Instantie: Rechtbank Breda, 15 november 1994

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres liep ten gevolge van het seksueel misbruik vier jaar achterstand
op in haar opleiding. Hiervoor kent de Rechtbank haar een materiële
schadevergoeding van ƒ 26.765,- toe en een bedrag van ƒ 17.500,-
aan immateriële schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van het geding.

Dit blijkt uit de ter vonniswijziging overgelegde stukken: – het
tussenvonnis van 8 februari 1994 en de daarin genoemde stukken; – de
akte van depot van het deskundigenbericht van drs. R.A. van der Pol,
psychiater, d.d. 10 maart 1994; – de conclusie na deskundigenbericht
van de kant van eiseres; – de conclusie na deskundigenbericht van de
kant van gedaagde.

2. De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank volhardt bij en verwijst
naar de eerdere vonnissen in deze zaak. Ingevolge het zojuist genoemde
vonnis heeft de deskundige in zijn rapportage d.d. 10 maart 1994 de
door de rechtbank voorgelegde vraagpunten beantwoord. Eiseres kan zich
met de inhoud van het deskundigenrapport en de daaraan verbonden
conclusie verenigen. Gedaagde stelt vraagtekens bij de deskundigheid
van de rapporteur, omdat het deskundigenbericht tot stand is gekomen
onder supervisie van de door de rechtbank benoemde deskundige in
samenwerking met de arts-assistente psychiatrie in opleiding V.M.
Kooij. Gedaagde geeft niet aan in welk opzicht het de rapportage aan
deskundigheid ontbreekt. De omstandigheid dat het feitelijk onderzoek
in de vorm van drie gesprekken met eiseres is gedaan door
arts-assistente psychiatrie V.M. Kooij doet niet af aan het feit dat
het deskundigenbericht is uitgebracht onder supervisie van drs. Van der
Pol, haar opleider, die met zijn handtekening het deskundigenbericht
heeft bekrachtigd. De rechtbank gaat aan deze ongemotiveerde klacht van
gedaagde voorbij.

2.2. De deskundige komt tot de navolgende bevindingen en conclusies,
kort weergegeven: In antwoord op het eerste vraagpunt worden de
klachten opgesomd waaraan eiseres lijdt; deze klachten passen binnen
het kader van een dissociatieve stoornis. De diagnose meervoudige
persoonlijkheidsstoornis kan niet meer gesteld worden, waarbij de
deskundige opmerkt dat in aanmerking genomen dient te worden dat
eiseres inmiddels een langdurige en intensieve behandeling achter de
rug heeft, waardoor het mogelijk is dat tijdens het huidige onderzoek
de oorspronkelijke stoornis in afgevlakte mate naar voren komt. De
klachten en verschijnselen waaraan eiseres lijdt ontstaan in
aansluiting op ernstige en veelvuldige traumatisering in de vroege
kindertijd. In dit geval is het zeer aannemelijk dat de huidige
klachten en verschijnselen van eiseres het gevolg zijn van seksueel
misbruik door gedaagde, mits dit veelvuldig en op jonge leeftijd
gebeurde.

Direct aansluitend op een jeugdtrauma treden specifieke
afweermechanismen in werking, zoals dissociatie, waardoor een
slachtoffer vanaf dat tijdstip een scala van klachten kan gaan
ontwikkelen en onder haar niveau kan gaan functioneren. De deskundige
acht dit ook waarschijnlijk in het geval van eiseres. Het gegeven dat
eiseres, na een langdurige en intensieve behandeling, momenteel
redelijk functioneert, houdt niet in dat zij haar traumatische
jeugdervaringen volledig heeft geintegreerd in haar geheugen en dat zij
deze adequaat verwerkt heeft. Waarschijnlijk is het zo dat zij een
acceptabel evenwicht heeft kunnen vinden tussen het losmaken en
verwerken van een deel van haar traumatische jeugdervaringen en het
leren leven met haar klachten.

2.3. De rechtbank constateert dat het deskundigenbericht en de
conclusies van deze rapportage geheel aansluiten bij hetgeen inmiddels
in deze procedure feitelijk vaststaat en bij hetgeen bewezen is
verklaard omtrent het seksuele misbruik door gedaagde van zijn zusters,
waaronder eiseres als jongste zusje.

