Instantie: Centrale Raad van Beroep, 23 oktober 1990

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De Raad van Beroep Arnhem heeft bij uitspraak van 28 september 1988 het
beroep tegen de beslissing van de BVG van 22 februari 1988 om aan gedaagde
primair geen WW-uitkering toe te kennen, op grond van art. 16 WW en subsidiair
een sanctie toe te passen van 20 procent gedurende 13 weken, gegrond
verklaard. De Centrale Raad bevestigt de bestreden beslissing. Aangezien niet
ondubbelzinnig is komen vast te staan dat gedaagde duidelijk en eenduidig
heeft doen blijken zich niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen, kan
naar het oordeel van de Raad de primaire grond van de bestreden beslissing
geen stand houden. De sanctie is gebaseerd op art. 24 eerste lid onder a WW,
aangezien gedaagde verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Onder ontslag
verstaat de Raad in dit geval ook gedeeltelijk ontslag. De Raad is van oordeel
dat het advies van de verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD) aan gedaagde om of part-time te gaan werken of zich
volledig aan het huishouden te wijden, aangezien de combinatie van huishouden
en volledige dagtaak te zwaar zou zijn voor haar, niet alleen onvolledig maar
ook onjuist is, nu het gedaagde geen keus liet om weer volledig te gaan werken
en gaan rekening hield met het feit dat zij in het geheel niet in haar
huishouding behoefde te werken. De Raad acht het acceptabel dat gedaagde, die
in psychisch opzicht niet al te weerbaar is, de voor haar minst ongunstige
mogelijkheid heeft gekozen, zodat niet kan worden gezegd dat gedaagde
verwijtbaar werkloos is geworden.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 22 februari 1988 is vanwege eiser aan gedaagde kennis
gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidwet betreffende.

Een fotocopie van die brief is aan deze uitspraak gehecht. De inhoud
daarvan wordt geacht hier te zijn weergegeven.

De Raad van Beroep te Arnhem heeft bij uitspraak van 28 september 1988
het beroep tegen deze beslissing gegrond verklaard en deze beslissing
vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat gedaagde geen uitkering toekomst
op grond van art. 16 van de Werkloosheidswet en voor zover daarbij is bepaald
dat een sanctie wordt getroffen van 20% gedurende 13 weken.

Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft in het
beroepschrift de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 18 september
1990, waar voor eiser is verschenen mr. M.G.M. B., werkzaam bij eisers
bedrijfsvereniging, terwijl voor gedaagde zijn verschenen haar echtgenoot
J.B.M. P. en mr. R.R., advocaat en procureur te D.

II. Motivering

Aan de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde als ‘klaagster’ wordt
aangeduid, worden de volgende feiten en omstandigheden ontleend:

‘Klaagster, die sedert 1 februari 1976 werkzaam was gedurende 40 uur per
week als voedingsassistente in de centrale keuken bij de Stichting D.
Ziekenhuizen, staakte haar werkzaamheden op 6 februari 1984 wegens ziekte. Met
ingang van 6 februari 1985 ontving klaagster een uitkering ingevolge de
bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80-100 procent. Ingaande 12 augustus 1985 heeft
klaagster haar werkzaamheden voor halve dagen hervat en is haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering onder toepassing van respectievelijk art. 33
van de AAW en art. 44 van de WAO gedeeltelijk uitbetaald. Met ingang van 13
oktober 1986 is de arbeidsongeschiktheid van klaagster vastgesteld op 45-55
procent en met ingang van 1 oktober 1987 op minder dan 15 procent omdat zij
volledig arbeidsgeschikt werd geacht voor haar eigen werk.

De verzekeringsgeneeskundige heeft klaagster echter geadviseerd om of
part-time te gaan werken of zich volledig aan de huishouding te wijden omdat
zijn inziens een taak als moeder en huisvrouw in combinatie met een volledige
baan te zwaar was.

Klaagster is akkoord gegaan met een dienstverband van 20 uur per week
ingaande 1 oktober 1987 bij voormelde werkgever. Aan laatstgenoemde was in
februari 1987 een verzoek tot een ontslagvergunning voor 50 procent van het
dienstverband door de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau geweigerd
waarbij onder meer is overwogen dat aan de hand van ingewonnen advies bij de
GMD onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat werkneemster binnen een periode van
omstreeks drie maanden niet geschikt zou worden verklaard voor haar bedongen
arbeid.

Klaagster stelt zich met ingang van 1 oktober 1987 beschikbaar voor
arbeid gedurende 40 uur per week. Op 12 oktober 1987 heeft zij zich als
werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB) laten inschrijven.’

Bij de bestreden beslissing is gedaagdes verzoek om uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet primair afgewezen op de grond dat gedaagde naar het
oordeel van eiser niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en derhalve niet
werkloos is.

