Instantie: President Rechtbank Arnhem, 12 november 2001

Instantie

President Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Het slachtoffer dat middels cessie in plaats treedt van de pleger van
seksueel misbruik als verzekerde kan zich ten opzichte van de verzekeraar op
een eigen (spoedeisend) belang beroepen. Het verweer dat dekking door een
aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) van schade ten gevolge
van seksueel misbruik in strijd is met de openbare orde en goede zeden, of de
redelijkheid en billijkheid, wordt verworpen. De verplichting tot melding van
schade in het kader van een AVP ontstaat niet eerder dan dat de verzekerde
(civielrechtelijk) aansprakelijk is gesteld. Nu niet blijkt dat de
verzekeraar in de periode tussen de aansprakelijkstelling en de melding (in
casu drie maanden) onderzoek had willen of kunnen doen dat daarna niet meer
mogelijk zou zijn, wordt het verweer dat niet tijdig is gemeld verworpen. Ook
het verweer dat dekking is uitgesloten op grond van de opzetclausule in de
verzekeringsovereenkomst wordt verworpen: hoewel de verzekerde wellicht had
moeten weten dat zijn handelen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
traumatische en psychologische gevolgen/klachten zou veroorzaken, is niet
aannemelijk dat zijn handelen op dat gevolg en dat letsel was gericht. Het is
zonder meer aannemelijk dat ontuchtige handelingen in de eerste plaats
gericht zijn op het eigenbelang (het bevredigen van een behoefte) en niet of
nauwelijks op de gevolgen ervan.

Volledige tekst

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

A heeft RVS ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en bij
mondelinge conclusie van eis gevorderd zoals weergegeven in de dagvaarding.
RVS heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De advocaat van A en de advocaat van RVS hebben de zaak bepleit,
overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.
Daarbij zijn van beide zijden producties in het geding gebracht.
Aan het eind van de mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden
om partijen in de gelegenheid te stellen te trachten in onderling overleg tot
overeenstemming te geraken.
Bij faxbericht van 1 november 2001 heeft de advocaat van A de president
bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en heeft zij
namens A verzocht vonnis te wijzen.

DE VASTSTAANDE FEITEN

a. Bij vonnis van 31 oktober 2000 van de meervoudige strafkamer van de
rechtbank te Zutphen is de heer B veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de
duur van achttien maanden (met terbeschikkingstelling en dwangverpleging),
wegens (onder meer) het plegen van ontuchtige handelingen jegens (de destijds
minderjarige) A in de periode 1982-1989.

b. Bij schrijven van 14 maart 2001 heeft de raadsvrouw van A, namens haar
cliënte, B aansprakelijk gesteld voor de door A geleden schade als gevolg van
voormelde ontuchtige handelingen (hierna verder aan te duiden als: seksueel
misbruik). Voorts heeft zij B verzocht haar mede te delen of hij een
WA-verzekering had in de periode dat het misbruik plaatsvond, in welk geval
zij middels een cessie in de gelegenheid wenste te worden gesteld om de zaak
rechtstreeks met de verzekeraar af te handelen.

c. Bij schrijven van 18 mei 2001 heeft mr. Doornbos, die B bijstond tijdens
het strafproces, mr. Decoz bericht, dat hij contact had gehad met de
assurantie-tussenpersoon en de verzekeraar RVS, waarop RVS hem had meegedeeld
dat de aansprakelijkheidsverzekering van B geen dekking bood voor de claim
van A.

d. Bij vonnis van 14 september 2001 heeft de president van de rechtbank te
Zutphen op vordering van A B onder meer veroordeeld tot betaling aan A van
een bedrag van ƒ 30.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf dat moment,
bij wijze van voorschot op schadevergoeding wegens materiële en immateriële
schade.

