Instantie: Raad van Beroep Rotterdam, 22 september 1989

Instantie

Raad van Beroep Rotterdam

Samenvatting


De Raad van Beroep is van mening dat het kostwinnersvereiste van de WWV
in strijd is met artikel 26 BuPo-verdrag. Pas op 23 december 1984 is het
tijdstip aangebroken waarop aan artikel 26 de rechtstreekse werking niet kan
worden ontzegd. Klaagster is op 1 april 1982 werkloos geworden en heeft tot
16 oktober 1982 een werkloosheidsuitkering genoten. Daarna had zij geen
recht op WWV in verband met het kostwinnersvereiste. De Raad oordeelt dat
het niet van belang is dat klaagster ep 23 december 1984 geen recht op
uitkering zou hebben gehad, indien de WWV nimmer een kostwinnersvereiste
gekend zou hebben. Dit houdt in dat iedere vrouw die in het verleden een
WWV-uitkering is misgelopen in verband met het kostwinnersvereiste daar vanaf
23 december 1984 alsnog recht op heeft

Volledige tekst

1. Dagtekening der beschikking

2. Aanduiding bestreden beslissing

De beslissing van verweerder d.d. 16 augustus 1988, reg.nr. B.27

3. Feiten, welke als vaststaande aangenomen worden

Klaagster, geboren op 13 april 1936, is tot 1 april 1982 als
administratief medewerkster bij Van der Meer B.V. te Utrecht in
dienstbetrekking werkzaam geweest. Aansluiten die haar tot 16 oktober 1982
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verleend

Klaagster kon per deze datum gezien het in het toenmalige artikel 13,
eerste lid, aanhef en sub 1 van de Wet Werkloosheidsvoorziening (hierna te
noemen: de WWV) opgenomen kostwinnersvereiste geen recht doen gelden op een
uitkering ingevolge die wet

Met name op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de
Richtlijn 79/7 van de EEG van 19 december 1978 en/of het bepaalde in artikel
26 en van het op 19 december 1966 te New York gesloten Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij Rijkswet van 24
november 1978, Stb. 624, en voor Nederland in werking getreden op 11 maart
1979 (hierna te noemen: IVBPR)heeft klaagster op 18 december 1986 verweerder
verzocht haar alsnog voor een uitkering ingevolge de WWV in aanmerking te
brengen

Naar aanleiding van klaagsters bezwaarschrift tegen de op dit verzoek
genomen beslissing d.d. 15 maart 1988, verzonden op 5 april 1988 van
verweerder heeft deze de thans bestreden beslissing genomen. Verweerder
neemt op grond van de inhoud van de circulaires van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.dis 5 mei 1988, nr. SVW/01718, 28 juni
1988, nr. SZ/SV/WW/SVW/88/03549 en 26 januari 1989, nr. SZ/SVW88/6119 – kort
weergegeven – het standpunt in dat gehuwde vrouwen, die voor 23 december 1984
werkloos werden en die zonder toepassing van het kostwinnersvereiste op die
datum nog recht zouden hebben gehad op een uitkering ingevolge de WWV,
aanspraak kunnen maken op zo’n uitkering gedurende de – resterende – periode,
waarover ze vanaf 23 december 1984 nog recht gehad zouden hebben indien de
kostwinnerseis nimmer had bestaan en zij onmiddellijk na het intreden van de
werkloosheid of na beeindiging van de WW-uitkering de WWV-uitkering hadden
aangevraagd. Gelet op dit standpunt van verweerder, heeft verweerder bij de
bestreden beslissing besloten dat klaagster in het geheel geen uitkering
ingevolge de WWV, ook niet op en na 23 december 1984 uitbetaald zal worden.
Ook al zou het kostwinnersvereiste nimmer van kracht zijn geweest, op 23
december 1984 geen recht op zulk een uitkering gehad zou hebben

Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep in doen stellen, zich
daarbij met name beroepend op voormelde bepalingen van internationaal recht.
Klaagster is van oordeel dat haar gedurende de maximale termijn uitkering
krachtens de WWV toekomt