De traumatische gebeurtenissen hebben inderdaad in de vroege jeugdjaren
plaatsgevonden. Eiseres herinnert zich met name een zeer bedreigde
gebeurtenis toen zij zes jaar oud was en verder heeft zij steeds flash-
backs. Dat het om veelvuldige handelingen gaat en niet om een eenmalig
trauma is zeer aannemelijk, gezien ook de verklaringen van de twee
zusters van eiseres die beiden spreken over veelvuldige seksuele
handelingen zoals de imitatiecoitus waarvan eiseres zich er in ieder
geval een in concreto herinnert. Ook de andere vormen van seksuele
intimidatie en geweld zijn meermalen voorgevallen, zo blijkt ook uit de
verklaringen van de beide zusters. Ook getuige L spreekt over trauma’s
in vroege jeugd die zij reeel gebeurd acht. In 1988 is eiseres hulp
gaan zoeken bij het RIAGG en is zij voor haar klachten tot en met
december 1993 onder therapie geweest; zij heeft 50 hypno-sessies
ondergaan. Dat thans de diagnose meervoudige persoonlijkheidsstoornis
niet meer gesteld kan worden ziet de deskundige in het verband met deze
zeer intensieve therapie.

De door eiseres genoemde klachten worden door gedaagde niet bestreden,
en passen in het kader van een dissociatieve stoornis. Een dergelijke
stoornis -dissociatie als afweermechanisme tegen een jeugdtrauma-
veroorzaakt een scala van klachten en kan er ook toe leiden dat men
onder zijn niveau functioneert, zo stelt de deskundige. Ook dat is
feitelijk zichtbaar in het leven van eiseres. Ze is er immers in
geslaagd om na een niet-voltooide MAVO-opleiding, enige jaren LHNO en
een LTS-opleiding voor waar zij inmiddels is afgestudeerd als beeldend
kunstenares/edelsmid.

De rechtbank neemt de conclusies van het deskundigenbericht over en
maakt die tot onderdeel van haar eindbeslissing. Het deskundigenbericht
enerzijds en de vastgestelde en bewezen verklaarde handelwijze van
gedaagde ten opzichte van eiseres anderzijds -fysieke bedreiging in
haar ongewenste intimiteiten in haar vroege jeugdjaren, voortgezet in
seksuele intimidaties en ongewenste intimiteiten in de pubertijd- voeren
tot de slotsom dat de klachten die eiseres lijdt en geleden heeft het
rechtstreekse gevolg zijn van de inbreuk die gedaagde gepleegd heeft op
haar integriteit in haar vroege jeugdjaren en in haar ontwikkeling tot
volwassenheid. Weliswaar heeft het overlijden van haar vader toen zij
zelf negen jaar oud was haar getroffen, maar uit de rapportage blijkt
in geen enkel opzicht dat dit verdriet een zodanig trauma bij haar
heeft achtergelaten dat zij ten gevolge daarvan een dissociatieve
stoornis ontwikkelde. Hetzelfde geldt voor hetgeen haar broer Rinie met
haar gedaan heeft; daarvan zegt eiseres zelf dat dit handelen niet zo
bedreigend was als de handelwijze van gedaagde, aan wie zij niet
ontsnappen kon, behalve kennelijk door dissociatie als een vorm van
afweermechanisme.

2.4. Nu het causaal verband tussen de klachten en het psychisch lijden
van eiseres en de bejegening van gedaagde, steeds seksueel en incestueus
getint, vaststaat dient aan gedaagde de schade die eiseres hiervan
lijdt en geleden heeft te worden toegerekend. Eiseres vordert zowel
immateriële als materiële schadevergoeding.

