Instantie: Rechtbank Alkmaar, 5 juni 1997

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiseressen 2 en 3 zijn dochters van gedaagde. Zij zijn in het verleden
toen zij nog twaalf jaren of jonger waren, door gedaagde seksueel misbruikt
en zij hebben hiervan eind 1996 aangifte gedaan. Vaststaat dat de vorderingen
van de dochters strafrechtelijk zijn verjaard.
Eiseressen vorderen materiële schadevergoeding (therapiekosten), immateriële
schadevergoeding en een straat-/contactverbod, inhoudende een verhuisgebod.
Gedaagde erkent het seksueel misbruik en het ontstaan van de schade wordt
niet betwist. Wel doet gedaagde een beroep op de verjaringstermijn. Het
verhuisgebod vindt gedaagde niet toewijsbaar omdat hij dan onevenredig
wordt geschonden in zijn bewegingsvrijheid. Bovendien zijn eiseressen vrijwillig
in de woongemeente van gedaagde gaan wonen.
De rechtbank oordeelt dat in het onderhavige geval eiseressen eind 1996
aangifte hebben gedaan en de verjaringstermijn van vijf jaar is daarmee
nog niet overschreden.
Omdat gedaagde het seksueel misbruik erkent, wordt een schadevergoeding
van ƒ 1.000,- ten behoeve van eiseres 1, en ƒ 6.600,- ten behoeve van eiseressen
2 en 3 voor therapiekosten toegekend. Tevens wordt ƒ 5.000,- per persoon
voor immateriële schadevergoeding toegekend.
De rechtbank verbiedt verder gedaagde zich op te houden in zijn huidige
woongemeente, en hij dient derhalve te verhuizen en mag geen contact opnemen
met eiseressen voor een periode van vijf jaren op verbeurte van een dwangsom.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 21 mei 1997 hebben eiseressen gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De behandeling van de zaak

1. De uitgangspunten

Eiseressen sub 2 en 3 zijn dochters van gedaagde.
Eiseressen zijn in het verleden, in de periode eind jaren zeventig – begin
jaren tachtig toen zij nog 12 jaren of jonger waren, door gedaagde sexueel
misbruikt en zij hebben in verband daarmee eind 1996 aangifte gedaan bij
de politie.

Thans stellen zij hun civielrechtelijke vordering in.

Vast staat dat de vorderingen van eiseressen sub 2 en 3 inmiddels in strafrechtelijke
zin zijn verjaard; de vordering van gedaagde sub 1 niet.
Mede in verband met de aangifte van eiseres sub 1 is gedaagde gedagvaard
om op 18 juni 1997 te verschijnen voor de meervoudige kamer voor de behandeling
van strafzaken bij deze rechtbank.

2. De vordering

Eiseressen vorderen – zakelijk weergegeven – dat de president gedaagde
verbiedt zich te bevinden in Hoogkarspel, gemeente Drechterland, gedurende
een periode van 5 jaar, alsmede telefonisch danwel op andere wijze contact
op te nemen met eiseressen, zulks op verbeurte van een dwangsom.

Tevens vorderen zij vergoeding van kosten in verband met therapie en wat
betreft eiseressen sub 2 en 3 eveneens immateriële schadevergoeding.

Eiseressen hebben daartoe het volgende aangevoerd.
Gedaagde heeft jegens hen onrechtmatig gehandeld. Het sexuele misbruik
heeft grote psychische schade bij eiseressen veroorzaakt. In verband daarmee
volgen zij hypnotherapie. De aangifte bij de politie heeft geleid tot een
geestelijke crisis.

Er gaat thans een voortdurende dreiging uit van gedaagde. Opheffing daarvan
zal het genezingsproces bevorderen. De woonomgeving van eiseressen en gedaagde
zijn dusdanig nauw verweven dat het vermijden van confrontaties met gedaagde
haast onmogelijk is. Eiseressen hebben belang bij een veilige leefomgeving,
welk belang prevaleert boven het recht van gedaagde op bewegingsvrijheid,
inhoudende dat hij zich in het dorp kan blijven vestigen. Eiseressen maken
bovendien en integendeel tot gedaagde actief deel uit van het sociaal leven
van Hoogkarspel.

