Instantie: Hoge Raad, 20 januari 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Eiseres tot cassatie, de moeder vordert veroordeling van de
vader tot een bijdrage aan het levensonderhoud van haar kind, geboren
in 1981. Deze vordering wordt ingesteld in 1992, meer dan 5 jaar na de
geboorte van het kind, dat geen familierechtelijke band heeft met de
vader.

Ingevolge art. 1:405 BW lid 2 BW verjaart de rechtsvordering tot
voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van een onwettig
niet erkend kind definitief door verloop van vijf jaren na de
geboorte. Het cassatiemiddel betoogt dat deze bepaling onverbindend is
vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verwerpt het
beroep omdat toepassing van de verjaringstermijn geen ongelijke
behandeling van wettige en onwettige kinderen oplevert. Daarvoor
zouden deze in een vergelijkbare positie moeten verkeren, wat niet het
geval is indien van het onwettige kind het vaderschap, zoals i.c. niet
is vastgesteld.

Volledige tekst

Rechtbank: 3. De beoordeling Het beroep van de man op de
verjaring als bedoeld in artikel 1:405 lid 2 van het Burgerlijk
Wetboek zal de rechtbank allereerst onderzoeken.

De opvatting van de vrouw, dat de verjaringstermijn als bedoeld in
voormelde bepaling een zelfde inhoud en bedoeling heeft als de
verjaringstermijn bedoeld in 1:403 van het Burgerlijk Wetboek vindt
geen steun in het recht. Eerstgenoemd artikel heeft namelijk
betrekking op de rechtsvordering als zodanig, terwijl laatstgenoemde
bepaling op verschuldigde uitkeringen toepasselijk is. Het feit dat
een bijdrage vanaf de dag der dagvaarding wordt gevorderd doet aan het
voorgaande niet af. Immers bij het instellen van de vordering bij
dagvaarding van 4 februari 1992 was de termijn van vijf jaren, te
rekenen vanaf de geboortedag van het kind (11 juli 1981) reeds
verstreken.

Voorts voert de vrouw aan, dat de verjaringstermijn reeds lange tijd
geleden is gestuit, omdat de man gedurende de relatie – volgens de
vrouw vanaf juni 1980 tot april 1989 – altijd cadeau’s aan het kind
gaf, diens kleren betaalde en een spaarbankboekje voor hem heeft
geopend. De man stelt, dat door voormelde handelingen de verjaring
niet kan worden gestuit, en dat hij overigens anders dan enkele kleine
geschenken van onbeduidende omvang, die handelingen ontkent.

Gelet op artikel 3:318 jo. 3:326 van het Burgerlijk Wetboek en artikel
120 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, en gezien voormelde
stellingname van de vrouw dient de eventuele stuitingsoorzaak naar het
burgerlijk recht van voor 1 januari 1992 te worden beoordeeld.

De rechtbank begrijpt bovengenoemde stellingen van de vrouw aldus, dat
zij kennelijk een beroep doet op het bepaalde in artikel 2019 van het
Burgerlijk Wetboek (Oud), in die zin, dat uit de gestelde handelingen
zou blijken, dat de man impliciet heeft erkend levensonderhoud
verschuldigd te zijn. In deze lezing zouden die gestelde handelingen
een stuiting van de verjaring kunnen opleveren.

Nu de man deze handelingen ontkent, wordt de vrouw overeenkomstig haar
aanbod toegelaten die handelingen als na te melden te bewijzen,
allereerst middels getuigen.

Aangezien voor de duiding van die handelingen een eventueel vaderschap
van belang is, alsmede om redenen van proceseconomie, wordt de vrouw
eveneens opgedragen te bewijzen dat partijen in het wettelijk
conceptietijdvak gemeenschap hebben gehad.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing De rechtbank: Draagt de vrouw op te bewijzen, de aard
en omvang van de door haar gestelde gedragingen van de man, te weten
dat de man vanaf de geboorte van het kind (11 juli 1981) tot april
1989 cadeau’s aan het kind heeft gegeven, diens kleding heeft betaald
en een spaarbankboekje voor het kind heeft geopend, alsmede dat
partijen in de periode 7 september 1980 tot en met 13 januari 1981
gemeenschap met elkaar hebben gehad (enz.) Houdt iedere verdere
beslissing aan.

