Instantie: Hof van Justitie EG, 16 september 1999

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


De CAO van Renault kent vrouwelijke werkneemsters een toelage toe als zij met
zwangerschapsverlof gaan. Mannelijke werknemers van Renault stellen dat dit
in strijd is met art 119 EG-Verdrag en dat mannelijke werknemers die vader
worden eveneens een vergoeding toekomt. Het Hof oordeelt dat art. 119 zich
niet verzet tegen verstrekking van een alleen aan vrouwelijke werknemers,
indien deze bedoeld is ter compensatie van nadelen (zoals onmogelijkheid deel
te nemen aan cursussen, een “gat” in de beroepservaring etc.). Het is aan de
nationale rechter om na te gaan of dit het geval is.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij vonnis van 24 april 1998, ingekomen bij het Hof op 15 juni
daaraanvolgend, heeft de Conseil de prud’hommes du Havre krachtens artikel
177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) een prejudiciële vraag gesteld over de
uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn
vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), richtlijn 75/117/EEG van de Raad
van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke
beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB
45, blz. 19), en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40).

2. Die vraag is gerezen in een geding tussen 0. D. Abdoulaye e.a. en de Régie
nationale des usines Renault SA (hierna: “Renault”).

3. Verzoekers in het hoofdgeding zijn mannelijke werknemers van Renault. Zij
stellen dat artikel 18 van de collectieve overeenkomst inzake de sociale
dekking van de werknemers van die vennootschap (hierna: “overeenkomst”),
onverenigbaar is met het discriminatieverbod van artikel 119 van het Verdrag,
waaraan uitvoering is gegeven bij artikel L. 140-2 van de Franse Code du
travail (Arbeidswetboek).

4. Volgens artikel 18 van de overeenkomst “wordt aan de zwangere vrouw,
wanneer zij met zwangerschapsverlof gaat, een toelage toegekend van 7 500
FF”.

5. Artikel 19 van de overeenkomst preciseert voorts, dat “gedurende het
zwangerschapsverlof dat als zodanig door de sociale zekerheid wordt vergoed,
vrouwelijke personeelsleden hun volledige nettobezoldiging ontvangen,
verminderd met de door de sociale zekerheid betaalde dagvergoedingen”.

6. Ten slotte bepaalt artikel 20 van de overeenkomst, dat “bij de adoptie van
een kind de vader of de moeder die werknemer van de onderneming is, een
bedrag van 2 000 FF ontvangt. Indien beide echtgenoten bij de onderneming
werken, kan dat recht slechts door een van hen worden uitgeoefend.”

7. Verzoekers in het hoofdgeding zijn van oordeel, dat zo sommige verschillen
in behandeling, zoals zwangerschapsverlof uitsluitend voor vrouwen,
gerechtvaardigd zijn doordat zij verband houden met de fysiologische
bijzonderheden van het geslacht, dit niet opgaat voor de toelage waarop het
hoofdgeding betrekking heeft, want de geboorte van een kind moge strikt
fysiologisch gezien enkel een zaak van de vrouw zijn, het is ten minste in
gelijke mate een sociale gebeurtenis die het hele gezin aangaat, inclusief de
vader, die niet van de toelage kan worden uitgesloten, omdat dat een
onwettige discriminatie zou zijn.

8. De verwijzende rechter is van oordeel, dat het Hof zich nog niet heeft
uitgesproken over de verenigbaarheid van een toelage als hier in geding met
artikel 119 van het Verdrag, al gaat het in zijn arrest van 13 februari 1996,
Gillespie e.a. (C-342/93, Jurispr. blz. 1-475), om een enigszins
vergelijkbare zaak.

9. De Conseil de prud’hommes du Havre heeft daarom de behandeling van de zaak
geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

“Staat het in artikel 119 EG-Verdrag en de daarop aansluitende regelingen
verankerde beginsel van gelijke beloning van man en vrouw toe, dat enkel aan
de zwangere vrouw – en dus niet aan de vader van het kind – wanneer zij met
zwangerschapsverlof gaat, een bedrag van 7 500 FF wordt uitgekeerd, in
aanmerking genomen dat

– artikel 18, in fine, van de collectieve overeenkomst van 5 juli 1991 inzake
de sociale dekking van de werknemers van de vennootschap Renault, in deze
toelage en in de betaling ervan voorziet;

– artikel 19, lid 2, van die overeenkomst voorziet in de doorbetaling van het
loon van vrouwelijke werknemers tijdens het zwangerschapsverlof?”

10. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het
in artikel 119 van het Verdrag verankerde beginsel van gelijke beloning zich
verzet tegen de betaling van een forfaitaire toelage uitsluitend aan
vrouwelijke werknemers die met zwangerschapsverlof gaan.

11. Artikel 119 van het Verdrag legt het beginsel van gelijke beloning van
mannelijke en vrouwelijke arbeiders voor gelijke arbeid vast. Deze bepaling
is nader uitgewerkt in artikel 1 van richtlijn 75/117.

