Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 mei 1992

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Penitentiair inrichtingswerkster solliciteert intern naar de functie van
Hoofd begeleiding. Zij wordt afgewezen. Volgens haar speelde bij deze
afwijzing een rol het feit dat zij eerder aankaartte dat zij seksueel
geintimideerd was door een mannelijke collega. Commissie overweegt dat het
feit dat verzoekster niet is uitgenodigd voor een gesprek niet onontkoombaar
betekent dat haar sollicitatie niet serieus is genomen. Voor zover de
Commissie kon nagaan is verzoeksters sollicitatie behandeld als de andere
sollicitaties. Vast is komen te staan dat verzoekster niet voldeed aan de
gestelde eisen op de punten opleiding en ervaring. Commissie heeft niet kunnen
constateren dat de wederpartij bij de beoordeling van de geschiktheid van
verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Sollicitatieprocedure
overigens naar het oordeel van de Commissie niet in alle opzichten zorgvuldig
verlopen.

Volledige tekst

1.HET VERZOEK

Op 25 februari 1991 verzocht mevrouw te Vught (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Justitie te Den Haag
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

Verzoekster heeft eind 1990 gesolliciteerd naar de functie van Hoofd
Begeleiding in een Huis van Bewaring. Zij is voor deze functie afgewezen.
Volgens verzoekster heeft de wederpartij daarbij gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling. Tevens stelt verzoekster in juni 1988 seksueel
geintimideerd te zijn door een collega. Zij heeft de Commissie verzocht
hiernaar een onderzoek in te stellen, mede omdat haar afwijzing voor de
functie hier mogelijk verband mee houdt. Ook op dit punt heeft de wederpartij
volgens verzoekster gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

DE LOOP VAN DE PROCEDURE

De Commissie heeft het verzoek op het eerste punt in behandeling genomen
en een onderzoek ingesteld. Verzoekster verzocht de Commissie aanvankelijk op
dit punt een spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek heeft zij later in een
aanvullend schrijven ingetrokken, omdat zij had vernomen dat de vacante
functie reeds was ingevuld.

Het tweede deel van het verzoek -betreffende de seksuele intimidatie- is
door de voorzitter van de Commissie op grond van artikel 13 lid 2 van het
Procedurereglement niet als zelfstandige klacht ontvankelijk geacht. Voor
zover deze klacht echter verband houdt met de afwijzing voor de vacante
functie, heeft de voorzitter deze wel ontvankelijk geacht. Verzoekster is van
deze beslissing bij brief van

19 maart 1991 van de secretaris in kennis gesteld.

Partijen hebben ieder enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

Op 26 november en 12 december 1991 en 7 januari 1992 heeft de Commissie
een onderzoek ter plaatse ingesteld waarvan verslagen zijn opgemaakt. Deze
verslagen zijn aan partijen toegezonden.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op

2 april 1992.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster)

– mw mr J.M. Harkema-Dun (advocate)

van de kant van de wederpartij

– dhr (directeur)

– mw (Hoofd Begeleiding/plaatsvervangend directeur)

van de kant van de Commissie

– dhr prof mr P.F. van der Heijden (Kamervoorzitter)

– mw prof mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer)

– mw drs A.J. Huber (lid Kamer)

– mw drs C.M. Sjerps (secretaris).

Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.4.

DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Verzoekster was ten tijde van de gebeurtenissen waarop haar verzoek
betrekking heeft, werkzaam als penitentiair inrichtingswerkster (P.I.W.-ster)
in een penitentiaire inrichting die ressorteert onder de wederpartij. Zij werd
toen beloond volgens schaal 5 BBRA’84. Tevens was zij studerende voor de
opleiding H.B.O. Maatschappelijk Werk (specialisatie sociaal management).

Midden oktober 1990 heeft verzoekster een gesprek gehad met de
plaatsvervangend directeur over haar functie in het kader van een
reorganisatie binnen de inrichting. De van dit gesprek opgemaakte notitie (die
binnen de instelling geen formele status heeft) vermeldt onder meer het
volgende: verzoekster heeft evenveel rechten op een hogere functie
(bijvoorbeeld teamleider) als ieder ander binnen de organisatie. Bij een
sollicitatie naar een hogere functie wordt vooral gekeken naar leidinggevende
kwaliteiten, persoonlijkheid, geschiktheid en opleiding.