Hof: ( …)

4. De beoordeling 4.1. Terecht en op juiste gronden gelet ook op de
wetsgeschiedenis van met name artikel 405 boek I van het Burgerlijk
Wetboek heeft de Rechtbank geoordeeld, dat in deze van toepassing is
de verjaringstermijn bedoeld in dat artikel en dat de opvatting van de
vrouw, dat die termijn eenzelfde inhoud en bedoeling heeft als de
verjaringstermijn bedoeld in artikel 1:403 van dat Wetboek geen steun
vindt in het recht.

De eerste grief van de vrouw faalt derhalve.

4.2. De grief van de man faalt eveneens.

Blijkens de op die grief gegeven toelichting verbindt de man aan de in
die grief bedoelde overweging van de Rechtbank de conclusie, dat de
Rechtbank uit de stellingen van de vrouw, indien bewijsbaar, heeft
afgeleid, dat er daadwerkelijke stuiting van de verjaring heeft
plaatsgevonden.

Die gevolgtrekking maakt de man ten onrechte.

De Rechtbank heeft niet meer overwogen, dan dat de door de vrouw
gestelde en door de man ontkende gedragingen (indien bewezen) stuiting
van de verjaring zouden kunnen opleveren.

Een oordeel omtrent het door die beweerdelijke gedragingen al dan niet
gestuit zijn van de verjaring heeft de Rechtbank Zich derhalve
voorbehouden tot na uitvoering van de door Haar aan de vrouw
verstrekte bewijsopdracht.

De grief berust derhalve op een onjuiste lezing van het vonnis,
waarvan beroep.

4.3. Ten slotte faalt ook de tweede grief van de vrouw. Te dezen is
van toepassing het bepaalde bij artikel 1:394 van het Burgerlijk
Wetboek.

Blijkens die wetsbepaling (lid 3) wordt vader van een onwettig
niet-erkend kind vermoed te zijn diegene, die tussen de 307de en
179ste dag voor de geboorte van zulk een kind met de moeder
gemeenschap heeft gehad. Nu de man gemeenschap met de vrouw in dat
conceptietijdvak uitdrukkelijk betwist, ligt de bewijslast met
betrekking tot die door de vrouw gestelde gemeenschap in beginsel bij
haar. Terecht droeg de Rechtbank – om redenen van proceseconomie – de
vrouw dan ook eveneens bewijs van die stelling op.

4.4. Nu alle grieven falen, behoort het vonnis, waarvan beroep, te
worden bekrachtigd.

4.5. Voor een kostenveroordeling van een van partijen, zoals over en
weer gevorderd, oordeelt het Hof geen, voor compensatie van de op het
hoger beroep gevallen proceskosten op de in het dictum van dit arrest
aan te geven wijze wel termen aanwezig.

(enz.)

Cassatiemiddel: I Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim
van vormen, waarvan de niet in achtneming uitdrukkelijk met nietigheid
is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit
de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof op
de in het arrest vermelde en hier als herhaald en overgenomen te
beschouwen gronden heeft beslist als in het bestreden arrest
overwogen, zulks ten onrechte op de navolgende, zo nodig in onderling
verband en samenhang te beschouwen redenen.

Immers het Gerechtshof heeft in alinea 4.1 als volgt overwogen: ( …)
Zulks ten onrechte. Immers artikel 405 lid 2 boek I is in strijd met
artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) en artikel 14 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM).

Verwezen moge allereerst worden naar het artikel van Mr J. de Boer in
het NJB 1988 pag 1075.

Ook in Asser-De Ruijter nr 1080 wordt de verjaringstermijn van artikel
405 lid 2 boek I BW in strijd met genoemde verdragen geacht, in ieder
geval te kort.

Niet valt in te zien waarom kinderen die niet in familierechtelijke
betrekking tot hun biologische vader staan minder rechten moeten
hebben dan kinderen die wel erkend zijn.

Ten opzichte van het kind mag de enkele erkenning niet het gevolg
hebben dat niet erkende kinderen ongelijk behandeld worden.

Het gaat er om dat de biologische vader een alimentatieverplichting
jegens het kind heeft. Door zijn mogelijkheid om het kind niet te
erkennen moet hij de positie van het kind niet minder mogen kunnen
maken.

Artikel 405 lid 2 boek I BW komt voorts niet overeen met de gedachte
van de wetgever om de wettige en onwettige kinderen zoveel mogelijk op
een lijn te stellen. In dit verband moet gewezen worden op het Marckx
arrest NJ 1980, 462. Waarom er onderscheid moet zijn in de
alimentatierechten van wettige en natuurlijke kinderen, al of niet
erkend valt niet in te zien.

