Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 27 mei 1991

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Aan appellant is in de eerste aanleg een wijkverbod opgelegd,
hetgeen impliceert dat hij moet verhuizen, omdat hij in deze wijk woont.
Hof bekrachtigt het vonnis en voegt toe dat appellant nog ten hoogste 3
maanden na betekening van het arrest in de woning mag blijven wonen.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg.

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het Hof naar het vonnis van de
President van de rechtbank waarvan beroep, aangehecht aan dit arrest.

2. Het geding in hoger beroep.

Van dat vonnis bij eerdergenoemd exploit in hoger beroep gekomen heeft
P. een grief aangevoerd en geconcludeerd:

dat het Hof behage, te vernietigen het vonnis op 22 mei 1990 door de
President van de Arrondissementsrechtbank te Breda gewezen tussen
appellant als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en
geintimeerde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie, en,
opnieuw rechtdoende, in reconventie appellant in het gelijk te stellen
en het bij vonnis van de President van de rechtbank te Breda ten laste
van appellant gelegde verboden op te heffen met onmiddellijke ingang
(vonnis d.d. 6 december 1985).

en in conventie geintimeerde in haar vordering niet ontvankelijk te
verklaren, althans haar deze te ontzeggen, en geintimeerde te
veroordelen in de kosten van beide instanties zowel in conventie als in
reconventie.

Daarop antwoordend heeft V. die grieven bestreden, bij wege van
incidenteel appel een grief aangevoerd en geconcludeerd:

dat V. het gerechtshof verzoekt,

in het principaal appel

het beroepen vonnis zonodig onder aanvulling of verbetering van de
gronden te bekrachtigen en appellant in zijn vordering niet ontvankelijk
te verklaren althans hem deze vordering te ontzeggen, met veroordeling
van appellant in de kosten van dit appel;

in het incident

dat uw gerechtshof het vonnis in eerste aanleg aanvult als volgt:

Gebiedt P. binnen twee dagen na betekening van dit arrest de woning aan
de …straat te Breda te ontruimen met al de zijnen en het zijne;
verbiedt P. na ontruiming zich opnieuw te vestigen, tijdelijk of
permanent, of zich opnieuw te bevinden, in de woning aan de …straat te
Breda, althans in enige andere woning in de wijken ….. en …;

een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met machtiging op V. om zonodig
genoemd gebod en verbod ten uitvoer te doen leggen met behulp van de
sterke arm;

met veroordeling van partij P. in de kosten van dit incident.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft P. op zijn beurt
de grief van de wederpartij bestreden en geconcludeerd tot niet
ontvankelijk verklaring van V. in haar vordering in het incidenteel
appel althans tot ontzegging aan haar van deze vordering met
veroordeling van V. in de kosten.

Partijen hebben recht op de stukken verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep.

De grief in het principaal luidt:

1 ten onrechte heeft de President overwogen dat “de gehele wijk …”
onder het voor appellant verboden gebied zal vallen, hoewel “dit
impliceert dat appellant dan dient te verhuizen, omdat hij dit risico
heeft kunnen voorzien etc.” Immers niet is aangetoond dat appellant te
verwijten is dat hij een woning aan de …straat te Breda heeft
toegewezen gekregen, laat staan dat hij daar schuld aan heeft. Appellant
ontkent een en ander nadrukkelijk. Bovendien is het belang van
geintimeerde erbij aanzienlijk overschat door zijn beoordeling, terwijl
appellant nodeloos in zijn belangen wordt geschaad doordat hij andere
woonruimte moet zoeken (momenteel in Breda zeer moeilijk) en
verhuiskosten zal moeten maken zowel als inrichtingskosten.

De grief in het incidenteel appel luidt:

Ten onrechte heeft de President van de Rechtbank te Breda in zijn vonnis
van 22 mei 1990 niet, althans niet ondubbelzinnig, bepaald dat P. de
woning aan de …straat te Breda diende te ontruimen.

4. Beoordeling.

De grief van P. is ongegrond en de grief van V. acht het Hof gegrond in
de zin zoals hierna te bespreken.

Met de President van de Rechtbank is het Hof van oordeel dat wegens de
door V. gestelde en aannemelijk gemaakte omstandigheden, welke P. in
hoger beroep niet overtuigend heeft weten te ontzenuwen, het opleggen
van de verboden aan P. zoals de President deed verantwoord en geboden
was en is.

Het beroep dat P. doet op de toewijzing van de woning aan de …straat
te Breda is geen grond tot wijziging en beperking van het verbod onder 1
van de President van de Rechtbank behoudens het hierna bepaalde. P. had
toen hem die woning werd toegewezen aan de toewijzende instantie kenbaar
dienen te maken dat hij deze in verband met het destijds reeds geldende
verbod uit 1985 niet mocht aanvaarden. Bovendien is van belang gelijk de
President van de Rechtbank heeft overwogen:

“Voorlopig kan worden volstaan met een verbod betreffende de gehele wijk
…., uitgebreid met de straten …straat, …straat en …straat
gelegen in de wijk …. alsmede de gehele wijk … ingaande twee maanden
na betekening van dit vonnis.”

“Dit laatste impliceert weliswaar dat gedaagde dient te verhuizen, doch
dit risico heeft hij kunnen voorzien toen hij zich ondanks het geldende
straatverbod uit 1985 niettemin in de omgeving van eiseres en de school
van R.V. vestigde. Niet gebleken is dat gedaagde de Stichting
Woonruimteverdeling Breda van dat feit tevoren in kennis heeft gesteld.
Bovendien heeft hijzelf als een van zijn voorkeuren de Hoge Vucht
opgegeven.”

Dat P. thans verhuiskosten zal moeten maken is daarom geen reden tot
modificatie van het juist te achten verbod sub 1. Wel acht het Hof het
billijk dat P. een termijn van drie maanden na de dag van betekening van
dit arrest wordt gegund om de verhuizing te effectueren. Daarom zal het
Hof het verbod gedurende die termijn beperken.

P. zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding
in hoger beroep dienen te dragen.

5. Uitspraak.

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat met
beperking van het verbod van dat vonnis P. gedurende ten hoogste drie
maanden na de dag van betekening van dit arrest mag blijven wonen in de
woning aan de ….straat en zich naar en van deze woning mag begeven
langs de kortste wegen tussen deze woning en het niet door het verbod
onder 1 van het vonnis van de President van de Rechtbank bestreken
gebied.

Verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt P. in de kosten van dit geding in het principaal en
incidenteel appel aan de zijde van V. tot op heden bepaald op ƒ 300,–
aan verschotten en ƒ 1200,– aan salaris een en ander op voet van
artikel 57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te voldoen aan de
griffier van dit Hof.

Rechters

Mrs Van der Velden, vice-president; Rathenau en Zwitsers-Schouten,raadsheren