Voor het geval dat gedaagde wel recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet zou hebben, heeft eiser bij de bestreden beslissing
subsidiair een sanctie, bestaande uit een verlaging van het
uitkeringspercentage met 20 procent gedurende 13 weken vanaf 1 oktober 1987,
op de uitkering toegepast. Met betrekking tot de primaire grond overweegt de
Raad in de eerste plaats dat hij eerder, onder meer in zijn uitspraak van 24
juli 1990, WW 1989/34, RSV 1990/349, heeft overwogen dat van het intreden van
werkloosheid en het ontstaan van een recht op uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet geen sprake kan zijn indien en zolang niet is voldaan aan
beide onderdelen van de omschrijving van het begrip ‘werkloos’ in het eerste
lid van art. 16 van die wet.

Tussen partijen is met betrekking tot de primaire grond uitsluitend in
geschil – en tot dat geschilpunt zal de Raad zich beperken – of gedaagde op 1
oktober 1987 voldeed aan de voorwaarden genoemd onder b van laatstgenoemd
artikellid, te weten: dat zij beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

In zijn tot dusverre dienaangaande gevormde rechtspraak – verwezen wordt
naar de uitspraak gepubliceerd in RSV 1990/224 – heeft de Raad overwogen dat
de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden,
zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van
het concrete geval, waaronder de houding en het gedrag van die werknemer.

Voorts heeft de Raad overwogen dat, indien er overigens geen feiten en
omstandigheden vallen aan te wijzen, waaruit zonder meer de conclusie kan
worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden
en het uitvoeringsorgaan van de Werkloosheidswet desondanks op grond van
houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om
arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, in zo’n geval ondubbelzinnig zal
moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk
en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat hij of
zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt noch wil
stellen.

Houding en gedrag van gedaagde buiten beschouwing latend, kunnen naar ‘s
Raads oordeel in dit geval geen feiten of omstandigheden worden aangewezen
waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat gedaagde niet
beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

Immers rechtens onaantastbaar is komen vast te staan dat gedaagde op 1
oktober 1987 niet langer op medische gronden buiten staat was om in een
volledige werkweek haar werk als voedingsassistente te verrichten.

Er is bovendien van de zijde van gedaagde onweersproken gesteld dat haar
echtgenoot in die tijd werkloos was en het huishouden deed.

Ook uit dat gegeven kan derhalve niet de conclusie getrokken worden dat
gedaagde niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Voorts is naar het
oordeel van de Raad niet ondubbelzinnig komen vast te staan dat gedaagde
duidelijk en eenduidig heeft doen blijken zich niet voor arbeid op de
arbeidsmarkt beschikbaar te stellen.

Dat gedaagde heeft ingestemd met een vermindering van het aantal
werkuren van 40 naar 20 berust naar het oordeel van de Raad uitsluitend op een
daartoe strekkend advies van de verzekeringsgeneeskundige bij de GMD.

Op dat advies zal de Raad hierna nog terugkomen, maar hij stelt reeds
thans vast dat uit dat instemmen met werkvermindering in casu niet zonder meer
de conclusie kan worden getrokken dat gedaagde gedurende de resterende 20 uur
niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden.

Voorts heeft gedaagde zich bij het GAB als werkzoekende doen inschrijven
en op het aanvraagformulier om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet
ingevuld zich voor een volledige werkweek ter beschikking te stellen.

Als oorzaak voor haar geringe sollicitatie-activiteiten gaf gedaagde op
het aanvraagformulier op dat er geen vacatures waren en dit antwoord is
volstrekt in overeenstemming met een ongedateerd en niet ondertekend ‘advies
met betrekking tot sollicitatie-activiteiten’ van eisers bedrijfsvereniging,
waarin is vermeld dat er geen vacatures in de vacaturekrant waren aan te
wijzen en dat er geen aanbod in de regio was.

Ook uit een telefoonrapport van 8 december 1987 van een beambte van
eisers bedrijfsvereniging inzake een gesprek met een bemiddelaar van het GAB
kan slechts worden afgeleid dat gedaagde voor genoemde 20 uur werd bemiddeld
maar dat het aanbod in de regio gering was.

Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde door houding en
gedrag veeleer duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven dat zij wel
beschikbaar was dan dat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden en in
elk geval kan zeker niet worden gezegd dat ondubbelzinnig is komen vast te
staan dat gedaagde duidelijk en eenduidig heeft doen blijken zich niet voor
arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar te stellen.

De Raad komt derhalve, evenals de eerste rechter, tot de conclusie dat
de primaire grond van de bestreden beslissing in rechte geen stand kan
houden.

Met betrekking tot de subsidiaire grond van de bestreden beslissing, de
sanctietoepassing, overweegt de Raad het volgende.