Als wettige en onwettige kinderen op een lijn gesteld moeten worden
geldt dit zeker voor erkende en niet erkende natuurlijke kinderen,
althans wat de onderhoudsverplichting betreft.

Verwezen moet voorts worden naar het preadvies van Prof. Mr M.

de Langen (1990 pag 95): “De Staat moet zich betreffende de ongehuwde
moeder en haar kind hoeden voor elke discriminatie die op geboorte
binnen of buiten een huwelijk berust.” Dat het bovenstaande zeker
geldt indien tussen het kind en de biologische vader een “vie
familiale / family life in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM heeft
bestaan. Het Hof had derhalve in ieder geval de vrouw tot bewijs van
een dergelijke verhouding moeten toelaten.

Zie verder de Lange pag. 107: Het recht van het kind op een
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zoals opgenomen in het
Europees Verdrag inzake de rechtspositie van onwettige kinderen van 15
oktober 1975 en in de wetgeving van de meeste Europese landen en
conform artikel 8 EVRM brengt mee dat een dergelijke vaststelling op
verzoek van het kind mogelijk moet zijn. Indien een dergelijk recht in
de huidige rechtsopvatting mogelijk moet zijn is er te meer reden om
artikel 405 lid 2 boek I BW buiten toepassing te laten.

Tenslotte wijst appellante op het vonnis van de Rechtbank Maastricht
van 11 februari 1993 NJ 1993, 728, in welk vonnis de Rechtbank op
grond van artikel 8 EVRM de termijn van artikel 1:203 BW buiten
toepassing verklaart.

Conclusie: Artikel 1: 405 lid 2 BW dient als onverenigbaar met artikel
1 van de Grondwet, artikel 8 en 14 van het EVRM en artikel 26 van het
IVBP buiten toepassing te worden verklaard.

Hoge Raad: 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie
– verder te noemen: de moeder – heeft bij exploit van 4 februari 1992
verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader – gedagvaard voor
de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch en gevorderd de vader te veroordelen
om aan de moeder te betalen een bedrag van ƒ 250 per maand voor de
verzorging en opvoeding van haar kind Maikel, geboren te O. op 11 juli
1981, vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van diens
meerderjarigheid.

Nadat de vader had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van
de moeder in haar vordering, dan wel tot ontzegging daarvan, heeft de
Rechtbank bij tussenvonnis van 3 juli 1992 de moeder bewijslevering
opgedragen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch, waarna de vader incidenteel hoger
beroep heeft ingesteld.

Bij arrest van 17 september 1993 heeft het Hof op het principaal en
het incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis bekrachtigd.

( …)

3. Beoordeling van het middel 3.1 Het middel keert zich tegen het in
rechtsoverweging 4.1 vervatte oordeel van het Hof dat de Rechtbank
terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat in deze zaak de in
art.

1:405 BW bedoelde verjaringstermijn van toepassing is. Het strekt ten
betoge dat lid 2 van genoemd artikel als onverenigbaar met art. 1
Grw., de art. 8 en 14 EVRM en art. 26 IVBP buiten toepassing moet
blijven omdat het leidt tot ongelijke behandeling van kinderen die wel
en kinderen die niet in familierechtelijke betrekking tot hun
biologische vader staan voor wat betreft de onderhoudsverplichting van
de vader jegens die kinderen.

3.2 Het beroep op de voormelde verdragsbepalingen faalt. In de
onderhavige zaak wordt het beroep op verjaring krachtens art.

405 lid 2 gedaan tegenover een rechtsvordering die ertoe strekt het
vaderschap van de man te doen vaststellen ten einde op grond van dit
vaderschap een veroordeling te verkrijgen tot betaling van een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Een
zodanige rechtsvordering verschilt van een rechtsvordering, ingesteld
tegen een vader die tot het kind in familierechtelijke betrekking
staat en waarvan derhalve het – hier juridisch – vaderschap reeds
vaststaat op grond van huwelijk of erkenning. Dit verschil kan ook een
verschil in behandeling van beide soorten rechtsvorderingen op het
punt van de verjaring rechtvaardigen in dier voege dat voor de
eerstbedoelde rechtsvordering een kortere verjaringstermijn dan voor
de tweede noodzakelijk kan worden geacht met het oog op de
rechtszekerheid en de bescherming van de rechten van hen tegen wie de
aan die termijn onderworpen rechtsvordering zich richt.