De door verweerder overgelegde stukken zijn op 17 november 1988 in
afschrift aan klaagsters gemachtigde toegezonden

4. Motivering

De Voorzitter zal zich beperken tot de punten, welke blijkens de
bestreden beslissing respectievelijk het klaagschrift, tussen partijen in
geschil zijn

Tussen partijen is niet in geschil dat klaagster op grond van het in
artikel 4, eerste lid van de richtlijn 79/7 EEG (PB 1979, L6, blz. 24) –
hierna de richtlijn – neergelegde discriminatie-verbod in ieder geval vanaf
23 december 1984 recht heeft op uitkering ingevolge de WWV

De Voorzitter onderschrift dit standpunt gelet op de verklaring voor
recht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna het
Hof) in zijn arrest van 8 maart 1988 inzake A.D. C.S., zaak 80/87

Uit die verklaring blijkt dat een overgangsbepaling in een nationale
uitvoeringsmaatregel, op grond waarvan een kostwinnersvereiste ook na 23
december 1984 blijft gelden voor de gehuwde vrouw die voor die datum werkloos
is geworden, strijdig is met de richtlijn

Bijgevolg dient artikel II van de wet van 24 april 1985, Stb. 230, dat
het kostwinnersvereiste van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1 (oud),
van de WWV handhaaft, wegens strijd met genoemde richtlijn ten aanzien van
klaagster buiten toepassing te blijven

Partijen houdt thans nog een tweetal vragen verdeeld

Ten eerste de vraag, of klaagster reeds ingaande 16 oktober 1982 recht
kon doen gelden op gelden op uitkering ingevolge de WWV en wel op grond van
het IVBPR

Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 10 mei 1989, nr.
WWV 1988/63 – naar de inhoud waarvan de Voorzitter verwijst – heeft
overwogen, strijdt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1 (oud) van de WWV
met artikel 26 van het IVBPR, maar is naar het oordeel van de Centrale Raad
van Beroep eerst op 23 december 1984 het tijdstip aangebroken waarop aan
laatstgenoemd artikel in de sfeer van de sociale zekerheidswetgeving
rechtstreekse werking niet langer kan worden ontzegd. De Voorzitter zal, met
name ter beeindiging van verdere rechtsstrijd, dit oordeel onderschrijven

Deze eerste vraag beantwoordt de Voorzitter derhalve in ontkennende zin

In de tweede plaats verschillen partijen van mening over de vraag of
klaagster per 23 december 1984 in beginsel aanspraak kan maken op uitkering
ingevolge de WWV gedurende de voor haar geldende maximum-periode ingevolge
artikel 19 van die wet. Voor de beantwoording van deze vraag geldt, mede
gelet op het bepaalde in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, als
uitgangspunt de rechtspositie welke de gehuwde vrouw, die zich in de hier
bedoelde situatie bevindt, rechtstreeks ontleent aan de richtlijn, zoals
uitgelegd door de te dezen bevoegde rechterlijke instantie

Blijkens overwegingen van het Hof van Justitie in zijn eerdervermeld
arrest van 8 maart 1988 hebben vrouwen vanaf 23 december 1984 recht op
dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in
een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, de WWV – zoals deze
luidde zonder de vervallen kostwinnersbepaling – het referentiekader blijft
zolang aan de richtlijn geen juiste uitvoering is gegeven

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak d.d. 10 mei 1989,
WWV 1987/50 als volgt overwogen:

“In verband met het bepaalde in artikel 13 van de WWV kan het recht op
uitkering ontstaan op een tijdstip gelegen geruime tijd na het intreden van
de werkloosheid en ook na het bereiken van de maximum-duur van de
werkloosheidswet

De in de WWV neergelegde regeling brengt voorts mee dat een aanvraag om
uitkering tot enig later, de betrokkene meer convenierend, tijdstip kan
worden uitgesteld, hetgeen met het oog op het bepaalde in de artikelen 9,
eerste lid, aanhef en onder b, en 19, eerste lid, van de wet geenszins meer
ongebruikelijk is

