Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 1 februari 2002

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Na een huwelijk van dertig jaar is op 13 november 2000 de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen waren op huwelijkse voorwaarden gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Bij de beschikking van de rechtbank is de door de man te betalen alimentatie voor de vrouw vastgesteld op ƒ 6225,- per maand. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat gezien de bijzondere omstandigheden van het geval het redelijk was dat de man de volledige draagkrachtruimte aanwendde voor betaling van partneralimentatie.Die bijzondere omstandigheden hielden onder meer in dat de gefortuneerde moeder van de man tijdens de huwelijkse samenleving van partijen, en ook nog daarna, regelmatig schenkingen aan de man heeft gedaan en dat de man zijn levensstandaard feitelijk op die schenkingen heeft afgestemd. In hoger beroep heeft het hof de alimentatie op ƒ 8000,- per maand vastgesteld. Bij bepaling van de draagkracht van de man is het hof uitgegaan van de inkomsten uit vermogen, en heeft voorts overwogen dat van de man gevergd mag worden dat hij zo nodig inteert op zijn vermogen, in het bijzonder op de opbrengst van een pand dat hij had verkocht voor minstens ƒ 500.000,-.
Daarnaast bepaalde het hof dat er een voorziening voor de vrouw getroffen diende te worden voor het geval van het overlijden van de man. Het hof stelde met betrekking tot deze voorziening:
“dat partijen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die zij gemeen hebben in onderling overleg een voorziening in het levensonderhoud van de vrouw voor het geval van het overlijden van de man, als bedoeld in art. 1:157 lid 2 BW dienen te treffen in de geest van hetgeen het hof daaromtrent in rechtsoverweging 4.11 heeft overwogen.”
In rov 4.11 had het hof overwogen:
“Vast staat dat de vrouw thans geen enkele aanspraak kan maken op een beperkte Aow op grond van de omstandigheid dat zij jarenlang in het buitenland heeft verbleven en in die jaren niet vrijwillig Aow-premie heeft betaald. Daarom is het hof van oordeel dat er in redelijkheid een door de vrouw bedoelde voorziening moet worden getroffen. Deze regeling kan het beste worden getroffen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die partijen gemeen hebben en die tot op heden nog niet is gerealiseerd. (…) Op welke wijze dit dient te worden uitgewerkt laat het hof echter over aan partijen. Het hof geeft partijen in overweging (…) het passend te vinden als de vrouw bij overlijden van de man – eventueel met inbegrip van haar Aow-pensioen – de beschikking zou krijgen over 70% van de aan haar toegekende alimentatie-uitkering (…).”
In cassatie stelt de man onder meer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat van hem kon worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen bij de bepaling van de draagkracht en dat ten onrechte de gehele draagkrachtruimte voor de alimentatie wordt benut. Daarnaast stelt de man datde ‘pensioenvoorziening’ als bedoeld in art. 1:157 lid 2 BW alleen in ogenschouw kan worden genomen als een onderdeel van de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud en niet – zoals het hof heeft gedaan – als een onderdeel van een scheiding en deling van een (voormalige) huwelijksgoederengemeenschap. De Hoge Raad verwerpt de door de man opgeworpen klachten waar het betreft het interen op zijn vermogen en aanwenden van de gehele draagkrachtruimte. De klacht omtrent de ‘pensioenvoorziening’ voor de vrouw treft doel. Het hof had, nu aan het hof het verzoek was voorgelegd bij de vaststelling van de alimentatie overeenkomstig art. 1:157 lid 2 BW rekening te houden met de behoefte van de vrouw aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van de man, daarover een beslissing moeten geven en het stond het hof niet vrij om te bepalen dat partijen in het kader van de scheiding en deling tot een regeling dienden te komen. Wel had het hof partijen deze mogelijkheid in het kader van een minnelijke regeling kunnen voorhouden, aldus de Hoge Raad.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Met een op 11 november 1999 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen: de man – zich gewend tot de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch en verzocht:
– echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tussen hem en verweerster in cassatie – verder te noemen: de vrouw – uit te spreken en
– scheiding en deling te bevelen van de huwelijksgemeenschap waarin partijen met elkander zijn gehuwd met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon conform de wet.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en verzocht:
– het eerste petitum (echtscheiding) niet eerder toe te wijzen dan nadat de man voor de vrouw een voorziening zal hebben getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide partijen billijk is te achten en
– het tweede petitum (boedelverdeling) af te wijzen.
– bij wege van een zelfstandig verzoek de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw ter zake van levensonderhoud van een bedrag van ƒ 12.500 per maand.

De man heeft tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw verweer gevoerd en verzocht:
– de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw ter zake van levensonderhoud van een bedrag van ƒ 3.000 (bruto) per maand, alsmede
– de man te veroordelen de hypothecaire lasten met betrekking tot de echtelijke woning, groot ƒ 2.062,50 per maand ten behoeve van de vrouw te voldoen.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de man veroordeeld om vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 6.225 per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Daarbij heeft zij verzocht de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel uitvoerbaar bij voorraad:
– de man te veroordelen om vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van ƒ 8.000 per maand en
– voorts op grond van art. 1:157 lid 2 BW voor de vrouw een passende voorziening te treffen voor het geval van overlijden van de man, zoals het Hof in goede justitie mocht vernemen te behoren.

