Instantie: Hoge Raad, 27 april 2001

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Uitlatingen die een beschuldiging van seksueel misbruik en satanische
rituelen inhouden zijn in casu onrechtmatig, ondanks het feit dat de
uitlatingen alleen zijn gedaan jegens de beschuldigde zelf, politie en
hulpverleners. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid bij het
bepalen van de omvang van de naar billijkheid toe te kennen immateriële
schadevergoeding en heeft de bevoegdheid om geen schadevergoeding toe te
kennen.

Volledige tekst

1. HET GEDING IN FEITELIJKE INSTANTIES

Eiseres tot cassatie – verder te noemen: [eiseres] – heeft bij exploit van 10
juni 1996 verweerder in cassatie – verder te noemen: [verweerder] -
gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd – voor zover in
cassatie van belang – [verweerder] te veroordelen aan [eiseres] wegens
schadevergoeding te betalen de som van ƒ 5.000 althans een ander door de
Rechtbank naar billijkheid vast te stellen bedrag, met wettelijke rente vanaf
de dag van de dagvaarding tot aan die der algehele voldoening. [Verweerder]
heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 december
1997 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 20 mei 1999 heeft
het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit
arrest gehecht.

2. HET GEDING IN CASSATIE

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van
het beroep.
3. BEOORDELING VAN HET MIDDEL

3.1 In cassatie gaat het om het volgende.
[Eiseres] is de moeder van [verweerder]. [Verweerder] heeft haar op 22 april
1996 een brief geschreven met de zinsneden:

“Ik heb inmiddels aangifte gedaan en er loopt een onderzoek naar je. (…) De
moorden, sexueel misbruik en satanische rituelen die je mij en je andere
kinderen hebt aangedaan zijn nooit te vergeven.”

3.2 [Eiseres] heeft – voor zover in cassatie van belang – in dit geding de
onder 1 vermelde vordering jegens [verweerder] ingesteld en heeft daaraan ten
grondslag gelegd dat [verweerder] haar in haar eer en goede naam heeft
geschaad. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de uitlatingen de eer en goede
naam van [eiseres] aantasten, maar heeft onvoldoende grond aanwezig
geoordeeld om naar billijkheid aan [eiseres] een schadevergoeding toe te
kennen.

3.3 Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe
overwogen dat het de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne maakt, die
inhouden dat de in de uitlatingen van [verweerder] vervatte aantijging
ernstig is en dat in deze procedure onvoldoende feitelijke grond is
aangevoerd ter ondersteuning van het verwijt, zodat de uitlatingen van
[verweerder] de eer en goede naam van [eiseres] aantasten (rov. 4.2).

3.4 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de uitlatingen van [verweerder]
onrechtmatig zijn jegens [eiseres], ondanks het feit dat de uitlatingen
alleen zijn gedaan jegens [eiseres], familieleden, de politie en
hulpverleners. Het Hof deelt het oordeel van de Rechtbank dat er in dit geval
onvoldoende grond is om aan [eiseres] een schadevergoeding toe te kennen; in
het bijzonder wegens de tussen partijen bestaande familierelatie en het
beperkte bereik van de gedane uitlatingen, acht het Hof geen gronden van
billijkheid aanwezig om enige geldelijke vergoeding voor het geleden nadeel
toe te kennen (rov. 4.3 en 4.4).

3.5 Onderdeel 1 bevat geen klacht. Onderdeel 2.1.a keert zich tegen het
oordeel van het Hof dat er in dit geval onvoldoende grond is om aan [eiseres]
een schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat, nu vaststaat dat
de uitlatingen van [verweerder] de eer en goede naam van [eiseres] aantasten,
[eiseres] ten minste recht heeft op enige schadevergoeding.

