Instantie: Rechtbank Utrecht, 14 augustus 1991

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Partijen zijn gescheiden voor 27 november 1981, de datum dat de Hoge
Raad het Boon/van Loon-arrest wees en hebben de boedel verdeeld op grond van
de waarde op peildatum 1 februari 1978. De pensioenrechten bleven buiten
beschouwing. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw – verrekening per
4 januari 1979 zijnde datum echtscheiding – toe. Verrekening dient voorts
plaats te vinden op basis van de werkelijke leeftijd van partijen en niet op
basis van het gemiddelde leeftijdsverschil tussen echtparen in Nederland.

Volledige tekst

1. Verloop van het proces

Eiseres, hierna te noemen de vrouw, heeft bij met de dagvaarding
overeenstemmende conclusie van eis gevorderd:

bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht te
verklaren dat gedaagde vanaf zijn pensioendatum tot de datum van overlijden
van de eerststervende van partijen aan haar een uitkering moet doen van ƒ
16.435,- per jaar, zulks in maandelijkse termijnen van ƒ 1.369,58, een en
ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Gedaagde, hierna te noemen de man, heeft bij conclusie van antwoord verweer
gevoerd.

De vrouw heeft gerepliceerd waarna de man heeft gedupliceerd.

Hierna heeft de man nog een akte genomen, waarna de vrouw een antwoordakte
heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als niet, dan wel onvoldoende weersproken, mede
blijkend uit de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde
produkties, het volgende vast:

a. Partijen zijn op 4 november 1955 met elkaar gehuwd.

b. Op 29 oktober 1955 is ten overstaan van H.J.M. Swane, plaatsvervangend
notaris te Utrecht, de akte houdende huwelijkse voorwaarden verleden.

Artikel 1 daarvan houdt in:

“Er bestaat tussen de echtgenoten alleen gemeenschap van vruchten en
inkomsten, zodat tussen hen alleen gemeen zullen zijn de winsten, welke
gedurende de gemeenschap behaald worden, zoals die in de artikelen 210 en
volgende van de achtste titel van het eerste boek van het burgerlijke Wetboek
zijn omschreven.”

c. Op 29 november 1978 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welk
vonnis is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand op 4 januari
1979.

d. In juni 1981 zijn partijen overeengekomen dat prof. mr. A.L.M. Soons een
bindend advies zou uitbrengen over de boedelscheiding. Als peildatum voor de
taxatie van de diverse vermogensbestanddelen is afgesproken 1 februari 1978.

In die tijd is niet gesproken over een verrekening van de waarde van de
pensioenrechten. Ook bij het verschaffen van de gegevens aan mr. Soons in
1982 zijn de pensioenrechten niet ter sprake gekomen.

e. Begin 1983 heeft mr. Soons een concept voor een advies opgemaakt met het
verzoek aan partijen om dit conceptadvies te becommentarieren. Een aantal
vermogensbestanddelen zijn hierbij onbesproken gelaten.

f. Er heeft zowel voor die tijd als nadien een uitvoerige correspondentie
tussen partijen plaatsgevonden. Een en ander heeft niet geresulteerd in enige
betaling van een der partijen aan de ander ten titel van overbedeling bij
boedelscheiding.

g. De werkgever van de man, BV Centraal Op- en Overslagbedrijf “Utrecht”,
heeft aan de man een pensioen toegekend, te weten

-een ouderdomspensioen op het leven van de man en

-een weduwenpensioen, op het leven van de man en op dat van de vrouw.

Deze pensioenrechten zijn door de werkgever verzekerd bij AMEV
Levensverzekering N.V.

De pensioendatum van de man is 14 januari 1992.

h. Verder zijn er nog (geringe) pensioenrechten opgebouwd bij het Nedlloyd
Pensioenfonds. Deze aanspraken luiden:

ouderdomspensioen ƒ 1.404.- en weduwenpensioen ƒ 983,-.

i. De geboortedatum van de man is 4 januari 1927.

De geboortedatum van de vrouw is 11 november 1922.

3. De vordering van de vrouw

De vrouw stelt dat zij recht heeft op verrekening van de pensioenrechten,
zoals deze zijn opgebouwd tot 4 januari 1979, de datum van inschrijving van
het echtscheidingsvonnis. Er is -aldus de vrouw- sprake van twee premievrije
pensioenrechten.