De man heeft tegen deze beschikking incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 2 mei 2001 heeft het Hof op het principaal appel de beschikking van de Rechtbank van 21 juli 2000, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
– de door de man met ingang van 13 november 2000 te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op ƒ 8.000 ( € 3.630,24) per maand, en
– bepaald dat partijen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die zij gemeen hebben in onderling overleg een voorziening in het levensonderhoud van de vrouw voor het geval van het overlijden van de man, als bedoeld in art. 1:157 lid 2 BW, dienen te treffen in de geest van hetgeen het Hof daaromtrent in rov. 4.11 heeft overwogen;
– het incidentele beroep van de man verworpen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens inhoudende het incidentele beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt op het principaal beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET PRINCIPALE BEROEP

3.1 Partijen zijn op 15 september 1970 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, waarin iedere gemeenschap van goederen wordt uitgesloten. De man, geboren in 1940, woont in Portugal en de vrouw, geboren in 1945, woont in Nederland. De man is belastingplichtig in Nederland.
De man heeft verzocht echtscheiding tussen hem en de vrouw uit te spreken. De Rechtbank heeft echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een alimentatie, groot ƒ 6.225 per maand. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft in het principaal hoger beroep de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de alimentatie bepaald op ƒ 8.000 per maand met ingang van 13 november 2000. Voorts heeft het Hof bepaald “dat partijen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die zij gemeen hebben in onderling overleg een voorziening in het levensonderhoud van de vrouw voor het geval van het overlijden van de man, als bedoeld in artikel 1:157 lid 2 BW dienen te treffen in de geest van hetgeen het hof daaromtrent in rechtsoverweging 4.11 heeft overwogen”. Het Hof heeft het incidenteel hoger beroep van de man verworpen.

3.2 Het Hof heeft in rov. 4.4 geoordeeld dat de man vanaf 1 januari 2001 niet langer vermogensbelasting meer verschuldigd is en dat zijn eerste grief dus ongegrond is.
Het Hof heeft in rov. 4.8 overwogen dat de man onlangs één van een aantal panden te […] aan de [a-straat] heeft verkocht. Dat pand heeft ten minste ƒ 500.000 opgebracht. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld:
“Niet alleen kan de man uit dat bedrag rente-inkomsten verwerven, ook kan naar het oordeel van het hof – indien de man van mening mocht zijn dat op grond van de door hem gestelde inkomsten en de hiervoor bedoelde mogelijke extra inkomsten uit verhuur en vermogen betaling van een alimentatie voor de vrouw van ƒ 8.000 per maand niet mogelijk zou zijn – van de man onder de omstandigheden van dit geval worden gevergd dat hij op voormeld bedrag van ƒ 500.000 inteert op zodanige wijze, dat hij toch aan die alimentatieverplichting kan voldoen. Om die reden kan de vraag welk gedeelte van de draagkrachtruimte van de man ter betaling van alimentatie dient te worden aangewend, onbeantwoord blijven.”

In rov. 4.11 heeft het Hof geoordeeld:

“Vast staat dat de vrouw thans geen enkele pensioenvoorziening heeft en dat zij slechts aanspraak kan maken op een beperkte AOW op grond van de omstandigheid dat zij jarenlang in het buitenland heeft verbleven en in die jaren niet vrijwillig AOW-premie heeft betaald. Daarom is het hof van oordeel dat er in redelijkheid een door de vrouw bedoelde voorziening moet worden getroffen. Deze regeling kan het beste getroffen worden in het kader van de scheiding en deling van de zaken die partijen gemeen hebben en die tot op heden nog niet is gerealiseerd. In zoverre slaagt de tweede grief van de vrouw.
Op welke wijze dit dient te worden uitgewerkt laat het hof echter over aan partijen. Het hof geeft partijen in overweging het in de omstandigheden van dit geval een passend uitgangspunt te achten als de vrouw bij overlijden van de man – eventueel met inbegrip van haar AOW-pensioen – de beschikking zou krijgen over 70% van de aan haar toegekende alimentatie-uitkering, hetgeen thans op maandbasis ƒ 5.600 betekent.
Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij een ouderdomspensioen, dat veelal 70% uitmaakt van een inkomen uit arbeid waarop het is gebaseerd.”

3.3 Onderdeel I, gericht tegen rov. 4.4 van de bestreden beschikking, strekt ten betoge dat weliswaar per 1 januari 2001 de Wet op de vermogensbelasting 1964 is ingetrokken doch dat gelijktijdig de zogenaamde vermogensrendementsheffing als bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 2001 is ingevoerd. Deze heffing vertoont, aldus het onderdeel, “alle kenmerken van een vermogensbelasting in de eigenlijke zin van het woord” en dient te worden beoordeeld als een factor die “uit zijn aard bij uitstek” ook de draagkracht zal, althans kan treffen. Het onderdeel klaagt, samengevat, dat het Hof aan dit een en ander ten onrechte is voorbijgegaan althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Het Hof heeft in rov. 4.4 klaarblijkelijk slechts de grief van de man verworpen dat geen rekening is gehouden met de door de man verschuldigde vermogensbelasting. Het oordeel van het Hof dat de man na 1 januari 2001 geen vermogensbelasting is verschuldigd, is naar ook in het onderdeel wordt aangenomen juist. Anders dan het onderdeel wil betogen, blijkt uit de bestreden overweging niet dat het Hof daarmee heeft miskend dat vanaf deze datum op grond van de Wet IB 2001 sprake is van een vermogensrendementsheffing. De in het onderdeel vervatte klachten falen derhalve alle.