Het behoeft geen betoog dat eiseres psychisch vanaf haar jeugd tot op
de dag van vandaag geleden heeft van het optreden van gedaagde. Ook in
de toekomst zal zij een evenwicht moeten blijven vinden tussen het
losmaken en verwerken van een deel van haar traumatische
jeugdervaringen en het leren leven met haar klachten, zo bevestigt het
deskundigenbericht. Een dergelijk psychisch leed is moeilijk in geld
uit te drukken of door geld te verzachten. De feiten en omstandigheden
afwegende zal een immateriële schadevergoeding van ƒ 17.500,- worden
toegekend. Eiseres lijdt voorts vermogensschade doordat zij vier jaar
achterstand in haar opleiding opliep. Zij had in 1987 een lagere
beroepsopleiding voltooid als edelsmid; zij was toen eenentwintig jaar.

Zij had zich vanaf dat moment inkomen door arbeid kunnen verwerven,
maar deze opleiding bleek onder haar niveau te zijn, een rechtstreeks
gevolg van de door gedaagde veroorzaakte jeugdtrauma’s en de
persoonlijkheidsstoornis die daar het gevolg van was met alle klachten
van dien. De opleiding aan de Rietveld-academie, vooraf gegaan door het
ene jaar aan de Hogere school voor de kunst is binnen de normale
termijnen daarvoor voltooid en thans voorziet eiseres kennelijk in haar
eigen levensonderhoud vanuit deze artistieke opleiding. Eiseres stelt
dat zij ƒ 18.345,60 netto had kunnen verdienen (het jaarsalaris van
een vormgever/edelsmid en dit is door gedaagde niet, althans niet
gemotiveerd bestreden. Zij berekent de achterstand in opleiding op vier
jaar en komt zo op een bedrag van ƒ 73.382,40 netto, waarop in
mindering dient te strekken de door haar genoten studie-financiering
van ƒ 971,20 per maand. Dit brengt deze materiële vermogensschade op
(afgerond) ƒ 26.765,- netto.

De rechtbank acht het geraden de schade ten gevolge van de achterstand
in opleiding te relateren aan het jaarinkomen van een
vormgever/edelsmid. Nu het gaat om een schadevergoeding in de vorm van
een som ineens – ter vergoeding van gemist inkomen uit arbeid in het
algemeen – is het nettoloon het uitgangspunt, omdat over een dergelijke
vergoeding geen inkomstenbelasting en sociale premies verschuldigd
zijn. De gemiste opbrengst van verkochte kunstwerken, door eiseres
geschat op ƒ 22.000,- over vier jaar, laat de rechtbank buiten
beschouwing. Dit zijn immers de vruchten van de opleiding aan de
Rietveld-academie, die in 1992 werd voltooid. Derhalve wordt alleen in
aanmerking genomen het gemiste inkomen uit arbeid na haar voltooide
lagere beroepsopleiding, om reden dat zij haar achterstand in opleiding
inhaalde aan de Rietveld-academie.

Ten aanzien van de overige materiële schade vorderde eiseres
veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet. Deze vordering zal worden afgewezen, nu
eiseres in geen enkel opzicht heeft aangeduid om welke schadeposten het
gaat.

3. De kosten

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden
verwezen in de kosten.

4. De beslissing De rechtbank veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk
bewijs van kwijting aan eiseres te betalen ƒ 44.265,- (zegge:
vierenveertigduizend tweehondervijfenzestig gulden);

verwijst gedaagde in de kosten en veroordeelt hem tot betaling van de
kosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op ƒ
6.849,08;

bepaalt, nu eiseres met een toevoeging procedeert, dat die
kostenbetaling dient te geschieden door voldoening: A. aan de griffier
van deze rechtbank, door middel van overschrijving op giro nr. 1101800
t.n.v. de gerechten in het Arrondissement Breda

– het in debet gestelde deel van het griffie-recht ƒ 1.050
– wegens exploitkosten (deurwaarder…) ƒ 85.08 ƒ 4.095
– wegens in debet gestelde kosten deskundigenbericht ƒ 1.254

met welke bedragen de griffier zal dienen te behandelen overeenkomstig
het bepaalde bij art. 57b Rv; B. aan eiseres

– het voor haar rekening gekomen deel van het griffierecht ƒ 150
– de door haar betaalde getuigentaxen ƒ 215;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het anders of
meer gevorderde.

Rechters

Mrs Van den Emster, De Ruijter, Van Andel