Instantie: B en W Amsterdam, 23 februari 2000

Instantie

B en W Amsterdam

Samenvatting


M. is van Marokkaanse nationaliteit. Ingevolge de inwerkingtreding van
de Koppelingswet heeft zij geen recht meer op bijstandverstrekking. Daarvoor
ontving zij een eenoudergezin-uitkering t.b.v. haar en haar minderjarige
zoontje N. Sinds 1 december 1998 heeft zij een Rvb-uitkering. Deze is echter
alleen bedoeld voor M., gezien het feit dat N. de Nederlandse nationaliteit
heeft. De vader van N. is al jaren spoorloos. Haar bezwaar tegen de afwijzing
van haar aanvraag om een bijstandsuitkering ten behoeve van N. wordt gegrond
verklaard. Met ingang van 17 december 1998 wordt alsnog een bijstandsuitkering
toegekend ten behoeve van N. ter hoogte van het verschil tussen de norm
voor een alleenstaande ouder en de norm voor een alleenstaande, dat wil
zeggen twintig procent van de bijstandsnorm voor gehuwden ouder dan 21
jaar onder verrekening van het bedrag waarmee M.’s inkomsten de norm voor
een alleenstaande van 21 jaar en ouder overschrijdt.

Volledige tekst

Herziene beschikking op het bezwaar ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
naar aanleiding van een beschikking ingevolge de Algemene bijstandswet

Geachte mevrouw M.,

Door u is beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank naar aanleiding
van de beschikking op bezwaarschrift van 5 maart 1999, verzenddatum 10
maart 1999.
Heroverweging van deze zaak geeft ons aanleiding ons standpunt te wijzigen.
Voor de feiten, die betrekking hebben op deze aangelegenheid, wordt verwezen
naar de beschikking op bezwaarschrift van 5 maart 1999.
Ten aanzien van de overige relevante feiten is ons nog het volgende gebleken.
Ingaande 1 december 1998 ontvangt u een toelage c.q. dekking van de kosten
van medische verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen aan
bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). De toelage bedroeg vanaf de maand
december 1998 ƒ 1.488,43 per maand.

Met betrekking tot uw bezwaren tegen het besluit van 24 november 1 998
hebben wij het volgende overwogen.
Op grond van artikel 11, eerste lid van de Abw kunnen burgemeester en wethouders
aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden,
in afwijking van paragraaf 1 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen
daartoe noodzaken. Ingevolge het bepaalde in artikel 13, eerste lid van
de Abw stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden
verplichtingen af op omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken
persoon.
De voorgeschreven werkwijze ten aanzien van de zogenaamde ‘overgangsgevallen’
van de Koppelingswet schrijft voor dat er een gesprek met de betrokken
cliënt moet worden gevoerd. De cliënt, die nog niet (of niet meer) een
geldige verblijfstitel heeft, krijgt recht op nog twee weken bijstand na
de datum van het gesprek. In het geval dat er minderjarige kinderen betrokken
zijn kan worden besloten dat het recht op bijstand zal bestaan nog gedurende
vier weken. Volgens de werkvoorschriften van de Sociale Dienst Amsterdam
in de situatie wanneer een onderhoudsplichtige ouder die zelf geen recht
op bijstand heeft bijstandverstrekking ten behoeve van het kind wel mogelijk
is. Er moet worden onderzocht of er een andere ouder is op wie een beroep
kan worden gedaan. Is dit niet het geval dan kan met toepassing van artikel
11 van de Abw recht op algemene bijstand bestaan. De hoogte van de bijstand
is afwijkend vastgesteld op basis van artikel 13, eerste lid van de Abw.
Het bedrag is gelijk aan het verschil tussen de norm voor een alleenstaande
ouder en de norm voor een alleenstaande ouder. Dit is 20% van de bijstandsnorm
voor gehuwden ouder dan 21 jaar. De bijstandsuitkering wordt toegekend
aan de niet rechthebbende ouder. Deze uitkering staat ook wel bekend als
de ‘babyuitkering’.
Ons is gebleken dat u op grond van de bovengenoemde beleidsregels tot en
met 16 december 1998 recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande
ouder van 21 jaar en ouder, verhoogd met een gemeentelijke toeslag ter
grootte van 20% van het nettominimumloon. Met ingang van 17 december 1998
heeft u recht op de ‘babyuitkering’. De hoogte van deze uitkering is 20%
van de bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar en ouder onder verrekening
van het bedrag waarmee uw inkomsten de norm voor een alleenstaande van
21 jaar en ouder overschrijdt.

Nu aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen hebben wij er op grond
van het bepaalde in artikel 7:3 aanhef onder de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) vanaf gezien om u en uw gemachtigde uit te nodigen om het bezwaarschrift
tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten.

Derhalve hebben wij – in onze vergadering van 18 februari 2000 – besloten
uw bezwaren gegrond te verklaren en te bepalen dat in de beschikking d.d.
24 november 1998 genoemde beëindigingsdatum wordt gewijzigd in 17 december
1998 en dat aan u met ingang van 17 december 1998 met inachtneming van
het hiervoor overwogenen een ‘babyuitkering’ wordt toegekend.

Hoogachtend,
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
R. Hoff, Loco-Secretaris S. Patijn, Burgemeester

Rechters