Derhalve dient gedaagde, om confrontaties met eiseressen te voorkomen,
het dorp te verlaten en derhalve naar elders te verhuizen.
De therapiekosten van eiseressen worden niet vergoed door enige ziektekostenverzekeraar.
Aangezien gedaagde deze schade bij eiseressen door zijn onrechtmatige handelen
heeft veroorzaakt, dient hij tot vergoeding daarvan over te gaan.

Vergoeding van de immateriële schade betekent voor eiseressen tevens erkenning
als slachtoffer van sexueel misbruik en draagt zo bij tot het genezingsproces.

Eiseressen sub 2 en 3 betwisten dat hun civiele vordering verjaard is.
Uit recente jurisprudentie blijkt dat de verjaringstermijn aanvangt bij
het bekend worden met de schade en de dader. De bekendheid met de schade
vindt bij sexueel misbruik echter vaak pas plaats bij aangifte bij de politie
of bij therapie omdat de slachtoffers zich pas dan realiseren dat hen zodanige
schade is berokkend dat hen een schadevergoeding in financiële zin toekomt.

Ten aanzien van eiseressen sub 2 en 3 dient als aanvang van de verjaringstermijn
van vijf jaren derhalve te worden aangekomen eind 1996 zodat thans de ingediende
vorderingen in volle omvang ontvankelijk zijn.

3. Het verweer

Gedaagde heeft als verweer het volgende aangevoerd.
De civiele vorderingen van eiseressen sub 2 en 3 zijn verjaard. Eiseres
sub 2 heeft tegenover de politie verklaard dat zij in 1989 tengevolge van
relatieproblemen bekend werd met de door haar geleden schade. Zij heeft
zelfs naar aanleiding hiervan gedaagde geconfronteerd met haar ervaringen.
Gedaagde sub 2 heeft tegenover de politie verklaard dat zij het door haar
ondergane sexueel misbruik heeft besproken in 1984 toen zij 17 jaar oud
was. Bekendheid met de schade heeft derhalve langer dan vijf jaren geleden
plaatsgevonden en die vorderingen zijn derhalve verjaard. Eiseressen sub
2 en sub 3 dienen derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien
van de door hen ingestelde vorderingen.

Subsidiair stelt gedaagde dat hij ook ten aanzien van laatstgenoemden bereid
is de gemaakte therapiekosten te vergoeden, tenzij echter blijkt dat de
ziektekostenverzekeraar die kosten vergoedt. Omdat gedaagde zich al bereid
heeft verklaard de therapiekosten te vergoeden, is een terzake uitgesproken
veroordeling onnodig. De wettelijke rente acht gedaagde niet toewijsbaar.
Hij heeft namelijk al eerder aangeboden om kosten te vergoeden, maar er
werd geen specificatie overgelegd. Enige immateriële schade wordt niet
ontkend, doch de hoogte daarvan kan nu nog niet worden vastgesteld omdat
zoals eiseressen stellen die behandeling langdurig zal zijn.

Ten aanzien van het gevraagde verbod om zich in Hoogkarspel op te houden
stelt gedaagde dat zijn grondrecht van eerbiediging van de bewegingssfeer
zodanig onevenredig wordt geschonden dat geen belangenafweging dit kan
rechtvaardigen. Eiseressen zijn vrijwillig in Hoogkarspel – en dus in de
woongemeente van gedaagde – gaan wonen.

Indien de president van oordeel is dat een dergelijk verbod toch dient
te worden uitgesproken verzoekt gedaagde beperking van het gebied, subsidiair
een ruime termijn voor verhuizing.

Ten aanzien van dat verbod stelt gedaagde dat nu hij zelf al zoveel als
mogelijk tracht contact met eiseressen te vermijden, een eventuele inschakeling
van de sterke arm overbodig is.

4. De gronden van de beslissing

4.1. Aan het standpunt van gedaagde inhoudende dat de vorderingen van eiseressen
sub 2 en sub 3 zijn verjaard dient te worden voorbijgegaan.

4.2. De onderhavige rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren door
verloop van 5 jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde
zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is
geworden, in ieder geval verjaren zij na verloop van 20 jaren na de gebeurtenis
waarvoor schade is veroorzaakt.

4.3. Vaststaat dat de maximale verjaringstermijn van 20 jaar niet is overschreden.

4.4. Ten aanzien van het tijdstip van aanvang van de onder 4.2. bedoelde
verjaringstermijn oordeelt de president dat volgens de heersende leer als
zodanig dient te worden aangemerkt de dag waarop de benadeelde een dermate
fase in het verwerkingsproces heeft bereikt dat hij of zij tot het doen
van aangifte in staat is.