e. Bij schrijven van 20 september 2001 heeft de SNS Bank Overijssel, waar A
een privé-rekening en een hypothecaire lening heeft, A meegedeeld dat zij
niet correct aan haar betalingsverplichting had voldaan en dat de bank de
notaris opdracht had gegeven om voorbereidingen te treffen voor openbare
verkoop van haar woning, in welke woning behalve A ook haar echtgenoot en hun
drie jonge kinderen wonen. Begin oktober 2001 heeft de bank na overleg met de
raadsvrouw van A uitstel verleend tot 1 november 2001.

f. Op 8 oktober 2001 heeft B bij akte zijn vordering op de
verzekeringsmaatschappij RVS uit hoofde van een aansprakelijkheidsverzekering
aan A gecedeerd, welke akte van cessie op 24 oktober 2001 aan RVS is
betekend.

g. Op 9 oktober 2001 heeft RVS mr. Decoz schriftelijk meegedeeld dat RVS pas
op 14 juni 2001 door mr. Doornbos was benaderd met de vraag of dekking werd
geboden op grond van de particuliere aansprakelijkheidsverzekering die B bij
RVS had afgesloten. RVS meende dat op grond van artikel 6 van de algemene
bepalingen van de polisvoorwaarden de schadeveroorzakende gebeurtenis te laat
was gemeld. Voorts was RVS van mening dat de opzetclausule (artikel 6 van
rubriek B. van de polisvoorwaarden) van toepassing was, zodat de verzekering
ook om die reden geen dekking bood.

De vordering
1. A vordert thans, samengevat, RVS te veroordelen tot betaling aan A bij
wijze van voorschot op de in de bodemprocedure te vorderen schadevergoeding
een bedrag van ƒ 30.000, vermeerderd met wettelijke rente, met veroordeling
van RVS in de kosten van het geding.

2. Als grondslag voor haar vordering stelt A dat B aansprakelijk is voor de
schade die zij heeft geleden en nog altijd lijdt als gevolg van het seksueel
misbruik door B in de periode 1982-1989. B is bij vonnis van de president van
de rechtbank te Zutphen van 14 september 2001 veroordeeld tot betaling van
een voorschot schadevergoeding ten bedrage van ƒ 30.000 aan A, tegen welk
vonnis geen hoger beroep is ingesteld. B was ten tijde van het misbruik
verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid bij RVS en heeft zijn vordering
op RVS uit hoofde van deze verzekering gecedeerd aan A, zodat A thans RVS
rechtstreeks wenst aan te spreken tot betaling van voormeld bedrag aan
schadevergoeding.

3. RVS heeft verweer gevoerd op gronden welke hierna – voor zover relevant –
nader aan de orde zullen komen.

DE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

ten aanzien van het spoedeisend belang
4. A stelt dat haar gezin in de financiële problemen is geraakt, onder meer
als gevolg van diverse opnames in inrichtingen die zij heeft ondergaan in de
afgelopen jaren voor de psychische problemen die zij (nog altijd) ondervindt
als gevolg van het seksueel misbruik door B. Nu de SNS Bank heeft
aangekondigd vanwege een betalingsachterstand op korte termijn te zullen
overgaan tot openbare verkoop van de woning, waar A met haar gezin
(echtgenoot en drie jonge kinderen) woont, stelt zij spoedeisend belang te
hebben bij de onderhavige vordering.

5. RVS betwist daarentegen dat A een eigen, zelfstandig spoedeisend belang
heeft, nu zij middels cessie in de rechten van B als verzekerde is getreden.
Het gaat volgens RVS in het onderhavige geval dan ook uitsluitend om het
belang van de verzekerde ten opzichte van de verzekeraar, derhalve om een
vordering tot uitkering ter bescherming van het vermogen van de verzekerde,
en niet om het belang van het slachtoffer. Bovendien is de
betalingsachterstand van A slechts beperkt en is het volgens RVS nog maar de
vraag of deze verband houdt met de door A geleden schade.

