Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 december 1993

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is werkzaam bij de rijkspolitie, alwaar een reorganisatie
gaande is. Hij opteert voor twee nieuwe functies. In verband met een
voorkeursbehandeling voor vrouwen wordt van de geldende
prioriteitsvolgorde afgeweken en komt verzoeker slechts in aanmerking voor
de functie van zijn tweede voorkeur. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de WGB.
De Commissie concludeert dat in een provinciale regeling is vastgelegd dat
voorkeursbeleid voor vrouwen ingeval van een reorganisatie aangemerkt
wordt als dienstbelang. Voorts staat vast dat er binnen de organisatie een
achterstand van vrouwen is, met name in de hogere salarisschalen. Het
voorkeursbeleid voldoet derhalve aan artikel 5 lid 1 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 oktober 1993 verzocht de heer te Sas van Gent
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid haar oordeel met spoed uit te spreken over de vraag of de
korpsbeheerder van het regiopolitiekorps Zeeland te Middelburg (hierna:
wederpartij) jegens hem onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoeker is werkzaam bij het korps rijkspolitie, alwaar een
reorganisatie gaande is. Hij is in de nog te vormen nieuwe organisatie,
de regiopolitie, niet geplaatst in de functie van zijn eerste, maar in die
van zijn tweede voorkeur. In verband met een voorkeursbehandeling voor
vrouwen zal een vrouwelijke collega worden geplaatst in de functie van
verzoekers eerste voorkeur. Verzoeker is van mening dat de wederpartij
hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de WGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen
tijdens een zitting op 14 december 1993. Voorafgaand aan de zitting heeft
de wederpartij op verzoek van de Commissie haar standpunt schriftelijk
uiteengezet, met afschrift aan verzoeker.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr (verzoeker) – dhr
(politiebond CNV, gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr (adviseur verweer en
beroep bij het Ministerie van Justitie, gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (Kamervoorzitter) – dhr
ing. J. van Hemert (lid Kamer) – mw mr C.E. van Vleuten (lid Kamer) – mw
mr G.L.M. Lenssen (adjunct-secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is vanaf 1982 hoofd groepsadministratie bij de rijkspolitie
in het district Zeeland (administratief- technische dienst).

3.2. Op dit moment vindt er een grootschalige reorganisatie plaats binnen
het politiebestel. Het doel van deze reorganisatie is de (geleidelijke)
samenvoeging van de rijkspolitie en de gemeentepolitie tot een
regiopolitie. Met ingang van 18 maart 1993 is de regio Zeeland aangewezen
als reorganisa- tiegebied. Bovenstaande is geregeld in landelijke
regelingen (Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel
(Stb. 92, 440) en Sociaal Statuut (Stcrt. 92, 216).) en in de voor Zeeland
geldende Uitvoeringsregeling Sociaal Statuut (hierna: de
Uitvoeringsregeling).

Een van de uitgangspunten van de regelingen is dat een functionaris wiens
functie niet (nagenoeg) ongewijzigd terugkeert in de nieuwe organisatie,
kan opteren voor een andere gewijzigde passende functie (A-status).
Maximaal kan geopteerd worden voor drie functies (artikel 13
Uitvoeringsregeling, bijlage 1, de plaatsingsprocedure). De
plaatsingsadviescommissie adviseert vervolgens de burgemeester over de
plaatsing van de medewerkers met een A-status (artikel 23). Kunnen
verschillende ambtenaren geplaatst worden, terwijl geen andere passende
functies beschikbaar zijn, dan wordt op basis van criteria genoemd in
artikel 18 lid 1 uitgemaakt, wie daarvoor in aanmerking komt. Artikel 18
lid 1 luidt: “Indien na toepassing van artikel 17 lid 1 opgenomen
criterium meerdere ambtenaren horizontaal geplaatst kunnen worden, terwijl
voor hen geen andere passende functies beschikbaar zijn, wordt bepaald
welke ambtenaar wordt geplaatst volgens onderstaande aflopende
prioriteitsvolgorde: a. ambtenaren in vaste dienst die minder dan 35 voor
pensioen geldige dienstjaren hebben en die de leeftijd van 35 jaar hebben
overschreden, te beginnen met degene die het meeste aantal jaren in
overheidsdienst heeft doorgebracht. b. ambtenaren in vaste dienst, jonger
dan 35 jaar, te beginnen met degene die de meeste jaren in overheidsdienst
heeft doorgebracht; c. ambtenaren in vaste dienst die 35 of meer voor
pensioen geldende dienstjaren hebben in volgorde van jonger naar ouder in
leeftijd; d. ambtenaren die voor een proeftijd of voor onbepaalde tijd in
tijdelijke dienst zijn; e. ambtenaren die voor bepaalde tijd in tijdelijke
dienst zijn.”.