Allereerst zijn er de pensioenrechten die de man bij zijn (huidige?)
werkgever heeft opgebouwd en die door zijn werkgever bij de Amev zijn
ondergebracht.

De vrouw stelt dat tot 4 januari 1979 aan ouderdomspensioen (nader O.P.) is
opgebouwd ƒ 29.900,71 en aan weduwenpensioen (nader W.P.) ƒ 14.903,64.

Daarnaast is er sprake van een weduwenpensioen bij Nedlloyd Pensioenfonds ad
ƒ 983,- (naar de rechtbank begrijpt: per jaar).

De waarde van deze pensioenrechten per 4 januari 1979 bedraagt

O.P. ƒ 164.404,-

W.P. ƒ 43.849,-

____________

totaal ƒ 208.253,-.

De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van dit bedrag te weten ƒ
104.126,-.

Zelf heeft zij aanspraak op een W.P, met een waarde van ƒ 43.849,-.

Verrekend dient derhalve te worden volgens de vrouw: ƒ 60.277,-.

De vrouw wenst deze verrekening plaats te laten vinden door de man vanaf zijn
pensioendatum tot aan de datum van de eerststervende een uitkering aan haar
te laten doen van ƒ 16.435,- per jaar.

Bovengenoemde gegevens heeft de vrouw gebaseerd op een aantal berekeningen
van Heijnis en Koelman B.V. actuarissen.

De vrouw stelt dat de door de man overgelegde berekeningen van de AMEV op
onjuiste uitgangspunten gebaseerd zijn.

4. Het standpunt van de man

De man is van oordeel dat scheiding en deling van de pensioenrechten dient
te geschieden naar de peildatum 1 februari 1978. Hiertoe voert hij aan dat
volgens de afspraak tussen partijen in 1981 alle vermogensbestanddelen, die
voor scheiding en deling in aanmerking kwamen, naar deze datum getaxeerd
zijn. Dat de pensioenrechten niet bij de aanvang van de echtscheiding bij de
scheiding en deling betrokken zijn geweest, vindt volgens de man zijn directe
oorzaak in het feit dat het pensioenarrest van de Hoge Raad in die tijd nog
niet gewezen was. Nu de vrouw niet uitdrukkelijk gestipuleerd heeft dat voor
de pensioenrechten een andere peildatum zou gelden, dienen ook de
pensioenrechten getaxeerd te worden naar deze peildatum.

Voorts stelt de man dat de berekeningen van de AMEV, zoals neergelegd in de
brief van 11 november 1986, de basis zijn voor de pensioenverrekening.

Het jaarlijks door de man uit te keren bedrag na zijn pensionering bedraagt
volgens de man derhalve ƒ 8.362,90 per jaar.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vast staat dat ten tijde van de in punt 2 sub d genoemde afspraak,
waarbij de peildatum van 1 februari 1978 werd overeengekomen, geen der
partijen heeft gedacht aan een eventuele verrekening van pensioenrechten.

Dit brengt met zich mee dat niet zonder meer aangenomen kan worden dat deze
afspraak ook voor de pensioenrechten dient te gelden.

De vermogensbestanddelen, die in de scheiding en deling betrokken waren, zijn
blijkens de overgelegde brieven van een geheel ander karakter dan de
pensioenrechten.

Immers, de meeste vermogensbestanddelen konden door gebruik in waarde
verminderen, dan wel door de verhouding tussen vraag en aanbod in waarde
varieren, dan wel door inflatie in prijs stijgen.

Pensioenrechten zijn daarentegen niet aan zulke invloeden onderhevig, terwijl
zij uit de aard der zaak iedere dag, dat de man in dienstbetrekking was, in
waarde toenamen.

Voorts werd ten behoeve van de vrouw tot de datum van de echtscheiding, 4
januari 1979, een zelfstandig recht op een weduwenpensioen opgebouwd.

Aan dit zelfstandige recht kan een (eventuele) overeenkomst tussen partijen
na die datum niets veranderen.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat niet aannemelijk is dat als partijen
in 1981 ook verrekening van pensioenrechten voor ogen had gestaan, de
peildatum van 1 februari 1978 ook voor de pensioenrechten zou hebben
gegolden.

De rechtbank gaat er derhalve van uit, dat tussen partijen geen afspraak is
gemaakt over de datum, waarop de pensioenrechten verrekend dienen te worden.

Onder deze omstandigheden is verrekening van pensioenrechten na de datum van
de inschrijving van het echtscheidingsvonnis, overeenkomstig het standpunt
van de vrouw, het meest voor de hand liggend.

