keren met afgevaardigden van de regering heeft besproken. Inhoudelijk oordeelt CEDAW dat de Nederlandse Staat, door de WAZ in te trekken zonder daarbij overgangsmaatregelen te treffen en door klaagsters te verwijzen naar een private regeling die hen geen soelaas bood (vanwege de wachttijd en de hoge premies), zwangere vrouwen nadeel heeft toegebracht. Dit vormt een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht en is daarmee in strijd met artikel 11 Vrouwenverdrag. De staat heeft bovendien gehandeld in strijd met artikel 11 lid 2 onder b van het Vrouwenverdrag  – de verplichting om een betaald zwangerschapsverlof in te voeren – door een bestaande regeling voor zwangerschapsverlof voor zelfstandigen in te trekken zonder een nieuwe regeling te treffen.

CEDAW beveelt de staat aan om een regeling te treffen waarbij klaagsters en alle andere vrouwen in eenzelfde positie schadeloos worden gesteld voor het feit dat zij geen aanspraak hebben kunnen maken op een zwangerschapsuitkering. Het gaat dan om die vrouwen die tussen 1 augustus 2004 en 4 juni 2008, de periode waarin er geen uitkeringsregeling bestond voor zwangere vrouwen, met zwangerschapsverlof zijn geweest. De staat wordt gevraagd om binnen zes maanden aan CEDAW te rapporteren op welke wijze zij deze aanbevelingen heeft uitgevoerd.

CEDAW 36-2012 Blok c.s

MELDPUNT zwangerschapsuitkering zelfstandigen

FNV Vrouw zet zich in voor een meldpunt bij de FNV voor zelfstandigen die tussen 2004 en 2008 hun zwangerschapsuitkering misliepen en neemt alvast het voortouw. De VVR organiseert een juridische steungroep voor het meldpunt. Als jij tot de groep zelfstandigen zonder zwangerschapsuitkering hoort, meld je dan alvast via post@fnvvrouw.nl met je naam, adres, emailadres en geboortedatum van je kind. Dan houden we je op de hoogte. En: zoek zelf vast uit hoe hoog je belastbaar inkomen destijds was (bij de belastingdienst, als je zelf je administratie over dat jaar al vernietigd hebt). Dat kon je voor het vervolg wel eens nodig hebben.


[1] Na de uitspraak van Rechtbank Den Haag heeft de FNV zich teruggetrokken.
[2] Rb ’s-Gravenhage 25 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0334, Hof ’s-Gravenhage 21 juli 2009, kenbaar uit ECLI:NL:HR:2011:BP3044 (het arrest van de Hoge Raad in deze zaak), HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044