3.6 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet het volgende tot uitgangspunt
worden genomen. Volgens art. 6:106 BW heeft de benadeelde in geval van nadeel
dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te
stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had
zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde in zijn eer of goede
naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de
zinsnede: “een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding” en uit het
in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 6 geciteerde gedeelte
van de memorie van antwoord bij genoemde bepaling volgt dat de rechter die op
de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, een discretionaire
bevoegdheid heeft met betrekking tot het bepalen van de omvang van die
schadevergoeding. De rechter mag met alle omstandigheden van het geval
rekening houden bij de begroting van de schade en hij heeft de bevoegdheid
om, indien hij daartoe gronden aanwezig oordeelt, geen schadevergoeding toe
te kennen.

3.7 Het onderdeel faalt. De daardoor bestreden overwegingen van het Hof
geven, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 3.6 is overwogen, niet
blijk van een onjuiste rechtsopvatting. ‘s Hofs oordeel dat in de door het
Hof vermelde omstandigheden geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om
enige geldelijke vergoeding toe te kennen is ook niet onbegrijpelijk en
behoefde geen nadere motivering. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat
het Hof heeft geoordeeld dat er eerst recht op vergoeding van immateriële
schade bestaat indien daartoe gronden van billijkheid bestaan, kan het bij
gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.8 De onderdelen 2.1.b en 2.1.c kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks
behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de onderdelen niet
nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid
of de rechtsontwikkeling.

4. BESLISSING

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

CONCLUSIE A-G MR. HARTKAMP

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) Eiseres tot cassatie, [eiseres], is de moeder van verweerder in cassatie,
[verweerder]. [Verweerder] heeft [eiseres] op 22 april 1996 een brief
geschreven met de zinsneden: “Ik heb inmiddels aangifte gedaan en er loopt
een onderzoek naar je. (…) De moorden, sexueel misbruik en satanische
rituelen die je mij en je andere kinderen hebt aangedaan zijn nooit te
vergeven.” ÃNOOT 1#4#1Ž

2) [Eiseres] heeft bij exploot van 10 juni 1996 [verweerder] gedagvaard te
verschijnen voor de rechtbank te Amsterdam en onder meer gevorderd dat
[verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van
ƒ 5.000, wegens immateriële schade, doordat [verweerder] haar in haar eer en
goede naam heeft geschaad. ÃNOOT 2#4#2Ž [Verweerder] heeft zich bij zijn
verweer tegen de vorderingen op het standpunt gesteld dat de beschuldigingen
wel degelijk waar zijn en dat hij slechts aan een beperkt aantal personen
uitlatingen in die zin heeft gedaan, nl. aan zijn moeder, zijn hulpverlener
en aan de politie. De rechtbank heeft bij vonnis van 17 december 1997
geoordeeld dat de in de uitlatingen vervatte aantijging ernstig is en dat
onvoldoende feitelijke grond is aangevoerd ter onderbouwing van het verwijt.
Daarop concludeert de rechtbank dat de uitlatingen de eer en goede naam van
[eiseres] wel degelijk aantasten. Desondanks acht de rechtbank in het gegeven
geval onvoldoende grond om naar billijkheid [eiseres] terzake een
schadevergoeding als gevorderd toe te kennen (r.o. 8).

3) Van dit vonnis is [eiseres] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te
Amsterdam, dat het vonnis bij arrest van 20 mei 1999 heeft bekrachtigd.
Daartoe heeft het hof overwogen dat het het oordeel van de rechtbank tot het
zijne maakt. Daaraan voegt het hof nog toe dat met name vanwege de tussen
partijen bestaande familierelatie en het beperkte bereik van de gedane
uitlatingen het hof geen gronden van billijkheid aanwezig acht om enige
geldelijke vergoeding voor het geleden nadeel op zijn plaats te achten (r.o.
4.2 t/m 4.4).

4) Van dit arrest is [eiseres] tijdig in cassatie gekomen. In cassatie
bestrijdt zij de afwijzing van haar vordering tot schadevergoeding.
[Verweerder] is niet verschenen. [Eiseres] heeft haar standpunt nog
schriftelijk toegelicht.

BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL.

