Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 januari 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Verzoekster heeft naar aanleiding van deze
advertentie gesolliciteerd naar de functie bij de wederpartij.
Verzoekster is afgewezen voor de functie. De wederpartij stelt dat zij
verzoekster niet wilde inschrijven als uitzendkracht, aangezien het
haar aan de benodigde ervaring als verhuizer ontbrak en zij dan ook
niet voldeed aan het profiel van een verhuizer. Daarnaast stelt de
wederpartij dat zij in het telefoongesprek met verzoekster onder meer
heeft meegedeeld dat het werk van verhuizer lichamelijk behoorlijk
zwaar is. Uit het bovenstaande zou afgeleid kunnen worden dat de
wederpartij impliciet een beroep doet op de geslacht- bepaaldheid van
de functie.

Artikel 1 A.M.v.B. bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als
beroepsactiviteiten waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard
of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan
zijn, slechts beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld. De betreffende functie van verhuizer kan een
functie-eis rechtvaardigen dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht
moeten beschikken. Zowel mannen als vrouwen zouden echter in beginsel
aan deze functie-eis kunnen voldoen. Er zijn immers ook vrouwen die de
benodigde lichaamskracht bezitten om als verhuizer te werken, zoals er
ook mannen zijn die die lichaamskracht niet hebben. Het beroep op
geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen. Daarmee staat vast dat
de wederpartij bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 oktober 1994 verzocht mevrouw te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door te Den Haag (hierna:
wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking en bij de behandeling bij de vervullling van een openstaande
betrekking, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd. In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Verzoekster heeft naar aanleiding van deze
advertentie gesolliciteerd naar de functie bij de wederpartij.
Verzoekster is afgewezen voor de functie.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De voorzitter van de Commissie heeft het verzoek in behandeling
genomen en op grond van artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie
gelijke behandeling besloten om in deze zaak de vereenvoudigde
behandeling toe te passen. De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid
gesteld om op het standpunt van verzoeker te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

3.1. Verzoeker heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Haagsche Courant (datum van plaatsing van de
advertentie is onbekend). In deze advertentie vraagt de wederpartij om
“oproepkrachten verhuizers”. Het woord ‘verhuizers’ is in grote vette
letters afgedrukt. In de advertentie wordt een telefoonnummer en het
tijdstip vermeld waarop de wederpartij bereikbaar is. In de advertentie
staat niet vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor de aangeboden
functie in aanmerking komen. Verzoekster heeft naar aanleiding van
deze advertentie naar de wederpartij gebeld om aan te geven dat zij
wilde solliciteren naar de functie van verhuizer. De wederpartij deelde
verzoekster hierop mee: “Ik neem je niet aan als vrouw”.

3.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee bij het
aanbieden van de betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en
vrouwen en daarmee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

3.3. De wederpartij voert als verweer het volgende aan. Ten eerste
geeft zij aan dat zij, als gespecialiseerd uitzendbureau voor
verhuizers, met mensen werkt die reeds in de praktijk werkzaam zijn
geweest als verhuizer, of een beroep hebben uitgeoefend dat hiermee
grote raakvlakken vertoont. Zij is namelijk van mening dat deze mensen
doorgaans beschikken over het inzicht en de spierkracht die benodigd
zijn voor het vervullen van de functie van verhuizer. Voorts erkent de
wederpartij dat verzoekster op 21 oktober 1994 telefonisch heeft
gereageerd op de advertentie waarin “oproepkrachten verhuizers” worden
opgeroepen. De wederpartij geeft aan dat haar reactie in dit
telefoongesprek ongeveer als volgt luidde: “Wij hebben nog niet eerder
met vrouwelijke verhuizers gewerkt; het werk van verhuizer is
lichamelijk behoorlijk zwaar; door verhuisbedrijven is nog nooit om een
vrouwelijke verhuizer gevraagd”.

Aangezien mevrouw Jonas niet over ervaring als verhuizer beschikte, had
het volgens de wederpartij geen zin om mevrouw Jonas als uitzendkracht
in te schrijven. De wederpartij kan zich echter wel voorstellen dat
verzoekster de indruk heeft gekregen dat zij, omdat ze vrouw is, niet
voor de functie in aanmerking kwam. De werkelijke reden voor de
afwijzing van verzoekster is volgens de wederpartij echter het feit dat
verzoekster niet voldeed aan het profiel van een verhuizer.

