Instantie: Rechtbank Middelburg, 9 november 1994

Instantie

Rechtbank Middelburg

Samenvatting


Partijen zijn achttien jaar getrouwd geweest en hebben twee minderjarige
kinderen van elf en vijftien jaar oud. De man stelt dat de vrouw eigen
inkomen heeft. De vrouw heeft toekenningsbeschikking voorlopige
ABW-uitkering overgelegd. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de vrouw
behoefte heeft. Alimentatie wordt ƒ 450,=.

Volledige tekst

1. Het procesverloop

De vrouw heeft verzocht: a. echtscheiding; b. alimentatiebijdrage van ƒ
1.400,= per maand; c. boedelverdeling; d. haar te benoemen tot voogdes
over de minderjarige kinderen van partijen en de man tot toeziend voogd;
e. een kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand.

De man heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft geconcludeerd tot
toewijzing van de verzoeken sub a, c, en d. en tot afwijzing van het
verzochte sub b.

Bij conclusie van repliek heeft de vrouw het verzochte sub b. gewijzigd
in die zin dat zij thans verzoekt een alimentatiebijdrage vast te stellen
van ƒ 900,= per maand. Voor het overige heeft zij gepersisteerd.

De man heeft vervolgens gedupliceerd en daarbij volhard in zijn stelling
niet in staat te zijn om, naast de kinderbijdrage waartoe hij zich bereid
heeft verklaard deze te betalen, een bijdrage ten behoeve van de vrouw te
voldoen.

De minderjarige zoon P. heeft, alhoewel behoorlijk opgeroepen, geen
gebruik gemaakt van de van de gelegenheid om zijn mening omtrent de
gezagsvoorziening kenbaar te maken.

Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen.

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 27 september 1994.

2. De feiten

Partijen, Nederlanders, zijn op in algehele gemeenschap van goederen
gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgend thans nog minderjarige
kinderen geboren: – –

Het huwelijk van partijen is duurzaam ontwricht.

3. De beoordeling

De verzoeken sub a, c, d en e liggen bij gebreke van verweer voor
toewijzing gereed.

Partijen blijven van mening verschillen omtrent het verzoek van de vrouw
tot vaststelling van een alimentatiebijdrage.

In zijn verweerschrift heeft de man aangevoerd dat de vrouw een eigen
inkomen heeft en volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In
zijn conclusie van dupliek en ter terechtzitting heeft de man dit verweer
niet herhaald en evenmin onderbouwd. Aangenomen wordt derhalve dat de man
niet persisteert bij dit verweer. De vrouw heeft overigens een
toekenningsbeschikking op grond van de Algemene Bijstandswet overgelegd,
waaruit blijkt dat zij met ingang van 14 maart 1994 een voorlopige
ABW-uitkering toegekend heeft gekregen. Daaruit volgt dat zij behoefte
heeft aan alimentatie.

De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd. Hij stelt, naast de te
betalen kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand, slechts in staat
te zijn tot betaling van een bijdrage ten behoeve van de vrouw van ƒ 109,=
per maand.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en meent dat de man in staat moet
worden geacht de verzochte alimentatiebijdrage te voldoen.

De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van
de volgende gegevens. Zijn bruto-maandsalaris bedraagt ƒ 5.167,=,
exclusief vakantiegeld. Voorts houdt de rechtbank, naast de bijstandsnorm
voor een alleenstaande van ƒ 1.311,= per maand, rekening met de volgende
posten. – meerwoonkosten ƒ 615,= (huur ƒ 950,= minus ƒ 335,= norm) –
aflossing schulden ƒ 452,= – premie ziektekostenverzekering ƒ 60,=

De man heeft een post herinrichtingskosten opgevoerd van ƒ 100,= per
maand. Hij stelt deze kosten weliswaar nog niet gemaakt te hebben, maar
verwacht deze binnenkort te moeten maken. Hij heeft desgevraagd bevestigd
dat uit de verkoop van de echtelijke woning voor beide partijen in verband
met overwaarde een bedrag vrij zal komen.

De vrouw heeft de herinrichtingskosten van de man betwist. Zij is van
mening dat, nu nog onzeker is hoe de boedelverdeling zal verlopen en wat
de overwaarde van de echtelijke woning zal zijn, geen rekening gehouden
dient te worden met deze kosten, te meer daar de man ze nog niet
daadwerkelijk gemaakt heeft.

Verder stelt de vrouw zich op het standpunt dat de door de man opgevoerde
kosten in verband met de omgangsregeling slechts ƒ 80,= per maand, in
plaats van de door hem berekende ƒ 100,= belopen.

De rechtbank houdt, nu de kosten nog niet daadwerkelijk gemaakt zijn en
bovendien onvoldoende aannemelijk geworden is dat deze binnenkort gemaakt
dienen te worden, geen rekening met de door de man opgevoerde
herinrichtingskosten. Voorts houdt de rechtbank rekening met een bedrag
van ƒ 80,= in verband met kosten omgangsregeling.

In aanmerking nemend dat 60% van de draagkrachtruimte van de man bestemd
is voor alimentatie en er van uitgaand dat, nu de man alleenstaand is, hij
in tariefgroep 2 valt, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat
moet worden geacht, naast de kinderbijdrage van ƒ 250,= per kind per maand
een bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw te betalen
van ƒ 450,= per maand. De rechtbank zal dit bedrag dan ook vaststellen.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk.

Benoemt over, – geboren te . – geboren te de
moeder tot voogdes en de vader tot toeziend voogd.

Beveelt dat de minderjarigen, indien deze zich niet reeds bevinden in de
feitelijke macht van de met het gezag beklede ouder, aan deze zullen
worden afgegeven.

Bepaalt de door de niet met het gezag belaste ouder aan de met het gezag
belaste ouder telkens bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van vorengenoemde kinderen op ƒ 250,=
(tweehonderdenvijftig gulden) per kind per maand, vermeerderd met het
bedrag van iedere uitkering die deze ouder op grond van geldende wetten
of regelingen ten behoeve van deze kinderen kan of zal worden verleend.

En voor het geval deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand:

Veroordeelt de man om ten titel van haar levensonderhoud aan de vrouw te
betalen ƒ 450,= (vierhonderdvijftig gulden) per maand, maandelijks bij
vooruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van de dag waarop deze
beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand.

Sluit de wettelijke indexering van deze bijdragen uit voor het jaar 1995.

Beveelt de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn
gehuwd ten overstaan van een notaris.

Benoemt mr. P.J.E. Frantzen, te Goes, diens plaatsvervanger of opvolger,
tot notaris te wiens overstaan -indien partijen binnen een maand na
bovenbedoelde inschrijving omtrent de keuze van een notaris geen
overeenstemming mochten bereiken- de werkzaamheden van die verdeling
zullen plaats hebben. Benoemt tot onzijdig persoon ter vertegenwoordiging
van diegene die weigerachtig of nalatig mocht zijn tot die verdeling mede
te werken mr. J.B. de Meester, advocaat en procureur, kantoorhoudende te
Goes.

Compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Rechters

mr. P.H.J. Slot