12. Overeenkomstig ’s Hofs rechtspraak blijkt uit de in artikel 119, tweede
alinea, van het Verdrag gegeven definitie, dat het in bovengenoemde
bepalingen gebruikte begrip beloning alle voordelen omvat die de werkgever
direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking
betaalt. Zolang die voordelen uit hoofde van de dienstbetrekking worden
toegekend, komt het voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag niet
aan op het rechtskarakter ervan (zie, onder meer, arrest Gillespie e.a.,
reeds aangehaald, punt 12).

13. Tot de als beloning aangemerkte voordelen behoren onder meer de voordelen
die door de werkgever op grond van wettelijke bepalingen en uit hoofde van
een arbeidsbetrekking worden betaald en die tot doel hebben, de werknemers
een inkomen te bezorgen wanneer zij in door de wetgever bepaalde specifieke
gevallen de in hun arbeidsovereenkomst bedoelde werkzaamheid niet verrichten
(arrest van 4 juni 1992, Bötel, C-360/90, Jurispr. blz. 1-3589, punten 14 en
15; zie ook arresten van 27 juni 1990, Kowalska, C-33/89, Jurispr. blz.
1-2591, punt 11; 17 mei 1990, Barber, C-262/88, Jurispr. blz. 1-1889, punt
12, en Gillespie e.a., reeds aangehaald, punt 13).

14. Daar een prestatie als de toelage waarop het hoofdgeding betrekking heeft
en die de werkgever aan een werkneemster betaalt bij haar vertrek met
zwangerschapsverlof, op de arbeidsbetrekking is gebaseerd, vormt zij
bijgevolg een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en van
richtlijn 75/117.

15. Weliswaar wordt die toelage niet periodiek uitgekeerd en is zij niet aan
het loon gekoppeld, maar anders dan Renault betoogt, doet dat niet af aan
haar karakter van beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag (zie
arrest van 9 februari 1982, Garland, 12/81, Jurispr. blz. 359, punt 9).

16. Volgens ’s Hofs rechtspraak onderstelt het beginsel van gelijke beloning,
evenals het algemene non-discriminatiebeginsel waarvan het een bijzondere
uitdrukking vormt, dat de mannelijke en de vrouwelijke werknemers waarom het
gaat, zich in een vergelijkbare situatie bevinden (zie arrest Gillespie e.a.,
reeds aangehaald, punten 16-18).

17. De verenigbaarheid van een toelage als de onderhavige met artikel 119 van
het Verdrag hangt dus af van de vraag, of vrouwelijke werknemers zich ten
aanzien van die toelage in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die
van mannelijke werknemers.

18. In haar antwoord op een vraag van het Hof somt Renault verscheidene
nadelen op die vrouwelijke werknemers ondervinden ten gevolge van hun
afwezigheid van het werk wegens zwangerschapsverlof.

19. Zo komt de vrouw tijdens het zwangerschapsverlof niet in aanmerking voor
bevordering; bij haar terugkeer wordt de duur van de beroepservaring die zij
kan doen gelden, verminderd met de duur van haar afwezigheid; de zwangere
vrouw kan geen aanspraak maken op prestatiegebonden loonsverhogingen; zij kan
niet deelnemen aan opleidings- of vormingscursussen; bij haar terugkeer van
zwangerschapsverlof zal de werkneemster moeite hebben om zich weer aan het
werk aan te passen, daar dit door de nieuwe technologieën voortdurend
verandert.

20. Gelijk de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie terecht
hebben opgemerkt, verzet artikel 119 van het Verdrag zich niet tegen de
betaling van een toelage als de onderhavige uitsluitend aan vrouwelijke
werknemers, wanneer zij bedoeld is ter compensatie van nadelen als waarvan
Renault gewaagt. In dat geval bevinden mannelijke en vrouwelijke werknemers
zich immers in verschillende situaties en kan er dus geen sprake zijn van
schending van het in artikel 119 van het Verdrag verankerde beginsel van
gelijke beloning.

21. Het staat aan de nationale rechter na te gaan of dat het geval is.

22. Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat het in
artikel 119 van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke beloning zich
niet verzet tegen de betaling van een forfaitaire toelage uitsluitend aan
vrouwelijke werknemers die met zwangerschapsverlof gaan, wanneer die toelage
bedoeld is ter compensatie van nadelen die die werknemers ten gevolge van hun
afwezigheid van het werk ondervinden.

Kosten

23. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Conseil de prud’hommes du Havre bij vonnis van
24 april 1998 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Het beginsel van gelijke beloning, neergelegd in artikel 119 EG-Verdrag
(de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143
EG) verzet zich niet tegen de betaling van een forfaitaire toelage
uitsluitend aan vrouwelijke werknemers die met zwangerschapsverlof gaan,
wanneer die toelage bedoeld is ter compensatie van nadelen die die werknemers
ten gevolge van hun afwezigheid van het werk ondervinden.

Rechters

Mrs. Puissochet, Jann, Moitinho de Almeida, Gulmann en Edward