5.2. Partijen verschillen voorts van mening over de wijze waarop de
berekening van de pensioenrechten dient te geschieden.

De vrouw heeft haar berekening uitvoerig toegelicht en voorts aangegeven op
welke punten de berekeningen, die door de man zijn overgelegd, waarschijnlijk
onjuist zijn. Met zekerheid valt hierover niets te zeggen, nu de grondslagen
van de berekeningen van AMEV niet geheel vermeld zijn.

De man is niet op deze kritiek ingegaan, doch heeft bij akte de visie van de
AMEV in het geding gebracht.

5.3. Bij antwoordakte stelt de vrouw dat een briefwisseling tussen Heynis en
Koelman B.V. en de AMEV heeft opgeleverd dat het aantal geschilpunten omtrent
de wijze van berekening is verminderd.

Immers, ook de AMEV gaat er in haar brief d.d. 7 januari 1991 vanuit dat de
uitkering aan de vrouw per 1 januari 1992 afhankelijk is van het leven van
zowel de man als de vrouw.

Nu de man zich in deze procedure ter staving van zijn standpunt altijd op de
opinie van de AMEV is teruggevallen en thans op deze akte niet meer
gereageerd heeft, gaat de rechtbank er van uit dat de man het met deze
conclusie van de vrouw eens is.

5.4. Thans resteren nog een tweetal geschilpunten tussen partijen, die de
rechtbank nog niet besproken heeft.

5.5. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, ter berekening van het
aandeel van de vrouw in de pensioenrechten, de contante waarde van het
weduwenpensioen en de contante waarde van het ouderdomspensioen vastgesteld
dient te worden op basis van de werkelijke leeftijd van partijen en niet,
zoals de AMEV kennelijk heeft gedaan, op basis van het gemiddelde
leeftijdsverschil tussen de man en vrouw in Nederland. De omstandigheid dat
de AMEV haar tarieven op die basis vaststelt en aan de werkgever van de man
in rekening brengt, raakt de tussen partijen te volgen berekenwijze niet.

5.6. Vast staat dat de AMEV bij haar berekeningen niet heeft betrokken het
pensioen dat bij Nedlloyd Pensioenfonds is verzekerd.

De man heeft de berekening ter zake door Heijnis en Koelman B.V. niet
gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat deze berekening
op dat punt juist is.

5.7. De man heeft overigens geen gefundeerde aanmerkingen gemaakt op de
berekening van de uitkering aan de vrouw door Heijnis en Koelman B.V.

Nu de vordering van de vrouw is gebaseerd op de berekening door Heijnis en
Koelman B.V., en niet gebleken is dat deze berekening op onjuiste wijze is
verricht, zal de rechtbank de vordering van de vrouw toewijzen.

5.8. Aangezien partijen ex-echtelieden zijn zal de rechtbank de kosten van
de procedure compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6. Beslissing

Verklaart voor recht dat de man vanaf zijn pensioendatum tot de datum van
overlijden van de eerststervende van de partijen aan de vrouw een uitkering
zal doen van ƒ 16.435,- (zestienduizend vierhonderd vijfendertig gulden) per
jaar, zulks in maandelijkse termijnen van ƒ 1.369,58 (eenduizend driehonderd
negenenzestig gulden en achtenvijftig cent).

De partijen dienen hun eigen proceskosten te betalen.

Noot

Ze bestaan. Mannen die bereid zijn hun pensioen te delen met hun
ex-echtgenote, terwijl ze ook zouden kunnen betwisten hiertoe verplicht te
zijn. Hulde dus voor deze mijnheer B. die erkende wat zeer veel mannen van
zijn generatie zouden moeten erkennen, namelijk dat man en vrouw bij een
langdurig huwelijk met traditionele taakverdeling het tijdens dat huwelijk
opgebouwde ouderdomspensioen behoren te delen in geval van scheiding.

Vervolgens ging de vrouw niet accoord met zijn stelling dat dan ook de bij
convenant afgesproken peildatum uit 1978 zou moeten gelden. Dat is een
begrijpelijk standpunt, omdat de opbouw van pensioenrechten nu eenmaal
doorloopt tot de datum van de totstandkoming van de echtscheiding. Terecht
knoopt de rechtbank de verdeling dan ook bij die datum aan.