Lid 3 van artikel 18 bepaalt vervolgens: “Van lid 1 kan gemotiveerd worden
afgeweken indien het belang van de dienst zulks vordert. De bevordering
van deelname van vrouwen, allochtonen en gehandicapten aan het
arbeidsproces is dienstbelang. Zolang hierover geen regionale afspraken
zijn gemaakt, wordt gehandeld conform landelijk beleid.”

In artikel 6 van de Uitvoeringsregeling is een soortgelijke regeling te
vinden met betrekking tot de plaatsing van functionarissen met een
B-status. Indien men de B-status ontvangt, wil dat zeggen dat de functie
van een medewerker (nagenoeg) ongewijzigd terugkomt in de nieuwe
organisatie.

3.3. Verzoeker heeft de A-status gekregen en geopteerd voor de functies
1. financieel medewerker/comptabele en 2. medewerker inkoop en
materiaalbeheer. Een vrouwelijke collega, die dezelfde functie uitoefende
als verzoeker, heeft eveneens geopteerd voor eerstgenoemde functie. In de
nieuwe organisatie kunnen niet beiden in deze functie worden geplaatst.
Bij toepassing van de geldende prioriteitsvolgorde komt verzoeker als
eerste in aanmerking voor de functie financieel medewerker/comptabele. De
vrouwelijke collega van verzoeker is echter in deze functie geplaatst op
grond van lid 3 van artikel 18 Uitvoerings- regeling. Verzoeker is om die
reden (horizontaal) geplaatst in de functie van zijn tweede voorkeur
(schaal 7). De vrouwelijke collega is van haar schaal 7-functie naar een
schaal 8-functie overgegaan (positief verticaal).

3.4. Verzoeker kon zich niet verenigen met het voorlopige
plaatsingsbesluit van 18 oktober 1993. In zijn bezwaarschrift voerde hij
aan dat de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen verbiedt
om onderscheid te maken op grond van geslacht. De bezwarenadviescommissie
heeft zijn bezwaar gegrond verklaard, onder meer omdat er naar haar
oordeel geen sprake is van een achterstand van vrouwen. De korpsbeheerder
heeft dit advies in zijn beslissing van 29 november 1993 echter niet
overgenomen, daarbij overwegend: “dat de noodzaak om af te wijken van
artikel 18 lid 1 van genoemde Uitvoeringsregeling, niet alleen relevant
is in de verhouding mannen ten opzichte van vrouwen in een bepaalde
functiegroep, maar ook in de positie die vrouwen binnen een functiegroep
innemen. Het dienstbelang is in dit geval gevolgd in die zin dat in plaats
van betrokkene een vrouwelijke collega in een schaal 8 kon worden
aangewezen.”

3.5. De wederpartij heeft in concept een voorkeursbeleid voor de regio
vastgelegd in een nota ‘Emancipatieplan’. Dit plan is mede geinspireerd
door het landelijk Politie Emancipatieplan uit februari 1990. Uit het
landelijk Politie Emancipatieplan blijkt dat in 1986 het streefcijfer voor
politievrouwen in de executieve dienst is vastgesteld op 25% en dat het
aandeel van vrouwen in de executieve dienst op 1 januari 1988 gemiddeld
6,3% bedroeg. Voor de niet-executieve dienst werd noch een streefcijfer
noch het aandeel van vrouwen in de organisatie genoemd. Het regionale plan
vermeldt dat aandacht besteed moet worden aan de positie van vrouwen in
de niet-executieve dienst.

3.6. Binnen de categorie Administratief-Technisch- Politiepersoneel (ATP)
zijn in Zeeland 69 mannen (45%) en 84 vrouwen (55%) werkzaam. Zij zijn als
volgt over de salarisschalen verdeeld:

schaal mannen vrouwen

1 – 3
2 1 15
3 1 6
4 5 26
5 10 17
6 21 14
7 2 –
8 12 1
9 8 1
10 5 –
11 2 –
12 2 1
— —
69 84

De salarisschalen 5 tot en met 9 worden aangemerkt als hoofdgroep B,
waarin het uitvoerend personeel en het middenkader is ingedeeld. Zowel
verzoekers functie als die, waarvoor hij opteerde, behoren tot deze
hoofdgroep B.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoeker is van mening dat vrouwen bij de politie in een
achterstandspositie verkeren en dat dus een voorkeursbeleid dient te
worden gevoerd, zowel in de executieve als de niet-executieve dienst.
Deze beide diensten dienen wel, in navolging van oordeel 603-93-30 (
Oordeel van 10 augustus 1993.) van de Commissie, afzonderlijk te worden
beschouwd.