Eind oktober 1990 heeft verzoekster intern gesolliciteerd naar de
functie Hoofd Begeleiding. De vacature was ongeveer tegelijkertijd extern
opengesteld, omdat van de interne werving weinig respons werd verwacht.

De taakomschrijving luidde: het verantwoordelijk zijn voor de
operationalisering en realisering van de inrichtingsdoelstellingen en voor de
kwaliteit van de detentie. Als functie-eisen werden genoemd:

– academische opleiding, danwel HBO in een der gedragswetenschappen,
aangevuld met VO;

– aantoonbare leidinggevende capaciteiten;

– het kunnen vertalen van beleidsvoornemens naar het coordinerend
niveau;

– communicatieve vaardigheden;

– kennis van leerprocessen;

– zicht hebben op effecten van eigen gedragervaringen met
werkbegeleiding;

– ervaring met veranderingsprocessen;

– strategisch kunnen handelen;

– beleidsmatig kunnen denken en gestructureerd kunnen delegeren en
coordineren;

– kennis van en/of ruime ervaring in het penitentiaire werkveld strekt
tot aanbeveling.

De functie wordt beloond volgens schaal 10 BBRA’84 (aanloopschaal 9).

Op de onderhavige wervings- en selectieprocedure waren de ‘Richtlijnen
werving en selectie voor het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en
Delinquentenzorg’ van het Ministerie van Justitie (hierna: de Richtlijnen) van
toepassing. Deze schrijven onder meer voor dat bij gelijke geschiktheid van
kandidaten de voorkeur moet uitgaan naar een vrouw. De toepasselijke zinsnede
ontbrak echter

-volgens de wederpartij per abuis- in de advertenties. In de kop van het
interne vacatureblad wordt overigens, zo stelt de wederpartij, wel steeds
melding gemaakt van het voorkeursbeleid. In de onderhavige selectieprocedure
is volgens de plaatsvervangend directeur bij enkele vrouwen onderzocht of het
feit dat zij niet aan de functie-eisen voldeden, kon worden gecompenseerd met
andere kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld het verricht hebben van
vrijwilligerswerk. Dat bleek niet het geval.

Volgens de wederpartij is de selectieprocedure als volgt verlopen.

Conform de Richtlijnen is aan de hand van een zogenaamde scoringslijst
de eerste (brieven)selectie uitgevoerd door de Selectie-Adviescommissie
(hierna: SAC). Deze commissie bestond uit de directeur van de inrichting, de
plaatsvervangend directeur, de Hoofden Begeleiding en Beheer en het
afdelingshoofd/waarnemend Hoofd Begeleiding. Van de 48 sollicitanten (zes
vrouwen en 42 mannen) waren er zeven (allen mannen) die voldeden aan de
opleidingseis en daarbij zowel leidinggevende als managementervaring binnen
een justitiele omgeving hadden opgedaan. Zij zijn uitgenodigd voor een eerste
gesprek. Daarin kwamen aan de orde de functie-eisen, de presentatie van een
kandidaat en zijn stijl van leidinggeven. De vier overgebleven kandidaten
hebben vervolgens een gesprek gevoerd met de Benoemingsadviescommissie
(hierna: BAC). De voorkeur van de SAC en de BAC bleek daarna niet naar
dezelfde kandidaat uit te gaan. Daarom is met deze beide kandidaten nog een
derde gesprek gevoerd. Een van hen is uiteindelijk aangenomen. Zijn stijl van
leidinggeven en wijze van optreden sloten volgens de wederpartij het beste aan
bij de behoeften van de inrichting.

De afgewezen kandidaten hebben een standaardbrief ontvangen die vermeldt
dat zij in mindere mate dan anderen voldeden aan de gestelde functie-eisen.
Desgewenst ontvingen zij een gemotiveerde toelichting.

De SAC heeft ook de sollicitatiebrief van verzoekster beoordeeld. De
drie tijdens een onderzoek ter plaatse door de Commissie gehoorde leden van de
SAC (directeur, plaatsvervangend directeur en Hoofd Begeleiding) stelden dat
de SAC unaniem tot de conclusie kwam, dat verzoekster niet voldeed aan de
functie-eisen. Verzoekster voldeed nog niet aan de opleidingseis en ook had
zij niet de gewenste leidinggevende ervaring.

Besloten werd om verzoekster, omdat zij een interne kandidaat was, geen
standaardbrief te sturen, maar haar afwijzing in een persoonlijk gesprek door
de plaatsvervangend directeur te laten toelichten. Dit gesprek vond eind
november 1990 plaats.