Opmerking verdient daarbij dat het voorgaande niet geldt in de
situatie dat art. 405 lid 2 wordt ingeroepen tegenover een
rechtsvordering, waarbij het uitsluitend om het vaststellen van een
bijdrage als voormeld gaat, omdat het vaderschap reeds eerder is
vastgesteld. Art. 405 lid 2 dient aldus te worden verstaan dat het in
een zodanig geval niet geldt.

Het beroep op strijd met art. 1 Grw. faalt reeds omdat het de rechter
niet vrijstaat in de beoordeling van de grondwettigheid van de wet te
treden. Evenmin staat het de rechter vrij te treden in een beoordeling
van de wenselijkheid van een korte verjaringstermijn als in art. 405
lid 2 opgenomen, los van de hiervoor behandelde vraag of sprake is van
een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten
van het geding in cassatie in dier voege dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Conclusie A-G mr. Koopmans: 1. Ingevolge art. 1:405 lid 2 BW verjaart
de vordering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding
van een kind tegen de vader die niet in familierechtelijke betrekking
tot dat kind staat, door het verloop van vijf jaren te rekenen van de
geboortedag van het kind.

Het cassatiemiddel betoogt dat deze bepaling onverbindend is omdat zij
in strijd zou komen met het gelijkheidsbeginsel, zoals met name
neergelegd in art. 26 IVBP.

2. Het middel berust op de stelling dat door de verjaringstermijn van
art. 405 lid 2 gediscrimineerd zou worden tussen wettige en onwettige
kinderen. Art. 1:403 BW bepaalt immers dat onderhoudsuitkeringen niet
verschuldigd zijn “over de tijd, die op het tijdstip van het instellen
der vordering reeds meer dan vijf jaren is verstreken”. Deze regeling
zou gunstiger voor het kind zijn dan die van art. 405 lid 2, zodat
onwettige kinderen voor het hun door de vader verschuldigde onderhoud
in een ongunstiger positie zouden worden gebracht dan wettige
kinderen. Met de uitdrukking onwettige kinderen wordt in deze
vergelijking gedoeld, zo moet men aannemen, op niet door de vader
erkende buitenechtelijke kinderen.

3. De stelling van het middel berust op een onjuiste gedachtengang,
omdat de vergelijking niet klopt. Art. 403 ziet op de situatie waarin
vaststaat wie het onderhoud dient te betalen; de bepaling betreft de
door hem over het verleden verschuldigde alimentatiebedragen. De
termijn van art. 405 lid 2 heeft daarentegen betrekking op de
vaststelling wie de onderhoudsdebiteur is; is eenmaal komen vast te
staan wie de buitenechtelijke vader is, dan geldt verder het regime
van art. 403. Zie Asser-De Ruiter-Moltmaker (14e dr. 1992) no.

1080; E.A.A. Luijten, Het Nederlandse personen- en familierecht dl. I
(Zwolle 1991) p. 95.

Dit verklaart ook waarom art. 403, naar algemeen wordt aangenomen, een
vervaltermijn inhoudt, terwijl de termijn van art. 405 lid 2 een
verjaringstermijn is, die kan worden gestuit. Zie Luijten a.w., p. 89;
Nota-Van der Burght, Het nieuw burgerlijk recht, dl. I, Personen- en
familierecht (Alphen aan den Rijn 1978) p. 359 en p. 374. Art. 405
heeft een gans andere inzet dan verhaal van achterstallige
alimentatie, zodat de betrokken belangen ook niet vergelijkbaar zijn.

4. Een probleem van gelijke behandeling doet zich daarom niet voor.
Bij het wettige kind staat van de geboorte af vast wie de tot
onderhoud verplichte vader is; bij het buitenechtelijke kind moet dat
eerst worden uitgemaakt, hetzij door erkenning, hetzij door middel van
de procedure van art. 1:394 en 405. Er is daarom sprake van ongelijke
gevallen, waarvoor dan ook niet per se gelijke regels behoren te
gelden.

Dit wordt m.i. veronachtzaamd door J. de Boer NJB 1988 p.

1075, die de discussie over de wettigheid van de termijn van art. 405
lid 2 heeft aangezwengeld. Hij betoogt dat DNA-onderzoek thans de
vaststelling van het vaderschap met meer dan 99% zekerheid mogelijk
maakt; daarom zou de termijn van art. 405 achterhaald zijn door de
voortgang van de natuurwetenschappen. M.a.w. er zou geen redelijke en
objectieve rechtvaardiging zijn voor de termijn van art. 405.