Voor de niet-executieve dienst is geen streefcijfer vastgesteld. Zou, om
toch met een streefcijfer te kunnen werken, voor de onderhavige zaak het
streefcijfer van 25% van de executieve dienst worden geprojecteerd op de
administratieve dienst, dan is de conclusie dat dit cijfer is gehaald.
Binnen de administratieve dienst is 55% van het personeel vrouw, en binnen
de regio Zeeuws Vlaanderen, waar verzoeker werkzaam is, is zelfs 75% vrouw
(15 vrouwen en 5 mannen). Wordt uitgegaan van de schalen 6 en hoger, zoals
de wederpartij voorstaat, dan is het streefcijfer ook gehaald. Immers, in
de schalen 6 en hoger zijn 52 mannen en 17 vrouwen geplaatst. Van deze 69
personen is dus ongeveer 25% vrouw.

Er had derhalve geen voorkeursbeleid mogen worden gevoerd. Dat is
overigens ook het standpunt van de bezwarenadvies- commissie. Toepassing
van de normale prioriteitsvolgorde zou dan als resultaat hebben gehad, dat
verzoeker geplaatst zou zijn in de functie financieel
medewerker/comptabele.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

Wederpartij is als vervolg op het landelijke emancipatiebesluit door de
landelijke Politie- emancipatiecommissie (LPEC) bij afzonderlijk schrijven
gewezen op het geringe aandeel van vrouwen in de organisatie. Dit gold
zowel het executieve als niet-executieve personeel, het voorkeursbeleid
geldt derhalve voor beide sectoren. Bij het regionaal georganiseerd
overleg met de vakbeweging van 18 december 1992, is het voorkeursbeleid
aan de orde gesteld en is vastgesteld dat de inhoud van de brief van de
LPEC zou terugkomen in het sociaal beleidskader. Vervolgens is dit beleid
vastgelegd in de Uitvoeringsregeling (onder andere artikel 18 lid 3). Ook
in de Uitvoeringsregeling wordt op dit punt geen onderscheid gemaakt
tussen de executieve en niet- executieve dienst.

Voor de niet-executieve dienst is nog geen streefcijfer vastgesteld. De
LPEC heeft daar recentelijk ook op gewezen. Wel staat vast dat het aandeel
van vrouwen in de regio Zeeland vanaf met name schaal 6 gering is. Van de
69 mannen worden er 52 beloond volgens schaal 6 en hoger, bij de vrouwen
geldt dit voor slechts 17 van de 84. Ook het aandeel van vrouwen in
leidinggevende functies is gering. Op dit moment wordt slechts een van de
leidinggevende posities ingenomen door een vrouw.

Het advies van de bezwarenadviescommissie is niet gevolgd omdat deze voor
het bepalen van de achterstand slechts gekeken heeft naar de
man/vrouwverdeling binnen de gehele groep ATP- personeel. De wederpartij
beoogt evenwel ook de verhouding man/vrouw binnen deze groep in evenwicht
te brengen door te streven naar een evenwichtige verdeling van mannen en
vrouwen binnen de functieniveaus en verhoging van de deelname van vrouwen
in de hogere functieniveaus. Dat kan gebeuren door vrouwen van buiten de
organisatie aan te trekken voor functies van MBO-niveau en hoger, omdat
voor functies in de niet-executieve dienst geen politie-ervaring is
vereist. Door de reorganisatie wordt voor functies nu eerst intern
geworven om gedwongen ontslagen te voorkomen. Door de vrouwelijke collega
van verzoeker in de hogere functie te plaatsen, wordt nu de doorstroming
van vrouwen naar hogere functies bevorderd. De functie die zij nu gaat
bekleden, kan straks een goede uitgangspositie zijn voor een
leidinggevende functie.