6. De president is van oordeel dat het verweer van RVS niet opgaat. A is
middels cessie in de plaats getreden van B als verzekerde, en kan zich in die
hoedanigheid ten opzichte van RVS wel degelijk op een eigen (en spoedeisend)
belang beroepen. De huidige slechte financiële positie van A, die door RVS
niet wordt betwist, is, ongeacht de hoogte van de betalingsachterstand die
zij bij de SNS Bank heeft, kennelijk aanleiding geweest voor het besluit van
de bank om tot openbare verkoop van de woning van A over te gaan. Daarmee is
het spoedeisend belang van A voldoende aannemelijk geworden.

ten aanzien van de dekking door de verzekering
7. RVS betwist niet dat B in de periode 1982-1989, dat het misbruik van A
plaatsvond, bij RVS verzekerd was voor wettelijke aansprakelijkheid. RVS is
echter -bij wege van primair verweer- van mening dat dekking door een
aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (ook wel AVP-verzekering
genoemd) van schade, zoals die door B aan A is toegebracht, op grond van de
artikelen 3:40 en 3:41 BW in strijd moet worden geacht met de openbare orde
en de goede zeden. Bovendien is het in strijd met de bij de uitvoering van de
verzekeringsovereenkomst in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (art.
6:248 BW) dat een verzekering dergelijke schade dekt.

8. Dit verweer moet worden verworpen. De verzekering dekt ingevolge artikel 2
van de polisvoorwaarden ‘de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade
(…) ontstaan of veroorzaakt door letsel, aantasting van de gezondheid of
overlijden van personen, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende schade;
(…).’ In artikel 6 van de polisvoorwaarden van de AVP-verzekering van RVS
wordt vervolgens een uitgebreide opsomming van hetgeen van aansprakelijkheid
en derhalve van dekking door de verzekering is uitgesloten. Niet van dekking
is uitgesloten de aansprakelijkheid voor schade als gevolg van
geweldsmisdrijven. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld mishandeling,
maar ook aan seksueel misbruik. Net zomin als lichamelijk letsel, ontstaan
als gevolg van bijvoorbeeld mishandeling, van dekking door de verzekering is
uitgesloten, worden vooralsnog geen gronden aanwezig geacht op grond waarvan
seksueel misbruik, al dan niet te beschouwen als een vorm van (ernstige)
mishandeling, wel van dekking door een AVP-verzekering zou zijn uitgesloten.
Er zijn vele schadeveroorzakende gebeurtenissen/handelingen (waaronder
geweldsmisdrijven) denkbaar die als strijdig met de openbare orde of goede
zeden kunnen en moeten worden beschouwd, maar object van de in het geding
zijnde verzekeringsvorm zijn vooralsnog niet die gebeurtenissen, maar is de
dekking bij aansprakelijkheid van de verzekerde voor de uit die
gebeurtenissen voortvloeiende schade, voor zover de aansprakelijkheid voor
die schade niet onder de opzetclausule van de verzekeringsovereenkomst valt
(waarover later meer) danwel uitdrukkelijk in de polisvoorwaarden van dekking
is uitgesloten.

9. Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat RVS zich ingevolge artikel 7 van de
polisvoorwaarden bevoegd acht om aan een verzekerde die in rechte wordt
aangesproken of tegen wie strafvervolging wordt ingesteld rechtskundige
bijstand te verlenen. Dit wijst erop dat ook rekening is gehouden met de
mogelijkheid, dat aansprakelijkheid van een verzekerde kan ontstaan als
gevolg van strafrechtelijk handelen.

ten aanzien van de meldingsplicht van de verzekerde

10. RVS stelt, subsidiair, dat B, al dan niet mij monde van zijn toenmalige
raadsman, de schade niet tijdig aan RVS heeft gemeld, terwijl dat op grond
van artikel 6 van de algemene bepalingen van de polisvoorwaarden ‘zo spoedig
mogelijk’ had moeten gebeuren. Nu geen sprake is geweest van tijdige melding,
is er volgens RVS ook om die reden geen grond voor uitkering.

11. Dit verweer wordt eveneens verworpen. De verplichting tot melding van
schade in het kader van een AVP-verzekering ontstaat niet eerder dan dat de
verzekerde (civielrechtelijk)
aansprakelijk is gesteld. Dit betekent dat in het onderhavige geschil van een
verplichting tot melding aan de verzekeraar vóór 14 maart 2001 geen sprake
was.