Eiser baseert zijn bevoegdheid om een sanctie toe te passen op gedaagdes
uitkering op het bepaalde in art. 24, eerste lid, onder a, van de
Werkloosheidswet, omdat gedaagde naar het oordeel van eiser verwijtbaar
werkloos is geworden.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen – zie onder meer de uitspraak
van de Raad van 14 augustus 1990, WW 1988/243, RSV 1990/336 – is in het tweede
lid van art. 24 van de Werkloosheidswet kennelijk beoogd het begrip
‘verwijtbaar werkloos’ expliciet te omschrijven. Voorts is in de tekst van het
tweede lid in beide daarin beschreven situaties de term ‘ontslag’ gebruikt.

Hoewel in het onderhavige geval gedaagdes dienstbetrekking niet door een
handeling van de werkgever of de werknemer is beeindigd – er blijkt niet meer
dan van voortzetting van de dienstbetrekking met vermindering van het aantal
bedongen arbeidsuren – acht de Raad het voor de hand liggen om, althans in een
geval als het onderhavige, onder een ‘ontslag’ ook te verstaan een
‘gedeeltelijk ontslag’.

Nu de oorzaak van die vermindering was gelegen in een al dan niet juiste
inschatting van gedaagdes arbeidsmogelijkheden op grond van haar gezondheid en
voorts niet duidelijk is bij wie het initiatief tot vermindering van
arbeidsuren heeft gelegen, is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval
moet worden gesproken van een door gedaagde genomen (gedeeltelijk) ontslag.

Dat betekent dat de Raad, overeenkomstig het bepaalde in art. 24, tweede
lid, onder b, van de Werkloosheidswet, thans de vraag zal moeten beantwoorden
of gedaagde ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van haar
dienstbetrekking in een volledige werkweek voor haar zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar had kunnen worden
gevergd.

Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend en overweegt daartoe het
volgende.

Gedaagde is door de verzekeringsgeneeskundige geschikt verklaard voor
haar eigen werk in een volledige dagtaak.

Die verzekeringsgeneeskundige heeft gedaagde echter tevens geadviseerd
om of part-time te gaan werken of zich volledig aan de huishouding te gaan
wijden, omdat zijns inziens de combinatie van huishouden en volledige dagtaak
in loondienst te zwaar zou zijn.

Uit de gedingstukken blijkt niet of de verzekeringsgeneeskundige
gedaagde destijds heeft duidelijk gemaakt dat bij de beoordeling van de vraag,
of er arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten is,
de omstandigheid dat betrokkene een taak in de eigen huishouding heeft te
vervullen buiten beschouwing moet worden gelaten en dat zijn – ongevraagd
gegeven – advies, waarmee gedaagde het in eerste instantie ook niet eens was,
in dat licht moest worden bezien.

Bovendien was dat advies onjuist, omdat het gedaagde niet de keus liet
om – nota bene: overeenkomstig het standpunt dat die verzekeringsgeneeskundige
in het kader van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetten zelf had
ingenomen – wederom volledig te gaan werken, en ook onjuist, omdat dit advies
daardoor ook geen rekening hield met de omstandigheid dat gedaagde in het
geheel niet in haar huishouding behoefde te werken omdat haar echtgenoot die
destijds werkloos was, die taak op zich genomen had.

De Raad acht volstrekt begrijpelijk en ook voor de toepassing van de
Werkloosheidswet acceptabel dat gedaagde, die uit de stukken overkomt als
iemand die in psychisch opzicht niet al te weerbaar is, na aanvankelijk
tegensputteren zich, menend dat haar door de verzekeringsgeneeskundige geen
ruimte werd gelaten om weer volledig te hervatten, van de twee mogelijkheden
die haar werden gelaten de voor haar minst ongunstige heeft gekozen. Die
verzekeringsgeneeskundige heeft vervolgens, menend overeenkomstig gedaagdes
wil te handelen, met de bedrijfsarts van werkgever gesproken. Het resultaat
daarvan is geweest dat gedaagde door de werkgever, die al eerder zonder succes
had getracht gedaagde gedeeltelijk te ontslaan, is medegedeeld dat zij voor 20
uur per week kon blijven werken.

Dit alles leidt de Raad tot het oordeel dat voortzetting van de
dienstbetrekking in volle omvang onder die omstandigheden redelijkerwijs niet
van gedaagde kon worden gevergd.

Mitsdien kan niet worden gezegd dat gedaagde verwijtbaar werkloos is
geworden zodat eiser niet bevoegd was op die grond een sanctie op gedaagdes
uitkering toe te passen.

Ambtshalve overweegt de Raad dat naar zijn oordeel, gelet op het
hiervoor overwogene, evenmin kan worden gezegd dat gedaagde door eigen toedoen
geen passende arbeid heeft behouden.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de eerste rechter
terecht bij de aangevallen uitspraak ook de toegepaste sanctie niet in stand
heeft gelaten.

Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in art. 80a, lid 2,
Beroepswet, stelt de Raad vast dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te
worden geheven.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende in naam der Koningin!

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

verstaat dat van eiser een recht van ƒ 200 dient te worden geheven.

Rechters

Mrs Cras, voorzitter, Hugenholtz en Spaas, leden.