Volgens verzoekster heeft het feit dat zij in 1988 seksueel geintimideerd
is door een mannelijk collega (hierna: collega A) een rol gespeeld bij haar
afwijzing. Over de vermeende seksuele intimidatie is uit het onderzoek van de
Commissie het volgende gebleken.

Midden 1988 heeft verzoekster de directie van de inrichting (hierna: de
directie) op de hoogte gesteld van de seksuele intimidatie. In een van de
gesprekken tussen verzoekster en de directie over het voorgevallene,
confronteerde de directie verzoekster en collega A met elkaar. De directie
deed dit omdat partijen een verschillende weergave van de gebeurtenissen
gaven. Dit veranderde overigens na de confrontatie niet. Dit was vervolgens
voor de wederpartij reden om, na een laatste gesprek met verzoekster en haar
advocate over de zaak, het incident als afgedaan te beschouwen.

Korte tijd na het gebeurde heeft verzoekster zich ziek gemeld. Zij heeft
zich onder behandeling gesteld van een psychotherapeute. Begin 1989 heeft
verzoekster haar werkzaamheden in de inrichting hervat. Volgens de wederpartij
functioneerde zij hierna weer naar tevredenheid.

Eind 1990, na afloop van de onderhavige selectieprocedure, verscheen in
een plaatselijk weekblad een artikel over de inrichting. Daarin werd melding
gemaakt van de seksuele intimidatie. Verzoekster zegt niet te hebben geweten
dat haar echtgenoot betrokken was bij de totstandkoming van dit artikel. Een
eerder verschenen, anoniem, artikel over de inrichting bleek voor haar
echtgenoot aanleiding te zijn geweest hieraan mee te werken.

Mede naar aanleiding van bovengenoemde affaire is verzoekster
overgeplaatst naar een andere inrichting.

Tijdens het onderzoek ter plaatse heeft de Commissie ook gesproken met
de vertrouwensvrouw van het Ministerie van Justitie. Zowel verzoekster als de
wederpartij hebben met haar contact gehad over het gebeurde. De
vertrouwensvrouw gaf tijdens het onderzoek ter plaatse aan, dat het Ministerie
het voorkomen van seksuele intimidatie in de eerste plaats een
verantwoordelijkheid van de directe leiding acht. Daarom is in de onderhavige
zaak ook geen extern onderzoek ingesteld, noch is van haar kant hierop
aangedrongen.

Een confrontatie van slachtoffer en dader ingeval van seksuele
intimidatie, zoals in casu plaats vond, acht de vertrouwensvrouw niet gewenst.
Het kan een traumatische ervaring opleveren voor de betrokken vrouw, omdat
ontkend wordt wat zij, in dit geval verzoekster, heeft meegemaakt.

Tegenover de wederpartij heeft de vertrouwensvrouw later haar verbazing
geuit over het feit, dat verzoekster de onderhavige procedure aanhangig had
gemaakt en over het feit dat de
seksuele intimidatie bij verzoekster nog steeds
een rol speelt. Zij had dat niet zo ingeschat.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt dat de affaire rond de seksuele intimidatie een rol
heeft gespeeld bij haar afwijzing. In die kwestie is zij naar haar gevoel
nooit serieus genomen. Dit blijkt naar haar mening uit het volgende.

Verzoekster heeft weinig gemerkt van een onderzoek door de directie. Wel
is zij zonder dat zij daarover was geinformeerd tijdens een gesprek met de
directie geconfronteerd met collega A. Toen dit geen eensluidende versies van
het gebeurde opleverde, heeft de directie het onderzoek stopgezet. Dit is
volgens verzoekster niet de goede manier om met seksuele intimidatie om te
gaan: er had een extern onderzoek moeten plaatsvinden. De Minister van
Justitie heeft dit volgens verzoekster ook dringend aanbevolen. Overigens
heeft verzoekster geen stukken aangedragen waaruit deze aanbeveling zou
blijken.

Verder heeft de wederpartij geen sancties getroffen tegenover collega A.
Verzoekster had na het gebeurde in haar dagelijkse werk ook nog regelmatig met
deze collega te maken.

Tenslotte heeft verzoekster bij de directie melding gemaakt van het feit
dat zij werd bedreigd: een medewerker van het magazijn vertelde haar dat zij
in elkaar zou worden geslagen. De directie deed deze melding echter af alsof
zij zou liegen.