12. Over het tijdsverloop tot aan het moment van de aansprakelijkstelling in
maart 2001 wordt het volgende overwogen. Na de aangifte door A in maart 2000
is aanvankelijk (en wellicht vanzelfsprekend) eerst de strafrechtelijke weg
bewandeld. Tijdens het strafproces heeft A tevens een (civielrechtelijke)
vordering tot schadevergoeding ingediend, welke vordering tot een bedrag van
ƒ 1.500 is toegewezen. Na de strafrechtelijke veroordeling van B in oktober
2000 hebben A en haar raadsvrouw zich kennelijk beraden op verdere stappen.
Dat heeft enige tijd gevergd. A stelt dat dit vooral kwam door haar
psychische gesteldheid in die periode, als gevolg waarvan zij toen ook enige
tijd in een inrichting opgenomen is geweest. Vervolgens heeft A via haar
raadsvrouw op 14 maart 2001 B schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de door
haar geleden schade. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan vanaf dat moment
in beginsel pas sprake zijn van een meldingsplicht voor de verzekerde. Uit de
overgelegde producties en hetgeen ter zitting hieromtrent door partijen is
aangevoerd, kan worden afgeleid dat na de aansprakelijkstelling op 14 maart
2001 tussen de raadsvrouw van A, mr. Decoz, en de toenmalige raadsman van B,
mr. Doornbos, contact is geweest, onder meer over de mogelijkheid van dekking
van de schade door de AVP-verzekering van B. Het is bovendien aannemelijk
geworden dat mr. Doornbos in die tijd ook contact heeft gehad met de
assurantie-tussenpersoon en RVS over deze kwestie. Vast staat dat mr.
Doornbos op 18 mei 2001 daarvan in ieder geval schriftelijk mededeling doet
aan mr. Decoz. RVS schrijft in haar brief van 9 oktober 2001 aan mr. Decoz
pas op 14 juni 2001 de (eerste? of definitieve?) melding te hebben ontvangen,
hoewel zij gezien de eerder genoemde brief van mr. Doornbos van 18 mei 2001
verondersteld moet worden toch al van het een en ander op de hoogte te zijn
geweest.

13. De president is voorshands van oordeel dat ook als RVS pas medio juni
2001 de eigenlijke melding heeft ontvangen, zij daardoor niet in haar
belangen is geschaad noch daardoor is benadeeld. Noch uit de brief van RVS
d.d. 9 oktober 2001, waarin RVS schrijft de kwestie te hebben bestudeerd,
noch uit het verhandelde ter zitting blijkt dat RVS in de periode van 14
maart 2001 (de aansprakelijkheidsstelling) tot 14 juni 2001 (de
(definitieve?) melding bij RVS) onderzoek had willen dan wel kunnen doen, dat
nadien niet meer mogelijk bleek te zijn. Ook voor een eventueel onderzoek in
het kader van art. 251 Wetboek van Koophandel, dat RVS overweegt dan wel
heeft overwogen te doen, was, ook na 14 juni 2001, nog ruimschoots voldoende
tijd en gelegenheid. De melding bij RVS door B via mr. Doornbos wordt daarom
geoordeeld voldoende spoedig (tijdig) te zijn gedaan.

ten aanzien van de opzetclausule in de verzekeringsovereenkomst
14. A stelt dat de opzetclausule in de AVP-verzekering van RVS niet tot
uitsluiting van dekking leidt, omdat er in het onderhavige geval geen sprake
is van opzet aan de zijde van B. A beroept zich voor deze stelling onder meer
op een arrest van de Hoge Raad van 6 november 1998 (NJ 1999, 220).