Ook op het oordeel van de rechtbank dat bij de verdeling uitgegaan moet
worden van het werkelijke leeftijdsverschil tussen betrokkenen (vier jaar),
in plaats van (de in actuariele kringen zeer gebruikelijke methode om uit te
gaan van) het gemiddelde leeftijdsverschil tussen gehuwde mannen en vrouwen
in Nederland (drie jaar), valt niets af te dingen.

Hoe minder de verrekening tussen particulieren wordt gebaseerd op
statistische gemiddelden en kansberekeningen, hoe beter. Die methoden zijn
wel bruikbaar voor de reserveberekeningen van pensioenfondsen en
verzekeraars, maar niet geschikt om in private verhoudingen tot een
rechtvaardige verdeling te komen. Het is dan ook jammer dat de ook hier
gehanteerde standaard- verrekeningsmethode niet verder ter discussie is
gesteld, zeker nu de man in 1992 met pensioen ging en de vrouw dus nog beter
af was geweest met toekenning van een percentage van zijn pensioen (zie ook
de uitspraak van het Gerechtshof ’s Gravenhage d.d. 6 maart 1992, hiervoor
opgenomen en de bespreking van het Wetsvoorstel verevening pensioenrechten
bij scheiding elders in dit nummer). Maar juist omdat de man zo dicht bij
zijn pensioen zat, was het uiteraard niet in het belang van de vrouw om nog
eindeloos over de verrekeningsmethoden door te procederen.

De vrouw is nu een van de weinige vrouwen van haar generatie die in het
tijdens haar huwelijk opgebouwde pensioen meedeelt.

De grote meerderheid van deze generatie mannen en hun advocaten verschuilen
zich achter de zeer restrictieve interpretatie van rechtsoverweging 14 uit
het Boon/van Loon- arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503), waarin de Hoge
Raad overwoog dat ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid zullen echter in
verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in
deze gevallen een zodanige vordering – die de wederpartij niet meer behoefde
te verwachten – thans niet meer geldend gemaakt kan worden’. Deze
bewoordingen van de Hoge Raad zijn in de talloze publicaties die naar
aanleiding van het Boon/Van Loon-arrest verschenen ogenblikkelijk
geinterpreteerd als zouden alle echtscheidingen die voor 27 november 1981
plaatsvonden niet onder de werking van het arrest vallen. Toch staat dat er
niet (J. Dierx en M. Kraamwinkel, Pensioenverrekening en pensioenverevening
na echtscheiding, NJB 1991, p. 247-256).

De Rechtbank Den Bosch wees een vordering tot pensioenverrekening toe in een
echtscheidingsprocedure die wel al voor 27 november 1981 was ingezet, maar
waarbij het echtscheidingsvonnis pas na 27 november 1981 werd ingeschreven
in de registers van de Burgerlijke Stand (Rb. Den Bosch, 7 november 1983, NJ
1984, 365. De Rechtbank Assen wees ooit pensioenverrekening toe in een geval
waarin de echtscheiding was ingeschreven op 4 september 1981 en de
boedelscheiding notarieel werd verleden op 6 november 1981 (Rb. Assen 29 mei
1984, NJ 1984, 730).

De vraag is of bij een echtscheiding d.d. 29 oktober 1971 en een
boedelscheiding na 27 november 1981 (datum Boon/Van Loon arrest) een
vordering tot pensioenverrekening kan worden toegewezen. Deze vraag is nog
niet aan de Hoge Raad voorgelegd.

Het onderhavige oordeel voegt helaas weinig aan de overgangsjurisprudentie
toe, omdat de man nu eenmaal de vordering niet betwistte. Toch kan deze
uitspraak wel een rol spelen bij het beoordelen van de vraag of het redelijk
en billijk is dat de vrouw al dan niet meedeelt in het tijdens het huwelijk
opgebouwde pensioen.

Ook de wetgever heeft zich tot nu toe aan zijn taak onttrokken om voor
vrouwen die voor 1981 zijn gescheiden een regeling te treffen. In het kader
van het Wetsvoorstel verevening pensioenrechten bij scheiding is deze kwestie
door een aantal politieke partijen aangekaart, maar dit heeft nog steeds niet
geleid tot uitsluitsel voor deze grote groep vrouwen (zie de bespreking van
het wetsvoorstel elders in dit nummer).

Janny Dierx

Met dank aan dhr. mr. J.W.D. van Oldenborgh voor het toezenden van de
uitspraak.

Rechters

Mr Rothuizen-Van Dijk