Instantie: Arrondissementsrechtbank Zutphen, 11 februari 1994

Instantie

Arrondissementsrechtbank Zutphen

Samenvatting


Zes verdachten stonden in de Eper-incestzaak terecht. De vader, de moeder
en de ex-man van aangeefster Jolanda in de tweede Eper-zaak wegens
babymoorden, gewelddadige abortussen, gepleegd tijdens of na
zwangerschappen van Jolanda en haar zusje Evelien. De drie andere
verdachten, de broers RvZ en GvZ en de 56-jarige AH stonden terecht wegens
hun aandeel in de abortussen en het doen verdwijnen van de baby’s, en
wegens seksueel geweld tegen Jolanda. De twee broers staan tevens terecht
wegens seksueel misbruik van de toen zeer jonge kinderen van Jolanda en
Evelien. Al direct bij de aanvang van de zitting van de Rechtbank Zutphen
verklaarde de officier van justitie onvoldoende bewijs te hebben voor de
babymoorden. Voor de broers was het de eerste Eper-zaak. In juli staan zij
terecht in hun tweede Eper-zaak wegens seksueel misbruik van andere
kinderen, onder wie die van AH, die dan ook weer terechtstaat.

Volledige tekst


De bewezenverklaarde feiten leveren op de hierna te noemen misdrijven:
feit 3 subsidiair strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 304 van het
Wetboek van Strafrecht; feit 4 (nieuw) primair strafbaar gesteld bij
artikel 296 van het Wetboek van Strafrecht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden
opgelegd, heeft de rechtbank zich vooreerst laten leiden door: – de aard
van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan; – de
persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op: – een op naam van de verdachte staand uittreksel uit
het algemeen documentatieregister van de justitiele documentatiedienst te
Zwolle van 23 juni 1993; – een persoonsdossier, onder meer inhoudende een
voorlichtingsrapport van de Stichting Reclassering Zutphen, werkeenheid
Apeldoorn, van 19 juli 1993; – een psychiatrisch advies van de
districtspsychiater De Jong van 28 mei 1993 en een brief van de
districtspsychiater Dam van 7 juni 1993; – een over verdachte opgemaakt
rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht van 7 januari 1994,
opgesteld door psycholoog Geraets en de psychiater Van Renesse.

Met de beschouwingen en de daarop gebaseerde conclusie neergelegd in het
rapport van het Pieter Baan Centrum van 7 januari 1994 (te weten: ‘dat
onderzochte ten tijde van het plegen van de haar tenlastegelegde feiten
lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling harer
geestvermogens, dat deze feiten — indien bewezen — haar slechts in
verminderde mate kunnen worden toegerekend.’) kan de rechtbank zich
verenigen, mede gelet op de indruk die verdachte ter terechtzitting heeft
gemaakt op de rechtbank. Uit de beschouwingen van de onderzoekers komt
onder meer naar voren dat verdachte functioneert op laag-debiel niveau en
dat zij niet zelfstandig kan functioneren en afhankelijk is van steun en
structuur van derden. Tijdens het psychiatrisch onderzoek zijn
verschijnselen geconstateerd die duiden op een hysterische neurose,
hetgeen volgens rapporteurs moet worden gezien als een onbewuste afweer
van de huidige stress- situatie. Tot gedifferentieerde volwassen relaties
met respect voor de autonomie van de ander wordt verdachte niet in staat
geacht.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van hierna te melden
duur op zijn plaats is. Zij heeft daarbij in het bijzonder laten meewegen
de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Verdachte heeft op
walgelijke en meedogenloze wijze verscheidene keren in een relatief lange
periode de lichamelijke integriteit van haar dochter Jolanda geschonden.
Het behoeft in samenhang met de hierna te noemen veroordeling door deze
rechtbank geen betoog dat het bewezenverklaarde ook blijvende ernstige en
— letterlijk — onvoorstelbare psychische schade bij het slachtoffer
heeft veroorzaakt, mede gelet op de bevindingen van de psycholoog dr.
Eurelings-Bontekoe zoals verwoord in haar over Jolanda uitgebrachte
rapport van 22 november 1993.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht
is in rekening gebracht de bij vonnis van deze rechtbank van 30 januari
1991 terzake van medeplichtigheid aan feitelijke aanranding van de
eerbaarheid, het medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd, en het
medeplegen van verkrachting, opgelegde gevangenisstraf voor de duur van
drie jaar en zes maanden, nu verdachte wordt schuldig verklaard aan
strafbare feiten voor die datum gepleegd.

De opgelegde straf is op de hiervoor al vermelde artikelen gegrond op de
artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien al het hiervoor overwogene dient het verzoek tot opheffing van het
bevel tot voorlopige hechtenis en tot onmiddellijke invrijheidstelling van
verdachte te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar
vervolging ten aanzien van de dagvaarding onder parketnummer 06-7513/93
A.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder
1, 2, 3 primair en 5 (nieuw) tenlastegelegde feiten heeft begaan en
spreekt haar daarvan vrij.

Zij verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 3
subsidiair en 34 (nieuw) primair ten laste gelegde feiten zoals hierboven
omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte meer
of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en
spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

3 subsidiar medeplegen van zware mishandeling, begaan tegen haar kind;

4 (nieuw) primair medeplegen van een vrouw een behandeling geven, terwijl
zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan
worden afgebroken, terwijl het feit is begaan zonder toestemming van de
vrouw, meermalen gepleegd.

Zij verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Zij veroordeelt haar voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf
voor de tijd van drie jaar.

Zij beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging
van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is
doorgebracht bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf in
mindering wordt gebracht.

Zij wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige
hechtenis en het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling van
verdachte.

(…)

Rechters

Mrs. De Visser, De Bie en Wesseling-Lubberink