5) Onderdeel 1 van het cassatiemiddel bevat een inleiding. Onderdeel 2.1.a
klaagt dat het oordeel van de rechtbank, waarmee het hof zich heeft verenigd,
geen steun vindt in het recht. Volgens het onderdeel volgt uit art. 6:106 BW
dat indien vast staat dat de benadeelde in zijn eer of goede naam is
geschaad, zoals in casu, hij ten minste recht heeft op enige
schadevergoeding. Het onderdeel vervolgt dat in art. 6:106 BW niet kan worden
gelezen dat eerst recht op schadevergoeding bestaat indien daarvoor grond in
de billijkheid is. Hieraan doet niet af, volgens het onderdeel, dat de hoogte
van de schadevergoeding naar billijkheid wordt vastgesteld.
Als ik het goed zie, leest de steller van het middel de uitspraken van
rechtbank en hof, als zou eerst een recht op schadevergoeding bestaan indien
[eiseres] in haar eer of goede naam is geschaad en er voor dit recht grond is
in de billijkheid. Het onderdeel stelt vervolgens dat dit een onjuiste
rechtsopvatting is.
Daarmee gaat het onderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest. Naar
mijn mening hebben rechtbank en hof niet bedoeld dat de vordering tot
vergoeding van immateriële schade slechts toewijsbaar is indien daartoe grond
is in de billijkheid ÃNOOT 3#4#3Ž, doch hebben zij zich gebogen over de vraag
wat de naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding moest zijn. De
begroting hiervan raakt echter, in het geval de rechter overweegt deze
vergoeding op nihil te stellen, de vraag of er naar billijkheid wel
aanleiding is voor enige schadevergoeding. De overwegingen van rechtbank en
hof moeten in dit licht worden gezien. Dit blijkt naar mijn mening uit r.o. 8
van het vonnis van de rechtbank – waar het hof zich mee heeft verenigd – en
uit r.o. 4.4, eerste alinea, van het arrest van het hof. ‘s Hofs overweging
in r.o. 4.4, tweede alinea, moet in dat licht worden gelezen.

6) Het onderdeel stelt verder dat het hof heeft miskend dat [eiseres] ten
minste recht heeft op enige schadevergoeding. Hiermee stelt het de vraag aan
de orde of het rechtens mogelijk is de naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding op nihil te stellen, als vast staat dat sprake is van een
aantasting in eer of goede naam. Op grond van de volgende overwegingen
beantwoord ik die vraag bevestigend.
a) Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever bij de redactie
van art. 6:106 BW voor ogen stond dat de rechter grote vrijheid zou hebben
bij de begroting van immateriële schade. Hij diende daarbij rekening te
houden met alle omstandigheden van het geval. Het oorspronkelijke ontwerp van
art. 6.1.9.11 (thans art. 6:106) luidde (zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 377):

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, kan de rechter op vordering
van de benadeelde naar billijkheid, rekening houdende met alle
omstandigheden, schadevergoeding toekennen: (…)”.

Het gebruik van het woord “kan” duidt op een discretionaire bevoegdheid van
de rechter bij het toekennen van schadevergoeding. Uit de overweging die
heeft geleid tot de wijziging van deze tekst in de huidige blijkt niet van
gewijzigde inzichten over die discretionaire bevoegdheid (zie Parl. Gesch.
Boek 6, p. 380):

“De aanhef van het eerste lid is in het gewijzigd ontwerp enigszins anders
geformuleerd, zulks zowel ter verkrijging van een simpeler redactie als om
duidelijker te doen uitkomen dat de benadeelde in beginsel recht op de hier
bedoelde schadevergoeding heeft en dat zijn desbetreffende vordering dus niet
afhankelijk is van een – constitutieve – uitspraak van de rechter. Wel is aan
deze hier een nog grotere vrijheid toegekend dan bij de begroting van schade
in het algemeen. De vereenvoudigde redactie van de aanhef biedt ook zonder de
daarin aanvankelijk opgenomen uitdrukkelijke vermelding van “alle
omstandigheden van het’geval” voldoende ruimte om daarmee rekening te houden;
men vergelijke de toelichting.”