Dat ingevolge de in de WWV neergelegde regeling de werkloze niet
verplicht is de uitkering binnen een bepaalde termijn na het intreden van de
werkloosheid aan te vragen is overigens een aspect dat in het kader van de
behandeling van bovenvermelde zaak 80/87 nadrukkelijk onder de aandacht van
het Hof is gebracht

In dit verband is van bijzondere betekenis dat het Hof in
rechtsoverweging 10, tweede volzin, van het in die zaak gewezen arrest de
gehuwde vrouw vergelijkt met een man die voor 23 december 1984 zijn
betrekking alsmede zijn recht op een WW-uitkering heeft verloren en voor 23
december 1984 niet in het genot was van een WWV-uitkering maar daar na die
datum wel voor in aanmerking kwam

Een vrouw die zich in een zelfde situatie als die man bevindt heeft
volgens het Hof ingaande 23 december 1984 op dezelfde voet als die man recht
op een WWV-uitkering

Uit de vorenuiteengezette samenhang tussen de richtlijn 79/7 EEG en de
uit het systeem van de WWV voortvloeiende figuur waarbij de uitkeringsperiode
in de tijd opschuift, volgt dat in deze de vergelijking dient te worden
gemaakt met de man die eerst ingaande of na 23 december 1984 voor uitkering
ingevolge WWV in aanmerking wordt gebracht, hetzij omdat hij daarop niet
eerder recht kon doen gelden hetzij omdat hij eerst op of na die datum een
aanvraag om uitkering heeft gedaan .”

De Voorzitter onderschrijft de bovenweergegeven overwegingen

Klaagster die op 18 december 1986 een aanvraag om uitkering heeft
ingediend, kon zoals uit het vorenoverwogene blijkt eerst ingaande 23
december 1984 recht doen gelden op uitkering krachtens de WWV, aangezien
vanaf die datum het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder 1, van
die wet dat aan het ontstaan van dat recht in de weg stond, buiten toepassing
moet blijven, c.q. bij wet van 24 april 1985, Stb. 230, is komen te vervallen

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WWV, voor zover
in dit geval van belang, eindigt een ingevolge artikel 9 geldend recht op
uitkering voor een werknemer als klaagster, die is geboren op 13 april 1936,
2 jaren na de ingangsdatum van de uitkering. Deze termijn is dus niet
gerelateerd aan het tijdstip van het uitkering. Niet van belang is derhalve
dat klaagster, indien de WWV nimmer een kostwinnersvereiste gekend zou hebben
, op 23 december 1984 geen recht meer op uitkering ingevolge de WWV gehad zou
hebben. De Voorzitter merkt hierbij op, dat deze overwegingen corresponderen
met die van de Raad van Beroep in diens uitspraak d.d. 19 mei 1989 in de zaak
WWV 1988/48

De Voorzitter is dan ook in tegenstelling tot verweerder van oordeel dat
klaagster ingaande 23 december 1984 gedurende de voor haar geldende maximale
termijn recht kon doen gelden op uitkering ingevolge de WWV, indien en
voorzover de bepalingen van de WWV respectievelijk eventuele al door
verweerder genomen gedeeltelijke toekenningsbeslissingen zich daar overigens
niet tegen verzetten

Gelet op het vorenoverwogene, dient als volgt te worden beslist

De Voorzitter van de Raad van Beroep te Rotterdam,

gelet op artikel 128, lid 1 van het Beroepswet,

BESCHIKKENDE:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt verweerder beslissing d.d. 15 maart 1988, verzonden op 5
april 1988

alsmede de bestreden beslissing,

bepaalt dat verweerder een nadere beslissing dient te nemen met
inachtneming van het in deze Beschikking gestelde,

beveelt dat aan klaagster het door haar gestorte griffierecht ad ƒ 25
wordt vergoed door verweerder

Rechters

Mr. P. van Zwieten als voorzitter, in tegenwoordigheid van E.F.C.Francken als griffier