Ervaringsregel is immers dat slachtoffers van zedenmisdrijven die in hun
prille jeugd hebben plaatsgevonden doorgaans in een langdurig verwerkingsproces
terecht komen, gedurende welk proces zij niet of nauwelijks in staat zijn
een weloverwogen beslissing te nemen omtrent het al dan niet begroten van
schade en het vorderen van een vergoeding terzake.
Geen omstandigheid is gebleken om thans van die in de jurisprudentie ontwikkelde
regel af te wijken.

In het onderhavige geval hebben de betrokkenen eind 1996 aangifte gedaan
en dus is de termijn van verjaring bij lange na niet overschreden.

4.5. Ten aanzien van de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de president
als volgt.
Door erkenning van het gepleegde sexuele misbruik staat vast dat gedaagde
zich onrechtmatig heeft gedragen jegens eiseressen.

4.6. Algemeen bekend is dat sexueel misbruik van vooral zeer jonge minderjarigen,
zoals in de onderhavige zaak in de leeftijdscategorie van 8 tot 12 jaren,
bij de slachtoffers leidt tot schade in psychische zin. Er heeft immers
een grote inbreuk plaatsgehad in hun persoonlijke levenssfeer en op het
recht van onaantastbaarheid van hun lichaam.

Daarbij komt dat namens gedaagde de thans door eiseressen ingediende vorderingen
tot materiële en immateriële schadevergoeding niet – danwel onvoldoende
gemotiveerd – zijn weersproken. Die vorderingen liggen dan ook voor toewijzing
gereed met dien verstande dat aan de toewijzing wat betreft de materiële
schade na te melden voorwaarde zal worden gekoppeld.

4.7. Ten aanzien van het gevorderde verhuisgebod dient een belangenafweging
plaats te vinden; aan de ene zijde het recht van bewegingsvrijheid van
gedaagde en aan de andere zijde dat van eiseressen inhoudende dat zij daadwerkelijk
met hun therapie kunnen beginnen.

4.8. Naar het oordeel van de president hebben eiseressen aannemelijk gemaakt
dat therapie pas mede kan slagen wanneer zij niet voortdurend alert hoeven
te zijn op mogelijke confrontaties met gedaagde. Dat belang van verschoond
blijven van confrontaties dient thans, mede gelet op het hiervoor onder
4.4. en 4.6. overwogene, te prevaleren boven dat van gedaagde, hetgeen,
gelet op de omstandigheid dat de woonomgeving van eiseressen dusdanig nauw
verweven is met die van gedaagde, een verhuisplicht van gedaagde tot buiten
het dorp Hoogkarspel met zich brengt.
De president acht het niet onredelijk, gelet op de strekking van het gebod,
na te melden termijn toe te staan.

Machtiging tot hulp sterke arm wordt prematuur geacht.

4.9. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld
in de kosten van het geding.

Beslissing

De president:

– verbiedt gedaagde zich op te houden in het dorp Hoogkarspel, gemeente
Drechterland, met ingang van 1 maart 1998 gedurende een periode van 5 jaren,
alsmede eiseressen gedurende die periode telefonisch danwel op andere wijze
te benaderen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250 voor iedere
dag of gedeelte van een dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft, met
een maximum bedrag aan te verbeuren dwangsommen van ƒ 30.000;

– veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen;

– aan eiseres sub 1 een bedrag van ƒ 1000 (DUIZEND GULDEN) wegens gemaakte
therapiekosten, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van
dagvaarding tot de datum der algehele voldoening;

– aan eiseressen sub 2 en 3 een bedrag van ƒ 6600 (ZESDUIZEND ZESHONDERD
GULDEN) per persoon wegens therapie- en reiskosten, te verhogen met de
wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele voldoening,
een en ander onder de voorwaarde dat niet blijkt dat voornoemde schades
door enige verzekeraar worden vergoed;

– veroordeelt gedaagde om aan eiseressen sub 2 en sub 3 bij wege van voorschot
op de immateriële schadevergoeding te betalen van ƒ 5000 (VIJFDUIZEND GULDEN)
per persoon, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding
tot de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de
zijde van eiseressen begroot op ƒ 470,33 aan verschotten en op ƒ 1500 aan
salaris van de procureur;

– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

– weigert het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Van Dijk