b) Relevant is verder dat er bij de begroting van de naar billijkheid vast te
stellen schadevergoeding ruimte is voor het meewegen van omstandigheden die
niet zien op de ernst van het geleden nadeel, zoals daar zijn de wederzijdse
stand en fortuin van partijen en de mate van schuld. Dit blijkt uit de
parlementaire geschiedenis; zie bijvoorbeeld de zinsnede “alle omstandigheden
van het geval” in het ontwerp Meijers en Parl. Gesch. Boek 6, p. 388. Zie ook
HR 8 juli 1992, NJ 1992, 714 en HR 17 nov. 2000, RvdW 2000, 235, waar de Hoge
Raad oordeelde dat bij de begroting van de immateriële schadevergoeding bij
letsel de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden, waaronder
begrepen de aard van de aansprakelijkheid. Zie voorts
Losbl. Schadevergoeding bij art. 6:106 (Deurvorst), aant. 55. Het feit dat ook
omstandigheden die geen verband houden met de ernst van het aan de benadeelde
toegebrachte nadeel, meegewogen kunnen worden bij de begroting van de
immateriële schade, draagt bij tot het oordeel dat deze vergoeding op nihil
kan worden gesteld ook al is er sprake van een aantasting in eer of goede
naam.

c) Bovendien is de situatie dat weliswaar vast staat dat er sprake is van
onrechtmatig handelen en – veronderstellenderwijs – van schade, doch dat toch
geen schadevergoeding wordt toegekend, op zichzelf niet onbekend. Ik wijs op
de mogelijkheid dat art. 6:101 leidt tot het aannemen van 100% “eigen schuld”
van de benadeelde. Zie HR 1 okt. 1993, NJ 1993, 761 en van de lagere
rechtspraak bijv. Hof Den Haag 15 september 1994, VR 1995, 9 m.nt. HAB (na HR
20 maart 1992, NJ 1993, 547 m.nt. CJHB).

d) Ook komt het – om dichter bij deze zaak te blijven – bij onrechtmatige
publicaties voor dat de rechter een verbod of rectificatie voldoende
genoegdoening acht en geen aanleiding ziet voor het daarnaast toekennen van
schadevergoeding. Zie voor een voorbeeld Pres. Rb. Amsterdam 28 juni 1990, KG
1990, 235.

e) Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan de rechtspraak van de Hoge Raad
en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is geoordeeld dat in
het enkele feit dat de rechter vaststelt dat van een schending van de
betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is
gelegen. Zie o.a. EHRM 19 febr. 1998, NJ 2000, 338 m.nt. EJD; HR 13 december
1996, NJ 1997, 682 m.nt. JdB; M.L. van Emmerik, Schadevergoeding bij
schending van mensenrechten, 1997, p. 139 e.v. en p. 273. Weliswaar moet deze
rechtspraak worden gezien in verband met de schending van procedurele
voorschriften in bijv. de BOPZ, doch de eraan ten grondslag liggende gedachte
kan naar mijn mening ook gelden bij situaties van belediging of schending van
eer of goede naam.

f) Overigens is dit laatste gezichtspunt problematisch tegen de achtergrond
van het omstreden arrest HR 9 oktober 1998, NJ 1998, 853. Bij dat arrest
overwoog de Hoge Raad (r.o. 3.5):

“dat het belang dat de ouders hebben bij de verklaring voor recht, te weten:
dat zij pas een zinvol begin met het verwerken van de dood van Jeffrey kunnen
maken als de aansprakelijkheid van de Vereniging is vastgesteld, een zuiver
emotioneel belang is en, hoe zwaarwegend ook, niet kan worden aangemerkt als
voldoende belang als bedoeld in art. 3:303. De ouders hebben in cassatie niet
bestreden dat het door hen gestelde belang “een zuiver emotioneel belang” is.
Door voormeld “zuiver emotioneel” belang niet aan te merken als “voldoende
belang” als bedoeld in art. 3:303, heeft het Hof ook overigens niet een te
beperkte betekenis toegekend aan dat begrip.”
Het strookt niet geheel met elkaar om enerzijds het zuiver emotionele belang
bij de vaststelling van aansprakelijkheid onvoldoende te achten voor het
verkrijgen van een verklaring voor recht en anderzijds wel voldoende
genoegdoening te zien in de vaststelling van een normoverschrijding. Toch zou
ik het arrest NJ 1998, 853 niet zoveel gewicht willen toekennen dat ik op
grond daarvan zou zeggen dat de rechter de naar billijkheid toe te kennen
immateriële schadevergoeding niet op nihil zou kunnen stellen. Daartoe vind
ik de argumenten voor het tegendeel te zwaarwegend.