Tot slot deelt de wederpartij mee dat zij, ondanks haar twijfel of
verzoekster werkelijk geinteresseerd was om als verhuizer te gaan
werken, verzoekster toch alsnog in de gelegenheid wil stellen haar
sollicitatie in een persoonlijk gesprek toe te lichten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking en/of bij de behandeling bij de vervulling van deze
betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door in de
onderhavige advertentie om “oproepkrachten verhuizers” te vragen,
terwijl zij niet vermeld heeft dat ook vrouwen voor de functie in
aanmerking komen en vervolgens verzoekster af te wijzen voor de functie
omdat zij vrouw is.

4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168) verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de behandeling bij
de vervulling van een openstaande betrekking. Alleen in geval van een
wettelijke uitzondering, bijvoorbeeld als de werkgever een
voorkeursbeleid voor vrouwen wil voeren of als de functie
geslachtbepaald is, mag van dit verbod worden afgeweken. De reden van
deze afwijking moet in de advertentie worden vermeld.

4.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving
van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen.

In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat
of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet
worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.

4.4. Met betrekking tot de onderhavige advertentie overweegt de
Commissie het volgende. In de advertentie wordt slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk “oproepkrachten verhuizers”. In dat
geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel
mannen als vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een
dergelijke vermelding ontbreekt echter in de advertentie. Daarmee staat
vast dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met met artikel 3 lid
3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

4.5. Op grond van artikel 5 lid 2 van de WGB mag bij de werving en
selectie onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening
van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Aan de onderhavige
uitzondering is nadere uitwerking gegeven in de Algemene Maatregel van
Bestuur inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan
zijn (Stb. 1989, 207; hierna: A.M.v.B.).

4.6. Met betrekking tot de onderhavige selectieprocedure overweegt de
Commissie als volgt. De wederpartij stelt dat zij verzoekster niet
wilde inschrijven als uitzendkracht, aangezien het haar aan de
benodigde ervaring als verhuizer ontbrak en zij dan ook niet voldeed
aan het profiel (benodigde inzicht en benodigde spierkracht?) van een
verhuizer. Daarnaast stelt de wederpartij dat zij in het
telefoongesprek met verzoekster onder meer heeft meegedeeld dat het
werk van verhuizer lichamelijk behoorlijk zwaar is. Uit het
bovenstaande zou afgeleid kunnen worden dat de wederpartij impliciet
een beroep doet op de geslacht-bepaaldheid van de functie.

Artikel 1 A.M.v.B. bepaalt (voor zover hier van belang) dat, als
beroepsactiviteiten waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard
of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan
zijn, slechts beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld.

Ter toelichting zij vermeld dat uitzonderingen op het gebod van gelijke
behandeling in het algemeen restrictief dienen te worden uitgelegd,
teneinde te voorkomen dat dat gebod al te zeer wordt uitgehold. Dat
geldt ook voor de onderhavige uitzonderingsgrond. Slechts in zeer
bijzondere gevallen kan een functie geslachtsbepaald zijn, dat wil
zeggen dat de functie alleen door een man of alleen door een vrouw kan
worden verricht.

De betreffende functie van verhuizer kan een functie-eis rechtvaardigen
dat betrokkenen over gepaste lichaamskracht moeten beschikken. Zowel
mannen als vrouwen zouden echter in beginsel aan deze functie-eis
kunnen voldoen. Er zijn immers ook vrouwen die de benodigde
lichaamskracht bezitten om als verhuizer te werken, zoals er ook mannen
zijn die die lichaamskracht niet hebben. Het beroep op
geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen. Daarmee staat vast dat
de wederpartij bij de behandeling bij de vervulling van de openstaande
betrekking in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 .

4.7. Overigens spreekt de Commissie haar waardering uit voor de
bereidheid van de wederpartij verzoekster alsnog in de gelegenheid te
stellen haar sollicitatie in een persoonlijk gesprek toe te lichten.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Den
Haag jegens mevrouw bij de aanbieding van de betrekking
onderscheid heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 4 en daarmee
tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld. Tevens heeft
te Den Haag bij de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking onderscheid gemaakt in strijd met artikel 3 lid
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

prof. mr J.E. Goldschmidt, voorzitter, mr M.J.M.G. van Dorsten,waarnemend secretaris-directeur