Volgens verzoekster neemt de directie het haar kwalijk dat zij destijds
de seksuele intimidatie heeft aangekaart. Daardoor is zij niet eens in
aanmerking is gekomen voor een sollicitatiegesprek. Een objectieve toetsing
van haar kandidatuur, waar zij als enige interne sollicitant toch recht op
had, heeft niet plaats gevonden. Verzoekster wijst er in dit verband nog op
dat vier van de vijf leden van de SAC op de hoogte waren van de seksuele
intimidatie.

Dat verzoekster niet in aanmerking kwam voor een sollicitatiegesprek
bevreemdt haar des te meer, omdat zij zich geschikt acht voor de functie van
Hoofd Begeleiding. Uit functioneringsgesprekken bleek namelijk dat zij goed
functioneerde en bovendien had de plaatsvervangend directeur in het gesprek op
19 oktober 1990 aangegeven dat zij een hogere functie aan zou kunnen. Tevens
gaf deze toen aan dat bij een sollicitatie niet alleen naar de opleiding, maar
ook naar de opgedane ervaring en de persoon wordt gekeken. Verzoekster had
haar H.B.O.-opleiding, waarin diverse aspecten van management aan bod kwamen,
bijna afgerond toen zij solliciteerde. Daarbij beschikte zij over
leidinggevende ervaring. Ter zitting gaf zij aan deze in het verleden te
hebben opgedaan door regelmatig het Hoofd Arbeid te vervangen, wanneer deze
niet aanwezig was en er ook geen teamleider aanwezig was om hem te vervangen.
Zij handelde dan de telefoontjes voor het Hoofd Arbeid af, schreef bonnen uit
en zocht materiaal uit voor de afdeling Arbeid. Eenmaal heeft verzoekster in
zijn plaats een bijeenkomst bezocht. Ook heeft zij collega’s ingewerkt en
taken van collega’s overgenomen. Verzoekster ging er daarom van uit een kans
te maken.

Concluderend stelt verzoekster dat sprake is geweest van een
onzorgvuldige afhandeling van haar sollicitatie. Zo zijn de Richtlijnen niet
correct toegepast en heeft de wederpartij geen goede redenen gegeven voor haar
afwijzing. Er is geen rekening gehouden met haar werk- en denkniveau.

Het gesprek met de plaatsvervangend directeur over haar afwijzing duurde
overigens slechts tien minuten. Bovendien vernam verzoekster pas bij
binnenkomst dat het gesprek over haar sollicitatie zou gaan. De
plaatsvervangend directeur gaf in dit gesprek alleen aan dat verzoekster was
afgewezen in verband met haar opleiding. Daarnaast gaf hij aan dat er veel
kandidaten waren. In dit kader moet verzoeksters opmerking worden geplaatst
dat zij een afwijzing wel verwachtte. De door verzoekster gevraagde
ü

riftelijke bevestiging van dit gesprek heeft zij nimmer ontvangen.

Verzoekster wist niet of de wederpartij ten aanzien van de onderhavige
vacature een voorkeursbeleid voor vrouwen voerde. Wel was zij ervan op de
hoogte dat de wederpartij in het algemeen een voorkeursbeleid voert.
Verzoekster was verbaasd over het feit dat kennelijk geen der vrouwelijke
sollicitanten voldeed aan de functie-eisen.

De wederpartij stelt het volgende.

De affaire rond de seksuele intimidatie heeft geen rol gespeeld bij de
afwijzing van verzoekster. Het feit dat een aantal leden van de SAC betrokken
was bij de afhandeling van de klacht over seksuele intimidatie doet hier niet
aan af. De wederpartij kon niet voorzien dat verzoekster zou solliciteren.
Overigens zou een andere samenstelling ook niet mogelijk zijn geweest. Het
betrof immers de selectie voor een zware managementfunctie waarbij het
managementteam betrokken dient te zijn.

