Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 16 april 1999

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen gekregen. De vader verzoekt
om gezamenlijk het gezag uit te oefenen. De moeder heeft hiertegen bezwaar
omdat tussen partijen geen goed overleg mogelijk is over de kinderen en dat
er nog regelmatig sprake is van hoogoplopende meningsverschillen. De vader
stemt ermee in dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is en dat
zij de kinderen verzorgt en opvoedt. Hij is niet voornemens zich intensief
met de opvoeding van de kinderen te bemoeien. Deze houding van de vader,
waaruit respect voor de opvoeding en verzorging van de kinderen door hun
moeder blijkt, leidt het hof tot de opvatting dat niet voldoende aannemelijk
is gemaakt dat eenhoofdig gezag in het belang is van de kinderen.

Volledige tekst

Het geding
De man en de vrouw zijn in 1991 met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 4 november 1998 is
tussen de man en de vrouw echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is
voorts aan de vrouw ten laste van de man een alimentatie toegekend van ƒ 850
per maand.
Tevens is bepaald dat aan de vrouw voortaan alleen het gezag toekomt over de
minderjarige kinderen:
S.D., geboren op 17 juli 1987,
A.S., geboren op 5 april 1993 en
F.F., geboren op 8 oktober 1995
en is de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op ƒ 300 per maand
per kind.

De man is van deze beschikking tijdig in hoger beroep gekomen en heeft
verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking
heeft op het alleen bekleden van de vrouw met het ouderlijk gezag over de
minderjarige kinderen alsmede voor zover deze beschikking betrekking heeft op
de kinderbijdrage en de alimentatie ten behoeve van de vrouw en opnieuw
beschikkende bij beschikking te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk
worden bekleed met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen, alsmede
te bepalen dat de man geen alimentatie ten behoeve van de vrouw is
verschuldigd, en te bepalen dat de man een kinderalimentatie zal betalen van
ƒ 125 per kind per maand danwel een zodanig bedrag dat het hof vermeent te
behoren.
De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend waarin zij heeft verzocht
de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man om een
omgangsregeling af te wijzen dan wel een regeling vast te stellen als het hof
vermeent te behoren.

Op 17 maart 1999 is de zaak mondeling behandeld. De vrouw is, hoewel daartoe
behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep
1. Het hof stelt vast dat voor het eerst in hoger beroep de omgangsregeling
aan de orde is gesteld. De man heeft in het petitum van zijn beroepschrift
niet om een omgangsregeling verzocht, doch daarover alleen gesproken in zijn
grieven.
Zowel uit het verweerschrift van de vrouw, als uit hetgeen de man ter zitting
naar voren heeft gebracht, blijkt dat er een omgangsregeling bestaat die goed
verloopt. De man heeft om de veertien dagen gedurende een zaterdag contact
met zijn kinderen.
Indien de man deze regeling vastgelegd wenst te zien, of een uitgebreidere
regeling wenst, dient hij zich tot de rechtbank te wenden met een verzoek
daartoe.

2. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vrouw belast met het gezag over de
drie minderjarige kinderen van partijen. In hoger beroep heeft de man zich
daartegen verzet. In eerste aanleg en in haar verweerschrift in hoger beroep
heeft de vrouw naar voren gebracht dat tussen partijen geen goed overleg
mogelijk is over de kinderen en dat er nog regelmatig sprake is van hoog
oplopende meningsverschillen.
Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard dat hij ermee instemt dat het
hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is, en dat zij ze verzorgt en
opvoedt. Hij is niet voornemens zich indringend met de opvoeding van de
kinderen te gaan bemoeien.
Deze houding van de vader, waaruit respect voor de opvoeding en verzorging
van de kinderen door hun moeder blijkt, leidt het hof tot de opvatting dat
niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat eenhoofdig gezag in het belang van
de kinderen is.
Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.

3. De vrouw vormt met de minderjarige kinderen een eenoudergezin. Per maand
bedraagt haar netto inkomen uit loon ƒ 1.955. Zij heeft gesteld dat alle
schulden door haar worden afgelost en dat zij de kosten van kinderopvang moet
betalen. In hoger beroep heeft zij aangevoerd dat zij een lening heeft moeten
afsluiten bij haar werkgever om schulden mee af te betalen.
De man heeft gewezen op de eigen inkomsten van de vrouw, en op de
omstandigheid dat de vrouw in de voorlopige voorzieningenprocedure haar
verzoek tot betaling van een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud
heeft ingetrokken, waaruit naar zijn mening blijkt dat de vrouw geen of
verminderde behoefte heeft.

4. De man is 36 jaar oud. Hij werkt op de bloemenveiling. Ter zitting heeft
de man een loonstrook van december 1998 laten zien, waarop een cumulatief
netto jaarinkomen staat vermeld van ƒ 33.810. De vrouw heeft erop gewezen dat
de man naast zijn werk bij de bloemenveiling uitzendwerk verricht. De man
heeft ter zitting medegedeeld dat hij in het verleden overwerkte op de
bloemenveiling, voor welk overwerk hij zich in tijd liet uitbetalen, en welke
tijd hij weer aanwendde om uitzendwerk in te verrichten. Dit deed hij om wat
extra’s voor het gezin te verdienen, doch dit doet de man nu niet meer, ook
al omdat het niet in overeenstemming is met de ARBO-wetgeving. Het hof zal
dan ook geen rekening houden met extra inkomsten uit uitzendwerk.
De man is alleenstaand.
De man betaalt ƒ 714 per maand aan huur voor de woning die hij eind november
1998 heeft betrokken.
De man heeft een auto aangeschaft, welke hij heeft gefinancierd met een
onderhandse lening, waarvan het saldo eind november 1998 nog ƒ 7.500 bedroeg.
Hij stelt deze auto nodig te hebben, omdat hij voor zijn werk op de
bloemenveiling vaak op onregelmatige tijden aanwezig moet kunnen zijn, ook ‘s
nachts.
Het hof zal rekening houden met een aflossing van ƒ 500 per maand.
De man heeft twee zaterdagen per maand omgang met zijn drie kinderen. Aan
omgangskosten houdt het hof rekening met het forfaitaire bedrag van ƒ 120 per
maand.
Ter zitting heeft de man nog naar voren gebracht dat rekening gehouden dient
te worden met een bedrag van herinrichtingskosten voor zijn nieuwe woning. Nu
de man echter niet heeft aangetoond welke herinrichtingskosten hij heeft
moeten maken en tot welk bedrag, gaat het hof hieraan voorbij.
De man heeft aangeboden ƒ 125 per maand per kind aan kinderalimentatie te
blijven betalen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van de man naast een
kinderalimentatie van ƒ 125 per maand per kind, geen ruimte meer laat voor
een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden
vernietigd voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw en voor de kinderen,
onder vaststelling van een bijdrage voor de kinderen van ƒ 125 per maand per
kind.

Beslissing van de zaak in hoger beroep
Het hof:
– vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag vanaf heden,
en opnieuw beschikkende:
– verstaat dat de ouders vanaf heden gezamenlijk het gezag uitoefenen over
hun drie minderjarige kinderen S.D., A.S. en F.F., met inachtneming van het
hiervoor onder 2. overwogene;
– vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de alimentatie voor de
vrouw en de kinderen, en opnieuw beschikkende:
– bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie op ƒ 125
per maand per kind, voortaan bij vooruitbetaling te voldoen;
-verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst het inleidend verzoek van de vrouw, te bepalen dat de man aan haar
een bijdrage in haar levensonderhoud zal betalen van ƒ 850 per maand af;
– bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Rechters

mrs. Van den Wildenberg, Van Montfoort en Mulder