g) Tenslotte wijs ik er nog op dat er in de literatuur voor wordt gepleit
geen immateriële schadevergoeding toe te kennen bij zogenaamde
bagatelschades. Dit zijn schades waarbij sprake is van onrechtmatig handelen
dat in beginsel kan leiden tot vergoeding van nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat, doch waarbij dit nadeel zo gering moet worden geacht
dat er geen vergoeding van immateriële schade tegenover behoeft te staan. Met
name bij aantasting van de persoon of schending van eer en goede naam, wordt
een dergelijke bagateldrempel wenselijk geacht. Zie S.D.
Lindenbergh, Smartengeld, 1998, p. 268 e.v. Op grond van het voorgaande kom ik
tot de conclusie dat ‘s hof oordeel dat de schadevergoeding naar billijkheid
op nihil kan worden gesteld, niet blijk geeft van een onjuiste
rechtsopvatting. Op de vraag of dit oordeel voldoende is gemotiveerd, zien de
twee volgende onderdelen.

7) Onderdeel 2.1.b klaagt dat, indien het hof heeft bedoeld dat [eiseres]
weliswaar recht heeft op schadevergoeding doch dat deze naar billijkheid op
nihil dient te worden gesteld, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, althans
onbegrijpelijk is. Dit omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan de
overige omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid,
de aard en ernst van de aantijgingen, en de aard, duur en intensiteit van het
geleden verdriet.
Allereerst miskent dit onderdeel naar mijn mening dat het hof het oordeel van
de rechtbank tot het zijne heeft gemaakt en dat de rechtbank haar oordeel
heeft gemotiveerd onder verwijzing naar meer omstandigheden dan de door het
onderdeel genoemde. Ik verwijs naar r.o. 6 en 7 van het vonnis van 17
december 1997, waar de rechtbank verwijst naar het feit dat [verweerder] zijn
uitlatingen eenmaal heeft gedaan en dat in het kader van de mededeling dat
hij geen contact meer wenste. De rechtbank wijst verder op de bijzondere
positie van degenen jegens wie hij die uitlatingen heeft gedaan; op het feit
dat niet is gebleken dat [verweerder] is voortgegaan zich jegens [eiseres] in
die aantijgende zin te uiten en op haar oordeel dat [eiseres] zich moeilijk
kan beklagen over mededelingen die zij zelf aan de grootouders van
[verweerder] heeft gedaan. Nu het hof het oordeel van de rechtbank dat op
deze omstandigheden is gebaseerd, tot het zijne maakt, berust de stelling van
het onderdeel dat het hof slechts verwijst naar “de tussen partijen bestaande
familierelatie” en “het beperkte bereik van de gedane uitlatingen” op een
verkeerde lezing van het arrest.
Ook de klacht dat het hof in zijn arrest uitdrukkelijk aandacht had moeten
besteden aan de in het onderdeel genoemde omstandigheden, kan naar mijn
mening niet tot cassatie leiden. De tot het vaststellen van een
schadevergoeding geroepen rechter moet de schade begroten op de wijze die het
meest met de aard ervan in overeenstemming is. De wijze van begroting van
schade is sterk met de feiten verweven en kan in zoverre in cassatie niet op
juistheid worden getoetst. Aan de motivering op dit punt kunnen geen strenge
eisen worden gesteld. De rechter is bij die begroting ook niet gebonden aan
de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs (HR 18 april 1986, NJ 1986, 567
m.nt. G; HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 m.nt. F.W. Grosheide; HR 16
oktober 1998, NJ 1999, 196; 17 nov. 2000, RvdW 2000, 235. De vaststelling van
het bedrag van een schadevergoeding “naar billijkheid” dient eveneens te
geschieden met inachtneming van de algemene regels betreffende de begroting
van schade, derhalve op de wijze die het meest met de aard van de schade in
overeenstemming is. Deze schade laat zich slechts intuïtief schatten. (HR 8
juli 1992, NJ 1992, 714; HR 13 december 1996, NJ 1997, 682 m.nt. JdB). In
cassatie zal kunnen worden getoetst of de rechter heeft blijk gegeven van een
onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat, of ter zake van de wijze van begroting (HR 18 april
1986, NJ 1986, 567 m.nt. G; HR 8 juli 1992, NJ 1992, 714; 17 nov. 2000, RvdW
2000, 235. Hieruit blijkt dat het hof een grote vrijheid had bij het begroten
van de schade. Naar mijn mening is het oordeel van het hof begrijpelijk en
voldoende gemotiveerd, te meer nu het debat van partijen zich heeft
geconcentreerd op de vraag van de aansprakelijkheid, niet op de hoogte van de
toe te kennen schadevergoeding. Weliswaar kunnen bij de begroting van de
immateriële schadevergoeding wegens aantasting van eer of goede naam de in
het onderdeel genoemde omstandigheden van belang zijn, doch kennelijk heeft
het hof de in het arrest
gememoreerde omstandigheden in samenhang met de door de rechtbank genoemde
omstandigheden doorslaggevend geacht. Dat wil niet zeggen dat het de overige
relevante doch niet genoemde omstandigheden niet heeft meegewogen.