Verder bestrijdt de wederpartij dat zij de seksuele intimidatie niet
serieus zou hebben genomen. De zaak is onderzocht, maar omdat de lezingen van
betrokkenen bleven verschillen, ook toen de vertrouwensvrouw was ingeschakeld,
is het onderzoek afgesloten. Met name bleef onduidelijk het tijdstip waarop
een en ander zou zijn gebeurd. Verzoekster noemde namelijk een tijdstip waarop
collega A niet aanwezig was in de inrichting. Omdat er geen gedragingen zijn
geconstateerd in strijd met het Algemeen Rijksambtenarenreglement konden er
geen sancties worden getroffen tegenover collega A. Wel heeft de wederpartij
zoveel mogelijk getracht te voorkomen dat verzoekster en deze collega elkaar
tijdens het werk zouden treffen. Alleen tijdens het werkoverleg en in de
kantine bleek dit niet realiseerbaar. Midden 1989 heeft collega A overigens
een andere functie gekregen. De wederpartij heeft niet kunnen vaststellen of
verzoekster daadwerkelijk is bedreigd.

Voor wat betreft het instellen van een extern onderzoek is de directeur
van mening, dat dit niet aan de orde was nu hij tot overeenstemming kon komen
met verzoekster over het verder laten rusten van de zaak. Bovendien, zo stelt
hij, moet de seksuele intimidatie eerst zijn vastgesteld voordat een dergelijk
onderzoek kan worden ingesteld.

De wederpartij zegt verbaasd te zijn dat de affaire rond de seksuele
intimidatie na twee jaar weer de kop op steekt. Volgens haar was ook de
vertrouwensvrouw hierover verbaasd.

In de onderhavige selectieprocedure is de wederpartij uitgegaan van de
functie-eisen. Verzoekster is afgewezen omdat zij niet aan deze eisen voldeed.
De wederpartij wees hier met name op de punten opleiding en leidinggevende
ervaring. Verzoekster had haar H.B.O.-opleiding nog niet afgerond, noch had
zij de gevraagde vervolgopleiding gevolgd. Daarbij bezat verzoekster geen
leidinggevende ervaring, die de wederpartij juist van belang achtte, omdat de
inrichting bezig was met een verandering binnen de organisatie. De wederpartij
bestrijdt ook dat verzoekster het Hoofd Arbeid verving. Daarvoor zijn twee
andere medewerkers aangewezen. Mocht verzoekster overigens wel de
werkzaamheden hebben verricht zoals zij die ter zitting aangaf, dan nog
betreft het niet die ervaring die de wederpartij eiste voor de vervulling van
de functie van Hoofd Begeleiding. In deze functie dient immers
verantwoordelijkheid te worden gedragen voor bijvoorbeeld de budgettering en
het personeelsbeleid. Vergaderingen moeten worden voorgezeten en
functioneringsgesprekken gevoerd. Overigens gaf de wederpartij aan er niet van
uit te gaan dat verzoekster deze werkzaamheden nimmer zal kunnen uitoefenen;
op dat moment echter achtte zij verzoekster niet geschikt.

Volgens de wederpartij zijn in het afwijzingsgesprek met verzoekster de
argumenten genoemd op basis waarvan verzoekster was afgewezen. Verzoekster gaf
niet blijk van een echte teleurstelling. Zij zei niets anders verwacht te
hebben en dat als je nooit iets probeert je ook niets bereikt. Om een
schriftelijke bevestiging heeft zij niet gevraagd. Had zij dat wel gedaan, dan
zou de wederpartij deze natuurlijk hebben gegeven. Ter zitting benadrukte de
wederpartij nogmaals dat in het geval van verzoekster voor een persoonlijk
gesprek was gekozen, juist omdat zij een interne kandidaat was.

De wederpartij stelt verder dat in het gesprek op

19 oktober 1990 (van verzoekster met de plaatsvervangend directeur) niet
is gesproken over verzoeksters geschiktheid voor een leidinggevende functie.
Voor zover zou zijn gesproken over een hogere functie voor verzoekster,
betreft dit de functie van teamleider. Deze staat tussen die van P.I.W.-er en
Hoofd Begeleiding in.

DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van de openstaande betrekking jegens verzoekster onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de WGB, door haar af te wijzen
voor de functie van Hoofd Begeleiding.

De Commissie zal deze vraag toetsen aan artikel 3 WGB. Op grond van lid
1 van dit artikel is het verboden onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen bij onder meer de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking. Deze norm geldt niet alleen bij externe maar ook bij een interne
wervings- en selectieprocedure.

Verzoekster stelt in de eerste plaats dat bij haar afwijzing voor de
onderhavige functie een rol heeft gespeeld het feit, dat zij destijds de
vermeende seksuele intimidatie heeft aangekaart. Als gevolg daarvan zou haar
kandidatuur nu niet op objectieve wijze zijn getoetst. Zij is niet eens
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.