Dat laatste is rechtens echter niet beslissend: de eis dat er een
redelijke en objectieve grond moet zijn heeft geen betrekking op
termijnen, maar op verschil in behandeling van gelijke gevallen. Zie
HR 7 mei 1993 JAR 1993 no. 156 (RvdW 101)(NJ 1995, 259, m.nt. EAA).
Eerst moet derhalve vast komen te staan dat sprake is van ongelijke
behandeling van gelijke gevallen.

Dat tegen verschillende wettelijke termijnen wel het een en ander aan
te voeren valt, lijkt mij moeilijk voor bestrijding vatbaar; zie ook
Asser-De Ruiter-Moltmaker t.a.p. Dit staat echter op zichzelf buiten
de gelijke-behandelingsproblematiek.

Tegen de korte verzettermijn van art. 81 Rv. zijn bv.

ongetwijfeld goede argumenten te vinden, maar daartoe hoort niet de
grond dat die termijn onverbindend is omdat de appeltermijn zoveel
langer is. De door de wet gestelde termijnen lenen zich, behoudens
toepassing van verdragsbepalingen over mensenrechten, niet voor
heroverweging door de rechter: HR 17 sept. 1993 NJ 1994 no. 372.

5. De omstandigheid dat, blijkens een nieuwsbericht in NJB 1994 p.
1466, het gerechtshof te Amsterdam een arrest heeft gewezen dat de
redenering van De Boer volgt (voor meer dan 99% zelfs, als men op het
bericht mag afgaan), brengt mij niet tot andere gedachten.

Ook bestudering van de rechtspraak over verschil in behandeling tussen
wettige en onwettige kinderen heeft mij geen aanleiding gegeven mijn
mening te herzien. Ik wijs er in dit verband overigens op dat voor de
toepassing van art. 8 EVRM, inzake de bescherming van het gezinsleven,
de jurisprudentie uitgaat van ongelijkheid van situaties naar gelang
het om binnen of buiten het huwelijk geboren kinderen gaat. Zie EHRM
21 juni 1988 NJ 1988 no. 746, Berrehab; J. de Boer Hand. NJV 120
(1990) I no. 9.1-9.2.

Ik breng tenslotte in herinnering dat de verjaringstermijn van vijf
jaar reeds te vinden is in de wet van 16 nov. 1909 Stb.

363, die de vaderschapsactie in ons recht introduceerde.

Minister Van Raalte prefereerde een amendement-Van Styrum in deze zin
boven voorstellen die een vervaltermijn van drie of van vijf jaar
wilden vastleggen. De minister overwoog daarbij dat een
verjaringstermijn zou kunnen worden gestuit door handelingen van de
onderhoudsplichtige. Zie Hand. 1906-07, II-p. 2012-2013. In het vorig
jaar ingetrokken wetsvoorstel inzake herziening van het
afstammingsrecht was een verjaringstermijn van vijf jaar na de
geboorte van het kind zowel gekoppeld aan de – nieuw in te voeren –
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (art. 213 lid 3) als aan
de vaststelling van de onderhoudsplicht van de verwekker van het
niet-erkende buitenechtelijke kind (art. 406a lid 2). Zie TK 1987-88,
20.626 nr. 2. Zie ook mem. v. antw. II (20.626 nr. 6) p. 34 en p. 48:
de man moet na een zeker tijdsverloop weten, aldus de regering, dat
hij niet meer kan worden aangesproken.

Dat heeft niet alle Kamerleden overtuigd; zie nader voorl.

versl. II (20.626 nr. 8) p. 17. Bij de intrekking van het voorstel
heeft minister Hirsch Ballin toegezegd met een nieuw voorstel te
zullen komen (20.626 nr. 9).

6. In de schriftelijke toelichting van mr Vermeulen wordt nog de
gedachte geopperd dat art. 1:405 BW niet op onderhoud betrekking heeft
zoals art. 1:403, maar op “verzorging en opvoeding”, hetgeen iets
anders zou zijn. Deze stelling, die moeilijk te rijmen is met een
beroep op het gelijkheidsbeginsel, en die in het middel ook niet is
terug te vinden, is onjuist: “verzorging en opvoeding” is het ruimere
begrip, dat onderhoud omvat. Zie Parl. gesch. bk. I p. 785.

7. Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Snijders, Roelvink, Mijnssen, Heemskerk, Swens-Donner, A-GKoopmans