8) Onderdeel 2.1.c klaagt dat het, met name in het licht van de stelling van
[eiseres] dat de onrechtmatigheid juist is gelegen in de familieband en in
het licht van de vaststelling van het hof dat de uitlatingen jegens haar
onrechtmatig zijn, zonder nadere motivering niet duidelijk is waarom juist de
familierelatie en het beperkte bereik van de uitlatingen aanleiding zouden
vormen om de schadevergoeding op nihil te stellen. Ook deze klacht faalt naar
mijn mening. Kennelijk heeft het hof aan de familierelatie een matigende
werking toegeschreven. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste
rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van
de stellingen van [eiseres] daarover. Dit oordeel strijdt ook niet met het in
de schriftelijke toelichting genoemde arrest HR 11 april 1975, NJ 1975, 373.
De relevantie van een familierelatie tussen laedens en gelaedeerde is in het
geval van een verkeersfout immers geheel anders dan in het geval van een
belediging. Het oordeel daaromtrent is aan de feitenrechter voorbehouden. Het
bereik van beledigende uitlatingen kan van belang zijn bij de begroting van
de deswege verschuldigde immateriële schadevergoeding. Het hof was ook op dit
punt niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
@@TNT=
[NOOT_1]
Zie voor deze feiten r.o. 1 van het vonnis van 17 december 1997 van de
rechtbank te Amsterdam.
[NOOT_2]
Naast de vordering tot immateriële schadevergoeding waren er nog andere
vorderingen – tot rectificatie en het verstrekken van informatie – die in
cassatie niet meer van belang zijn. [Eiseres] heeft voorts bij conclusie van
repliek haar vordering nog vermeerderd, doch ook deze vermeerdering doet
thans niet meer terzake.
[NOOT_3]
De werking van art. 6:2 BW laat ik hier even buiten beschouwing. Art. 6:2 BW
kan in beginsel ook zijn werking hebben bij een vordering op grond van art.
6:162 jo 6:106 BW, doch dat is niet wat de klacht bedoelt. In deze zaak is
art. 6:2 BW in het geheel niet aan de orde geweest.

Rechters

Mrs. Mijnssen, Van der Putt-Lauwers, Aaftink, De Savornin Lohman en Kop; A-Gmr. Hartkamp