15. RVS stelt dat voormeld arrest evenals andere uitspraken op dit punt
betrekking hebben op geweldsmisdrijven. RVS vindt dat dekking van schade als
gevolg van bijvoorbeeld een uit de hand gelopen vechtpartij wellicht nog
denkbaar is, maar zij betwijfelt of voormelde uitspraken van toepassing zijn
op schade als gevolg van seksueel misbruik, daar een dergelijk handelen in
elke omvang volgens haar onacceptabel, strafbaar en onverzekerbaar is.
Bovendien is het volgens RVS een feit van algemene bekendheid dat het plegen
van ontuchtige handelingen (seksueel misbruik) langdurige traumatische
gevolgen heeft en ernstige psychische problemen oproept. RVS stelt dat B zich
dan ook bewust was van de gevolgen van zijn handelen. Volgens de
opzetclausule is er in dit geval dan ook sprake van uitsluiting van dekking
door de verzekering.

16. Afgezien van de vraag of het al dan niet wenselijk is dat een dader van
bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf zijn schade (althans zijn aansprakelijkheid
voor die schade) zou kunnen verhalen op een verzekering – een vraag waarop in
het kader van dit kort geding in ieder geval geen antwoord valt te geven –
wordt ten aanzien van de opzetclausule het volgende overwogen. De
opzetclausule in art. 6B. van de polisvoorwaarden van RVS luidt: ‘Uitgesloten
is de aansprakelijkheid van een verzekerde van 13 jaar of ouder voor schade,
die voor hem/haar het beoogde of zekere gevolg is van zijn/haar handelen of
nalaten.’ De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak Aegon/Van der
Linden (HR 6 november 1998 (NJ 1999, 220) overwogen: ‘Een in de voorwaarden
van een aansprakelijkheidsverzekering als de onderhavige opgenomen bepaling
als de opzetclausule heeft in een geval waarin een verzekerde letsel heeft
toegebracht, geen verdere strekking dan van de dekking uit te sluiten de
aansprakelijkheid van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel
heeft beoogd of zich er van bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn
handelen zou zijn: zie HR 18 oktober 1996, nr. 16.114, NJ 1997, 326, welk
arrest in deze zin moet worden verstaan.’ De president is op grond van het
voorgaande met A van oordeel dat in het onderhavige geschil geen opzet aan de
zijde van B aangenomen kan worden in de zin en betekenis die de HR daaraan in
voormeld arrest heeft gegeven. Hoewel B wellicht had moeten weten dat zijn
handelen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid traumatische en
psychologische gevolgen/klachten zou veroorzaken, is niet aannemelijk dat
zijn handelen op dat gevolg en dat letsel was gericht. Sterker nog, ingeval
van mishandeling zal het handelen van een dader eerder zijn gericht op het
toebrengen van bepaald letsel (men wil de ander bijvoorbeeld uitschakelen
danwel bezeren/verwonden) dan bij seksueel misbruik (het plegen van
ontuchtige handelingen) het geval zal zijn. Het is zonder meer aannemelijk
dat laatstgenoemde handelingen in
de eerste plaats gericht zijn op het eigenbelang (het bevredigen van een
behoefte) en niet of nauwelijks op de uiteindelijke gevolgen daarvan.

17. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de vordering van A zal
worden toegewezen.

18. Als de in het ongelijk gestelde partij zal RVS in de kosten van de
procedure worden verwezen.

DE BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding,

veroordeelt RVS om aan A te betalen wij wijze van voorschot op de in een
bodemprocedure te vorderen schadevergoeding een bedrag van ƒ 30.000 (zegge:
dertigduizend gulden), vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag met
ingang van 23 oktober 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de
tegenwaarde daarvan in Euro’s;
veroordeelt RVS in de kosten van deze procedure aan de zijde van A bepaald op
ƒ 2.287,23, waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank ƒ 2.144,73
(op rekeningnr. 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem), te
weten:
a. ƒ 1.550 voor salaris,
b. ƒ 167,23 voor in debet gestelde exploitkosten,
c. ƒ 427,50 voor in debet gesteld griffierecht
en het restant ad ƒ 142,50 aan de procureur van A wegens haar eigen aandeel
in het griffierecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Drabbe