3.4 Onderdeel II, gericht tegen rov. 4.8 van de bestreden beschikking, klaagt dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft aangenomen dat de mogelijke rente-inkomsten uit de verkoopopbrengst van het pand aan de [a-straat] te […] de man mogelijke extra-inkomsten uit vermogen opleveren. Door over extra-inkomsten te spreken miskent het Hof volgens het onderdeel dat deze inkomsten in de plaats komen van de huuropbrengst van het verkochte pand, waarmee het Hof in rov. 4.1 al rekening had gehouden.
Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het Hof is uitgegaan van een inkomen waartoe zowel de huuropbrengst van het pand aan de [a-straat] te […] als de rente-inkomsten uit de verkoop van dit pand behoren. Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel III, eveneens gericht tegen rov. 4.8 van de bestreden beschikking, klaagt in de eerste plaats dat het Hof met zijn oordeel dat van de man gevergd mag worden dat hij zo nodig inteert op zijn vermogen, in het bijzonder op de opbrengst van het verkochte pand, heeft miskend dat de alimentatie van de man dient te worden gebaseerd op zijn inkomsten uit vermogen en niet op dat vermogen zelf.
Nu de financiëële draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen door zijn inkomen maar ook door zijn vermogen wordt bepaald, gaat de klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt zij derhalve.
De onderdelen 3.3 en 3.4 – de onderdelen 3.1 en 3.2 bevatten geen klacht – klagen dat het Hof heeft miskend dat alimentatiebetaling bij wijze van vermogensintering aanvaardbaar kan zijn in gevallen dat de alimentatieplichtige het in eigen hand heeft of hij voldoende inkomen verwerft om een bepaalde alimentatie te kunnen betalen doch dat in een geval als het onderhavige, waarin een zodanig keuzemoment ontbreekt, geen ruimte bestaat om de alimentatieplichtige tot interen te verplichten.
Deze klacht gaat ook uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve eveneens.
De klacht – in onderdeel 3.5 – dat het oordeel van het Hof dat van de man onder de omstandigheden van dit geval intering op het bedrag van ƒ 500.000 kan worden gevergd en dat om die reden de vraag “welk gedeelte van de draagkrachtruimte van de man ter betaling van de alimentatie dient te worden aangewend” onbeantwoord kan blijven, nadere motivering behoeft, faalt nu dit oordeel uitsluitend betreft het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden, en niet onbegrijpelijk is noch nadere motivering behoefde.
Onderdeel 3.5 klaagt voorts dat het Hof niet in het mid-den had mogen laten tot welk bedrag de man op zijn vermogen moet interen. De klacht mist feitelijke grondslag nu het Hof, uitgaande van het inkomen en vermogen van de man, heeft geoordeeld dat van de man gevergd mag worden dat hij inteert op het bedrag van ƒ 500.000 op zodanige wijze, dat hij toch aan de alimentatieverplichting kan voldoen, en daarmee de grens, tot waar intering van de man mag worden verwacht, voldoende heeft aangegeven. Derhalve kan ook deze klacht niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3.6, dat op de klachten van onderdeel 3.5 voortbouwt, faalt om dezelfde redenen.

3.6 Onderdeel IV bevat een rechtsklacht tegen rov. 11 van het Hof en het daarop gebaseerde deel van het dictum van de bestreden beschikking (hiervoor onder 3.1 weergegeven). De klacht treft doel. Nu aan het Hof het verzoek was voorgelegd bij de vaststelling van de alimentatie overeenkomstig art. 1:157 lid 2 BW rekening te houden met de behoefte van de vrouw aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van de man, was het Hof gehouden daarover ook in dat kader een beslissing te geven en had het derhalve niet de vrijheid om te bepalen dat partijen in het kader van de scheiding en deling de benodigde voorziening dienden te regelen. Daarbij verdient opmerking dat het Hof partijen, bijvoorbeeld in het kader van een minnelijke regeling, deze mogelijkheid wel mocht voorhouden.
De andere klacht van onderdeel IV behoeft geen behandeling, nu de daarin aan de orde gestelde vraag – beïnvloedt het treffen van een voorziening voor het vooroverlijden van de man de draagkracht van de man? – na vernietiging en verwijzing alsnog aan de orde zal komen.

4. DE BEOORDELING VAN HET MIDDEL IN HET INCIDENTELE BEROEP

Het incidentele middel behoeft geen behandeling, nu de bestreden beschikking wordt vernietigd en de zaak ter verdere behandeling zal worden verwezen.