De Commissie overweegt hierover dat het feit, dat verzoekster niet is
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek niet onontkoombaar betekent dat haar
sollicitatie niet serieus is genomen. Voor zover de Commissie heeft kunnen
nagaan, heeft de SAC haar sollicitatie behandeld als de andere sollicitaties:
de brief van verzoekster is evenals de andere brieven besproken door de SAC.
Deze kwam echter, aldus de drie ondervraagde leden, unaniem tot de conclusie
dat verzoekster niet geschikt was voor de functie.

Dit punt, de beoordeling van de geschiktheid van verzoekster, vormt
tevens de tweede grief van verzoekster. Zij stelt wel geschikt te zijn voor de
functie van Hoofd Begeleiding. De Commissie oordeelt hierover als volgt.

Zoals zij reeds eerder uitsprak (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1991,
oordeelnummer 380-91-74) behoort het niet tot haar taak om in concrete
gevallen aan te geven welke kandidaat geschikter is voor een functie dan wel
of kandidaten gelijk geschikt zijn. Zij is, gelet op de Wet, slechts bevoegd
om na te gaan of bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid van
kandidaten onderscheid is gemaakt op grond van geslacht.

Haar conclusie dat verzoekster niet geschikt was voor de onderhavige
functie, baseerde de SAC met name op het ontbreken van de vereiste opleiding
en leidinggevende ervaring bij verzoekster. Vast is komen staan dat
verzoekster niet voldeed aan de gestelde opleidingseis. Vereist was immers een
academisch niveau dan wel H.B.O., aangevuld met VO. Verzoekster had op het
moment van haar sollicitatie haar H.B.O.-opleiding nog niet afgerond, laat
staan een vervolgopleiding.

Over de vraag of verzoekster leidinggevende ervaring had opgedaan,
verschillen partijen van mening. Verzoekster stelt het Hoofd Arbeid vervangen
te hebben, en daarmee leidinggevende ervaring te hebben opgedaan. Naar het
oordeel van de Commissie kan de vraag of verzoekster daadwerkelijk het Hoofd
Arbeid verving, wat de wederpartij betwist, hier in het midden blijven. De
door verzoekster ter zitting beschreven aard van de werkzaamheden is immers
van dien aard dat, zoals de wederpartij ook stelt, niet gesproken kan worden
van die substantiele (management)ervaring, die werd vereist voor de functie
van Hoofd Begeleiding. Mogelijk is verzoekster tijdens haar opleiding wel in
aanraking gekomen met facetten van het management, zoals het voorzitten van
vergaderingen of het voeren van beoordelingsgesprekken. De wederpartij eiste
echter praktische ervaring op deze punten.

Voor wat betreft het gesprek tussen verzoekster en de plaatsvervangend
directeur op 19 oktober 1990 merkt de Commissie nog op, dat zij niet heeft
kunnen vaststellen dat daarin expliciet is gesproken over een functie op het
niveau van die van Hoofd Begeleiding.

Het bovenstaande in onderlinge samenhang beschouwend, heeft de Commissie
niet kunnen constateren dat de wederpartij bij de beoordeling van de
geschiktheid van verzoekster onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Voor wat betreft de wijze waarop de sollicitatie van verzoekster
uiteindelijk is afgehandeld, merkt de Commissie nog op dat deze niet in alle
opzichten zorgvuldig is geweest. Zij wijst hier met name op het feit dat na
het persoonlijk onderhoud over de afwijzing geen schriftelijke bevestiging is
gevolgd. Gezien het feit dat verzoekster de enige interne kandidaat was, had
het van zorgvuldigheid getuigd de gronden voor afwijzing (ook) schriftelijk
mee te delen. De discussie over de vraag of deze gronden in het mondeling
onderhoud waren meegedeeld had daarmee voorkomen kunnen worden.

Verder heeft de Commissie kennis genomen van het feit dat het
voorgeschreven voorkeursbeleid niet was vermeld in de advertentie. Zij gaat er
van uit dat hier, zoals de wederpartij aangaf, sprake is van een eenmalige
vergissing.

HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat niet is komen vast te
staan dat de Minister van Justitie bij de behandeling bij de vervulling van de
openstaande betrekking, jegens mevrouw te Vught onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt, in strijd met artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van
mannen en

vrouwen.

Rechters

dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden, voorzitter, mw. prof. mr. J.E.Goldschmidt, mw. drs. A.J. Huber en mw. drs. C.M. Sjerps, secretaris