Bovenstaande is de achtergrond van het besluit om verzoeker, met
toepassing van artikel 18 lid 3 Uitvoeringsregeling, niet in diens functie
van eerste voorkeur te plaatsen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt naar
geslacht in de arbeidsvoorwaarden in strijd met artikel 1a WGB door in het
nadeel van verzoeker van artikel 18 lid 1 Uitvoeringsregeling af te
wijken.

Artikel 1a WGB schrijft voor dat het bevoegd gezag geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden. Van dit verbod
mag volgens artikel 5 lid 1 WGB worden afgeweken, indien het gemaakte
onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen
teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen.

4.2. Partijen zijn het erover eens dat een voorkeursbeleid is vastgesteld
voor zowel de executieve als de niet-executieve dienst. Dit is aan de orde
geweest in het regionale georganiseerd overleg en vervolgens vastgelegd
in onder andere artikel 18 lid 3 van de Uitvoeringsregeling, welke
regeling algemeen bekend is bij de politie in de regio Zeeland. Op grond
van die regeling heeft de wederpartij in casu een voorkeursbehandeling
voor de bewuste vrouwelijke collega van verzoeker toegepast.

De vraag die partijen verdeeld houdt, is of in casu sprake was van een
achterstandspositie van vrouwen, die het voeren van een voorkeursbeleid
rechtvaardigt. Verzoeker acht het aandeel van vrouwen in de
niet-executieve dienst zodanig, dat niet van een achterstand kan worden
gesproken. De wederpartij daarentegen stelt dat, op het niveau van
verzoekers functie en daarboven, wel degelijk sprake is van een
achterstand, in die zin dat vrouwen die administratieve functies
vervullen, vooral te vinden zijn in de lagere salarisschalen.

4.3. De Commissie stelt voorop dat het hier een reorganisatie betreft. De
daarbij opengestelde functies worden opgevuld door interne kandidaten. Dit
betekent dat om te kunnen bepalen of er sprake is van een achterstand van
vrouwen, niet gekeken moet worden naar de toestroom van externe
kandidaten, zoals bij werving en selectie, doch naar die van de interne
kandidaten.

Zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld dienen de executieve en
niet-executieve dienst als afzonderlijke eenheden te worden beschouwd.
Verder is het aannemelijk dat diegenen die ingedeeld zijn in hoofdgroep
B, in principe in aanmerking kunnen komen voor de functie financieel
medewerker/comptabele, nu deze functie in die hoofdgroep is ingedeeld.

Dit kan ook worden afgeleid uit het feit dat verzoeker en diens
vrouwelijke collega in beginsel beiden in aanmerking kwamen voor de
functie financieel medewerker. De Commissie zal dan ook de verhouding
man/vrouw in hoofdgroep B als uitgangspunt nemen om na te gaan of er
sprake is van een achterstand van vrouwen. In hoofdgroep B zijn 53 mannen
en 33 vrouwen ingedeeld, terwijl er bij de niet-executieve dienst van de
wederpartij meer vrouwen dan mannen werken. Dit leidt tot de conclusie dat
er bij de indeling in hoofdgroep B sprake is van een achterstand van
vrouwen. Daarbij komt dat de achterstand groter wordt naarmate de
salarisschaal in hoofdgroep B hoger wordt. Aldus is aan de voorwaarde van
artikel 5 WGB voldaan. De Commissie is dan ook van mening dat de
wederpartij jegens verzoeker niet in strijd heeft gehandeld met artikel
1a WGB.

4.4. De Commissie voegt hier overigens wel aan toe, dat het nodige is aan
te merken op de wijze waarop wederpartij de beslissing die voorkeursbeleid
inhield, richting verzoeker heeft gemotiveerd. Weliswaar is in de
Uitvoeringsregeling al neergelegd dat van de prioriteitsvolgorde kan
worden afgeweken, dit neemt echter niet weg dat wanneer wordt afgeweken
van het advies van de bezwarenadviescommissie, een uitvoeriger motivering
van het plaatsingsbesluit gewenst is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Korpsbeheerder van de
Regiopolitie Zeeland te Middelburg jegens de heer R. Renique te Sas van
Gent geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel
1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen aangezien het gemaakte
onderscheid gebaseerd was op een voorkeurs- behandeling van vrouwen, welke
artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen toelaat.

Aldus vastgesteld op 29 december 1993 naar aanleiding van de
beraadslagingen in raadkamer d.d. 14 december 1993.

Rechters

mw mr Y. Telenga, dhr ing J. van Hemert, mw mr C.E. van Vleuten, mwmr G.L.M. Lenssen