5. BESLISSING

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 2 mei 2001;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

CONCLUSIE A-G Mr. F.F. Langemeijer
In deze alimentatieprocedure wordt de aandacht getrokken door: (i) de betekenis van de vermogensbelasting (inmiddels vervangen door een vermogensrendementsheffing) voor de draagkracht van de man en (ii) de behoefte van de vrouw aan een voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man (art. 1:157 lid 2 BW).

1. DE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP

1.1. Partijen, hierna aan te duiden als: de man, respectievelijk: de vrouw, zijn op 15 september 1970 gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden wordt iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De man, geboren in 1940, woont in Portugal en de vrouw, geboren in 1945, woont in Nederland. De man is belastingplichtig in Nederland.

1.2. In het inleidend verzoekschrift d.d. 11 november 1999 heeft de man verzocht de echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft niet betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, maar heeft het verweer gevoerd als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW (het pensioenverweer). De vrouw heeft verzocht de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op f 12.500,- per maand. In reactie daarop heeft de man voorgesteld deze bijdrage vast te stellen op f 3.000,- bruto p.m. en daarnaast te bepalen dat de man de hypothecaire lasten van de door de vrouw bewoonde woning, ten bedrage van f 2.062,50 p.m., zal blijven voldoen aan de schuldeiser.

1.3. De rechtbank te ‘s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 21 juli 2000 de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een alimentatie groot f 6.225,- per maand. De rechtbank heeft het pensioenverweer verworpen omdat zij onvoldoende aannemelijk achtte dat vooruitzicht bestaat op een uitkering na het overlijden van de man. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw bepaald op f 8.000,- bruto per maand. Met betrekking tot de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van een inkomen van de man uit vermogen, groot f 104.732,- per jaar (te weten: uit de verhuur van onroerend goed f 103.643,- en als opbrengst van effecten f 1.089,-). De rechtbank heeft vervolgens de vaste lasten van de man besproken. Vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval heeft de rechtbank redelijk geacht dat de man de volledige draagkrachtruimte aanwendt voor de betaling van partneralimentatie. Die bijzondere omstandigheden houden o.m. in dat de gefortuneerde moeder van de man tijdens de huwelijkse samenleving van partijen, en ook nog daarna, regelmatig schenkingen aan de man heeft gedaan en dat de man zijn levensstandaard feitelijk op die schenkingen heeft afgestemd.

1.4. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Zij legde zich erbij neer dat haar behoefte aan alimentatie werd gesteld op f 8.000,- per maand. Zij stelde zich evenwel op het standpunt dat de draagkracht van de man een alimentatieverplichting groot f 8.000,- per maand toelaat. De rechtbank zou volgens haar onvoldoende rekening hebben gehouden met de mogelijkheden voor de man om inkomen uit arbeid te verwerven en/of in te teren op zijn vermogen. Zij maakte geen bezwaar tegen de verwerping van het pensioenverweer van art. 1:153 BW. Zij heeft betoogd dat zij behoefte heeft aan een passende voorziening voor het geval de man eerder dan zijzelf mocht komen te overlijden (art. 1:157 lid 2 BW). Zij wenste daarom een aanvullend alimentatiebedrag waaruit zij de premies zou kunnen voldoen voor een weduwenpensioen of lijfrente.

1.5. De man heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft de gestelde behoefte van de vrouw betwist en voorgesteld de alimentatie gedurende een tijdvak van 24 maanden te bepalen op f 5.100,- bruto p.m. en voor het tijdvak daarna op f 4.000,- bruto p.m. inclusief een voorziening als bedoeld in art. 1:157 lid 2 BW en met bepaling dat de man de in dat bedrag begrepen hypothecaire en fiscale lasten rechtstreeks aan de schuldeiser zou mogen voldoen. Verder had de man er bezwaar tegen dat hij zijn volledige draagkrachtruimte in plaats van de gebruikelijke 60 % moet aanwenden voor alimentatiebetalingen aan de vrouw. Voorts heeft de man aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening had moeten houden met de vermogensbelasting die hij verschuldigd is (een bedrag van f 5.760,- op jaarbasis(1)). De vrouw heeft hiertegen ingebracht dat de vermogensbelasting per 1 januari 2001 komt te vervallen.

1.6. Het hof heeft in zijn beschikking van 2 mei 2001 op het principaal hoger beroep de beschikking van de rechtbank vernietigd en de alimentatie bepaald op f 8.000,- ( € 3.630,24) per maand met ingang van 13 november 2000(2). Daarnaast heeft het hof in het dictum bepaald:
“dat partijen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die zij gemeen hebben in onderling overleg een voorziening in het levensonderhoud van de vrouw voor het geval van het overlijden van de man, als bedoeld in artikel 1:157 lid 2 BW dienen te treffen in de geest van hetgeen het hof daaromtrent in rechtsoverweging 4.11 heeft overwogen.”

In rov. 4.11 had het hof overwogen:

“Vast staat dat de vrouw thans geen enkele pensioenvoorziening heeft en dat zij slechts aanspraak kan maken op een beperkte AOW op grond van de omstandigheid dat zij jarenlang in het buitenland heeft verbleven en in die jaren niet vrijwillig AOW-premie heeft betaald. Daarom is het hof van oordeel dat er in redelijkheid een door de vrouw bedoelde voorziening moet worden getroffen. Deze regeling kan het beste worden getroffen in het kader van de scheiding en deling van de zaken die partijen gemeen hebben en die tot op heden nog niet is gerealiseerd. In zoverre slaagt de tweede grief van de vrouw.
Op welke wijze dit dient te worden uitgewerkt laat het hof echter over aan partijen. Het hof geeft partijen in overweging het in de omstandigheden van het geval een passend uitgangspunt te achten als de vrouw bij overlijden van de man – eventueel met inbegrip van haar AOW-pensioen – de beschikking zou krijgen over 70 % van de aan haar toegekende alimentatie-uitkering, hetgeen thans op maandbasis f 5.600,- betekent. Het hof heeft daarbij aansluiting gezocht bij een ouderdomspensioen, dat veelal 70 % uitmaakt van een inkomen uit arbeid waarop het is gebaseerd.”

Het hof heeft het incidenteel hoger beroep van de man verworpen.

1.7. De man heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De man heeft daarop geantwoord.

2. BESPREKING VAN HET PRINCIPAAL CASSATIEMIDDEL

2.1. Onderdeel I is gericht tegen de verwerping van de grief van de man dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met de door hem verschuldigde vermogensbelasting. Het hof heeft met die grief korte metten gemaakt: “Vanaf 1 januari 2001 is de man niet langer vermogensbelasting meer verschuldigd” (rov. 4.4). In het cassatiemiddel wordt erkend dat per 1 januari 2001 de Wet op de vermogensbelasting 1964 is ingetrokken. De man voert evenwel aan dat daarvoor in de plaats is gekomen de vermogensrendementsheffing als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Deze heffing zou evengoed zijn aan te merken als een belasting op vermogen vanaf 1 januari 2001 waardoor de draagkracht van de man wordt beïnvloed. Het hof zou ten onrechte hieraan zijn voorbijgegaan, althans zou zijn andersluidend oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.

2.2. Het is juist, dat per 1 januari 2001 de Wet op de vermogensbelasting 1964 is ingetrokken in verband met de invoering van het nieuwe belastingstelsel. Onder het tot dan toe geldende belastingstelsel werden de inkomsten uit vermogen (bijv. de op een spaarrekening ontvangen rente of de huuropbrengst van een door de belastingplichtige verhuurd onroerend goed) belast ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Wet op de vermogensbelasting 1964 voegde daaraan toe een belasting op het vermogen zelf. In de Trema-normen t/m het jaar 2000 was niet uitdrukkelijk een post “verschuldigde vermogensbelasting” opgenomen. Niets echter belette de rechter in het kader van het vaststellen van de draagkracht met de verschuldigde vermogensbelasting rekening te houden, eventueel in de rubriek “overige kosten”.

2.3. Op 1 januari 2001 is de Wet IB 2001 in werking getreden. De inkomstenbelasting over de (werkelijke) inkomsten uit vermogen en de vermogensbelasting zijn beide vervangen door een systeem waarin inkomstenbelasting wordt geheven over het rendement op het vermogen van de belastingplichtige. Dit rendement is niet de werkelijke opbrengst, maar een door de wetgever forfaitair vastgestelde (fictieve) opbrengst. Deze heffing wordt vermogensrendementsheffing genoemd. In box III wordt 30 % belasting geheven over een rendement dat forfaitair is bepaald op 4 % van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en de rendementsgrondslag aan het einde van het jaar, voor zover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden (wet IB 2001 art. 5.3)(3). Aldus bedraagt de belastingdruk, wanneer het heffingvrij vermogen en evt. vrijstellingen worden weggedacht, per saldo 1,2 % van de waarde van het vermogen. Het nieuwe belastingstelsel heeft geleid tot een ingrijpende herziening van de Trema-normen(4). In de nieuwe Trema-normen wordt bij de berekening van de draagkrachtvrije ruimte volgens de brutomethode uitgegaan van de werkelijke inkomsten uit vermogen (punt 102). Vervolgens wordt de vermogensrendementsheffing berekend (punten 104 – 112). In de berekening van het besteedbare inkomen per jaar (punten 113 – 120) wordt rekening gehouden met de verschuldigde belasting en dus ook met de berekende vermogensrendementsheffing. Aangenomen dat het hof in mei 2001 de draagkracht van de man heeft berekend met behulp van de Trema-normen 2001, is de vermogensrendementsheffing dus in de alimentatie verdisconteerd.

2.4. De stelling in subonderdeel 1.1, dat de man na 1 januari 2001 belang behoudt bij zijn stelling dat rekening gehouden dient te worden met de door hem jaarlijks verschuldigde vermogensbelasting omdat niet op voorhand vaststaat dat het nieuwe belastingstelsel per saldo een lagere belastingdruk voor hem oplevert dan het vroegere stelsel, gaat niet op. Welke berekeningsmethode het hof ook hanteert bij de vaststelling van de draagkracht, in geen geval is de man na 1 januari 2001 nog vermogensbelasting verschuldigd. Nadere motivering behoefde het oordeel van het hof niet. De subonderdelen 1.2 – 1.4 kunnen om dezelfde reden niet tot cassatie leiden.

2.5. Onderdeel II komt in al zijn subonderdelen neer op de klacht dat het hof een bepaalde inkomenscomponent van de man ten onrechte dubbel in aanmerking heeft genomen. De man stelt dat in de netto-huuropbrengst van alle panden (het bedrag van f 103.643,-) mede begrepen was de huuropbrengst van een destijds door hem verhuurd pand aan de [a-straat] te […]. In appel is komen vaststaan dat dit pand inmiddels is verkocht. Het hof heeft in rov. 4.8 overwogen dat de man uit de verkoopopbrengst rente-inkomsten kan behalen. Het onderdeel veronderstelt dat het hof is uitgegaan van een inkomen uit verhuur van onroerend goed ad f 103.643,-, vermeerderd met de rente die de man kan behalen over de verkoopopbrengst, zonder rekening ermee te houden dat de huuropbrengst van dit pand is weggevallen sinds de man niet meer de eigenaar van het pand is.

2.6. De klacht mist feitelijke grondslag: uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof is uitgegaan van een inkomen waartoe zowel de huuropbrengst van dit pand als rente-inkomsten uit de verkoopopbrengst van dit pand behoren. Het hof heeft slechts geconstateerd dat de man uit de verkoopopbrengst rente kan verwerven. Die constatering wordt in cassatie niet bestreden. Vervolgens heeft het hof in het midden gelaten “welk gedeelte van de draagkrachtruimte van de man ter betaling van alimentatie dient te worden aangewend”, omdat het hof van oordeel was dat, indien de man van mening mocht zijn dat op grond van de door hem gestelde inkomsten (waarbij het hof kennelijk het oog heeft op de door de man opgegeven netto-huuropbrengst inclusief de correctie dat inmiddels één van de panden was verkocht) en de mogelijke inkomsten (waarbij het hof o.m. het oog heeft op de spaarrente die de man kan behalen over de verkoopopbrengst van het pand aan de [a-straat]), een alimentatie van f 8.000,- te hoog is, van de man gevergd kan worden dat hij inteert op het bedrag van f 500.000,-. Met andere woorden, het hof heeft niet twee inkomenscomponenten in aanmerking genomen die onderling onverenigbaar zijn.

2.7. Onderdeel III houdt met het voorgaande verband. Het onderdeel maakt bezwaar tegen de (motivering van de) beslissing in rov. 4.8 dat van de man gevergd mag worden dat hij zo nodig inteert op zijn vermogen, in het bijzonder op de opbrengst van het verkochte pand.

2.8. De primaire stelling van het onderdeel dat de alimentatieplicht van de man dient te worden gebaseerd op zijn inkomsten uit vermogen en niet op het vermogen zelf, vindt in de wet en de rechtspraak geen steun. Reeds lang is in de rechtspraak aanvaard dat de financiëële draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen door zijn inkomen maar ook door zijn vermogen wordt bepaald. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval van een alimentatieplichtige kan worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het is niet zo, dat interen slechts in geval van bijzondere omstandigheden van de alimentatieplichtige kan worden gevergd(5).

2.9. In de subonderdelen 3.3 en 3.4 (3.1 en 3.2 bevatten geen klacht) betoogt de man dat interen op het vermogen alleen kan worden gevergd van alimentatieplichtigen die het in eigen hand hebben of zij zich voldoende inkomsten verwerven: de verplichting tot interen op hun vermogen is dan het gevolg van hun eigen keuze. In gevallen waarin een dergelijke keuzemogelijkheid ontbreekt, zou volgens het middel geen ruimte bestaan om de alimentatieplichtige tot interen te verplichten. Ook deze stelling vindt in de wet en in de aangehaalde rechtspraak geen steun. Anders dan subonderdeel 3.4 veronderstelt, heeft het hof zijn beslissing dat van de man gevergd kan worden in te teren op de verkoopopbrengst niet enkel gegrond op de (betrekkelijk toevallige) omstandigheid dat één van de panden kort tevoren was verkocht en de man daardoor over liquide middelen beschikte, maar op de omstandigheden van het geval. Dit oordeel had geen nadere motivering nodig. In bepaalde omstandigheden (hierbij denk ik bijv. aan een geval waarin het vermogen van de alimentatieplichtige voor langere tijd is vastgezet, al dan niet in de onderneming waaruit de alimentatieplichtige zijn inkomsten betrekt en indirect de alimentatie bekostigt) kan het averechts werken of zelfs een vorm van kapitaalvernietiging zijn, wanneer de alimentatieplichtige wordt gedwongen tot interen. Het hof heeft kennelijk bedoeld dat dergelijke omstandigheden zich hier niet voordoen, dat het destijds verhuurde en inmiddels verkochte pand voor de man niet meer dan een beleggingsobject was en dat, in verband met de behoefte van de vrouw, interen van de man op dit vermogen van hem kon worden gevergd.

2.10. Voor zover de man met subonderdeel 3.5 bedoelt dat het hof zijn oordeel cijfermatig nader had moeten uitwerken in de motivering, gaat het middel uit van motiveringseisen die – naar vaste rechtspraak – niet kunnen worden gesteld aan beslissingen, die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden. Voor zover in het subonderdeel wordt geklaagd dat het hof niet in het midden had mogen laten tot welk bedrag de man op zijn vermogen moet interen, reeds omdat daarmee de mogelijkheid wordt opengelaten dat het inkomen van de man terugloopt tot minder dan 90 % van de op hem toepasselijke bijstandsnorm, gaat het evenmin op. In HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707 m.nt. JdB, waarop het onderdeel een beroep doet(6), ging het om een alimentatieplichtige die verwijtbaar werkloos was geworden. De feitenrechter was in dat geval uitgegaan van een draagkracht, berekend op basis van een fictief inkomen, te weten het inkomen genoten vóóóórdat de werkloosheid intrad. Een draagkrachtberekening op basis van een fictief inkomen bergt het gevaar in zich dat de alimentatieplichtige, na aan zijn alimentatieverplichting te hebben voldaan, in werkelijkheid minder overhoudt dan het bedrag dat minimaal nodig is voor het bestaan – te stellen op de beslagvrije voet ofwel 90 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Het onderhavige geval is daarmee niet te vergelijken: het hof is immers niet uitgegaan van een fictief inkomen of vermogen, maar van het werkelijke inkomen en vermogen van de man. Het is bovendien niet juist, dat het hof in het midden zou hebben gelaten tot welk bedrag de man geacht kan worden op zijn vermogen in te teren. Het hof heeft uitdrukkelijk bepaald dat – indien de man uit de door hem gestelde inkomsten, eventueel vermeerderd met een redelijke vergoeding die hij van [betrokkene] kan vragen voor het gebruik van een gedeelte van zijn woning in Portugal als praktijkruimte, een alimentatie van f 8.000,- niet kan opbrengen – van hem gevergd mag worden dat hij inteert op “voormeld bedrag van f 500.000,-“. Daarmee is de grens, tot waar intering van de man wordt verwacht, door het hof voldoende aangegeven. Subonderdeel 3.5 treft geen doel. Subonderdeel 3.6, dat hierop voortbouwt, faalt om dezelfde redenen.

2.11. Onderdeel IV keert zich tegen de beslissing in het dictum en in rov. 4.11, hiervoor in alinea 1.6 vermeld. Art. 1:157 lid 2 BW bepaalt dat de rechter bij de vaststelling van de uitkering rekening kan houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot uitkering is gehouden. Het woordje “kan” wijst op een discretionaire bevoegdheid van de rechter. In HR 4 juni 1954, NJ 1954, 392 werd overwogen dat tot de behoeften van de vrouw niet mag worden gerekend een bedrag als nodig voor de afsluiting van een verzekering tot verkrijging van een weduwenpensioen. De beslissing werd gegrond op de regel dat de alimentatieverplichting eindigt door de dood van een der echtgenoten. Die regel kon nadelig uitwerken voor vrouwen die niet in staat zijn in hun eigen levensonderhoud te voorzien en na de scheiding volledig afhankelijk zijn van de hen toegekende alimentatie: bij vooroverlijden van de alimentatieplichtige man zijn zij aangewezen op een bijstandsuitkering. Bij wet van 6 mei 1971, Stb. 290, houdende herziening van het echtscheidingsrecht, is in het tweede lid (het artikel was toen nog genummerd: 1:156 BW) zeker gesteld dat de rechter bij de vaststelling van de alimentatie wéél rekening kan houden met de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval dat de alimentatieplichtige als eerste overlijdt(7). Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid kwam tot uitdrukking in HR 27 februari 1976, NJ 1977, 90 m.nt. EAAL. In dat geding weigerde de rechter bij de vaststelling van alimentatie rekening te houden met een dergelijke voorziening, kort gezegd omdat hij van oordeel was dat de vrouw, die al 30 jaar apart woonde, zelf een voorziening had kunnen treffen.

2.12. In de onderhavige zaak heeft het hof – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de vrouw behoefte heeft aan een voorziening in haar levensonderhoud voor het geval van vooroverlijden van de man. Waarom heeft het hof dan niet in het kader van de vaststelling van de alimentatie met zo’n voorziening rekening gehouden (art. 1:157 lid 2 BW)? Dat is m.i. alleen te verklaren, indien het hof ervan is uitgegaan dat in het kader van de scheiding en deling reeds afdoende wordt voorzien in de behoefte van de vrouw aan een dergelijke voorziening. Op zichzelf kan een voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man worden getroffen buiten de alimentatievaststelling om. Zo kan bijv. in het kader van een scheiding en deling tussen partijen worden afgesproken dat op kosten van de man een levensverzekering wordt gesloten op het leven van de man met de vrouw als begunstigde. Ook kan een overbedeling van de vrouw plaatsvinden, zodanig dat zij geen voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man meer nodig heeft, of zodanig dat zij uit het verkregen vermogen de premies kan voldoen voor een levensverzekering. Wanneer uit anderen hoofde reeds een afdoende voorziening is of zal worden getroffen voor het geval van vooroverlijden van de man, is het niet langer nodig in het kader van de vaststelling van alimentatie rekening te houden met de behoefte van de vrouw aan zo’n voorziening. Het hof behoeft dan geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid ingevolge art. 1:157 lid 2 BW. Hiermee is tevens het antwoord gegeven op de klacht van het incidenteel middel: indien de verwachting van het hof niet uitkomt en in het kader van de scheiding en deling geen regeling tot stand komt die tegemoet komt aan de behoefte van de vrouw aan een voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man, kan deze nieuwe omstandigheid grond opleveren voor een verzoek van de vrouw tot wijziging van de alimentatie teneinde haar alsnog in de gelegenheid te stellen zo’n voorziening te bekostigen.

2.13. Tegen de door het hof gekozen oplossing zijn echter bezwaren aan te voeren: het maakt wel degelijk verschil of de voorziening wordt getroffen in het kader van de alimentatie dan wel in het kader van de scheiding en deling. Wanneer in het kader van art. 157 lid 2 BW rekening wordt gehouden met een voorziening ten behoeve van de vrouw voor het geval van vooroverlijden van de man en de alimentatie dienovereenkomstig hoger wordt vastgesteld, is de alimentatie voor de man aftrekbaar in het kader van de inkomstenbelasting. Binnen het kader van een scheiding en deling is van deze fiscale aftrekpost geen sprake. Aan de zijde van de alimentatiegerechtigde heeft de door het hof gemaakte keuze het nadeel dat de vrouw in het tijdvak vóóóórdat partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de scheiding en deling, reeds het risico loopt dat de man overlijdt vóóóórdat zelfs maar een voorziening is getroffen voor het alsdan wegvallen van de alimentatie.

2.14. In het middel ligt de klacht besloten dat het hof, in elk geval in het onderhavige geding, niet de vrijheid had om vast te stellen dat partijen in het kader van de scheiding en deling de benodigde voorziening dienen te regelen, maar gehouden was dit geschilpunt af te handelen binnen het kader van art. 157 lid 2 BW. Deze klacht komt mij gegrond voor. Partijen verschilden in dit geding van mening over de vraag of, en zo ja in hoeverre, in het kader van de vaststelling van de alimentatie rekening gehouden moet worden met de behoefte van de vrouw aan een voorziening voor het geval van vooroverlijden van de man. Door te bepalen dat partijen een regeling dienen te treffen in het kader van de scheiding en deling, heeft het hof géén uitspraak gedaan over datgene wat aan de rechter werd verzocht (de vaststelling van de alimentatie in dit opzicht) en wéél uitspraak gedaan over iets dat niet aan de rechter werd verzocht (de inhoud van de scheiding en deling). Wegens gegrondbevinding van middel IV strekt mijn conclusie tot vernietiging van de bestreden beschikking. In het middel wordt nog de vraag aan de orde gesteld of een voorziening voor het vooroverlijden de draagkracht van de man beïnvloedt. Na vernietiging en verwijzing kan ook die vraag alsnog worden onderzocht.

2.15. In de door mij voorgestane benaderingswijze kan het incidenteel middel verder onbesproken blijven.

3. CONCLUSIE

De conclusie strekt op het principaal beroep: tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak.

1 In eerste aanleg (prod. 3 bij verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek) heeft de man een voorlopige aanslag vermogensbelasting 1999 overgelegd ten bedrage van f 5.761,-.
2 Datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
3 Over de vermogensrendementsheffing is veel gepubliceerd. Zie voor een korte vergelijking van oud en nieuw recht: R.E.C.M. Niessen, De inkomstenbelasting in 2001 (2000), hoofdstuk 13. Uitgebreid: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie ad art. 5.1 e.v. Wet IB 2001; E.J.W. Heithuis, Fiscaal ondernemingsrecht 1999 blz. 238 e.v.; J.A.G. van der Geld, Fiscaal tijdschrift Vermogen 1999, blz. 4; C.B. Bavinck en G.J.W.M. Derckx, WFR 1999 blz. 435 e.v.; S. Cnossen en A.L. Bovenberg, WFR 2000, blz. 4 e.v.
4 Trema-special Alimentatienormen, 2001 nr. 1a, waarover: F. Fernhout, Echtsch.Bull. 2001 nr. 1.
5 HR 20 mei 1949, NJ 1950, 50; HR 3 februari 1956, NJ 1956, 75; HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266; HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395; HR 12 november 1993, NJ 1994, 141 m.nt. WH-S. Zie ook: Asser-De Boer, 1998, nr. 625; losbl. Personen- en Familierecht, aant. 2 op art. 1:157 BW; Van Mourik/Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding (1997) blz. 488-490.
6 Zie ook HR 10 september 1999, NJ 2000, 82.
7 Het desbetreffende artikellid is ingevoegd bij Nota van wijziging (TK 1970/71, 10 213, nr. 32). Het is mondeling toegelicht door de minister van Justitie op 17 maart 1971: Hand. II 1970/71, blz. 3374-3375. Zie over deze bepaling: losbl. Personen- en Familierecht, aant. 4 op art. 1:157 BW; Th.M. Dorn, Alimentatieverplichtingen (1999) blz. 30-31; Van Mourik/Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding (1997) blz. 484-485; Asser-de Boer, nr. 623.

Rechters

Mrs. Neleman, Pos, Beukenhorst, Hammerstein, Kop; A-G Langemeijer