Instantie: President Rechtbank Utrecht, 14 september 1998

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Opschorting en beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke
huishouding. De gemeente heeft een vermoeden dat de ex-echtgenoot van
verzoekster niet woont op het door hem opgegeven adres. De rechter oordeelt
dat onvoldoende vaststaat dat de ex-echtgenoot zijn hoofdverblijf in de
woning van verzoekster heeft. De besluiten van de gemeente worden geschorst.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

1.1 Bij ongedateerd besluit, bij verzoekster binnengekomen op 15 juli 1998,
heeft verweerder het recht van verzoekster op uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juli 1998 opgeschort in verband met een
onderzoek naar haar woonsituatie.

1.2 Tegen dit besluit is namens verzoekster bij brief van 15 juli 1998
bezwaar ingediend bij verweerder.

1.3 Bij schrijven van dezelfde datum is tevens namens verzoekster aan de
president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde
in art. 8:81 Awb.

1.4 Bij besluit van 24 juli 1998 heeft verweerder met ingang van 30 juni 1998
verzoeksters recht op uitkering ingevolge de Abw beëindigd.

1.5 Tegen dit besluit is namens verzoekster bij brief van 28 juli 1998
bezwaar ingediend bij verweerder.

1.6 Bij schrijven van dezelfde datum is tevens namens verzoekster wederom een
verzoek gedaan als bedoeld onder 1.3.

1.7 De verzoeken zijn op 9 sept. 1998 ter zitting behandeld. waar verzoekster
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Bots, adv. te Utrecht.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, ambtenaar
van de gemeente Z.

1.8 Desgevraagd heeft verzoekster bij schrijven van 9 sept. 1998, ingekomen
bij de rechtbank op 10 sept. 1998, nog nadere stukken overgelegd.

1.9 Verweerder heeft op 10 sept. 1998 een schriftelijke reactie gegeven op
deze stukken.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge art. 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank
beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de
rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de
president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het
geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en
bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit
waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd
zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening
ontvankelijk te achten.

2.4 Verzoekster, geboren op (…) en wonende aan de P-straat (…) te Z,
ontvangt sedert 29 sept. 1979 een uitkering ingevolge de Abw, in aanvang een
uitkering voor een eenoudergezin en per 10 juni 1996 een uitkering naar de
norm voor alleenstaanden in verband met bereiken van de 18-jarige leeftijd
van haar zoon A. Verzoekster is gehuwd geweest met X. Uit dit huwelijk is A,
voornoemd. geboren. Het huwelijk is door een echtscheiding ontbonden op 8
okt. 1979. X staat ingeschreven op het adres Q-straat (…) te Z. Sedert 31
juli 1997 ontvangt hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

2.5 Op 14 nov. 1997 hebben medewerkers van Bureau Burgerzaken van de gemeente
Z gemeld dat verzoekster vermoedelijk samenwoont met X. Zij verklaarden te
hebben gezien dat X voor de woning van verzoekster aan een personenauto
sleutelde. Naar aanleiding van deze melding heeft D, senior medewerker (…)
van de gemeente Z, een rapport opgemaakt met bijlagen. gedateerd 15 dec.
1997.

In dit rapport staat onder meer het volgende beschreven:
– X gebruikt bij een postbusnummer dat bij de afdeling postbussen van de PTT
staat geregistreerd op het adres P-straat te Z;
– Blijkens gegevens van de RDW heeft X een personenauto op zijn naam staan,
merk 0, kenteken (…). Bij de RDW staat X beschreven op het adres P-straat
(…) te Z;
– Volgens informatie van Bureau Burgerzaken heeft de heer F, eigenaar van het
pand X-straat (…) te Utrecht, op 5 dec. 1997 aan deze afdeling medegedeeld
dat X niet langer woonachtig is op dat adres.

2.6 Vervolgens heeft sociaal rechercheur, tevens buitengewoon
opsporingsambtenaar (…) een onderzoek ingesteld, waarvan hij een rapport
heeft opgemaakt d.d. 15 juli 1998. In dit rapport staat, naast hetgeen onder
2.5 is weergegeven, nog het volgende vermeld:
– Op 24 juli 1989 was een anonieme melding binnengekomen dat verzoekster zou
samenwonen met haar ex-echtgenoot aan de V-dijk (…) te Z. X zou officieel
een woning huren aan de overzijde van dat pand, welke woning hij zou
onderverhuren,
– Op 28 dec. 1997 heeft verzoekster aangifte gedaan van mishandeling en
vernieling, waarbij zij zich voordeed als eigenaar van de 0, kenteken (…).
In de aangifte verklaarde zij dat de auto tijdens de vernieling bij haar voor
de deur stond. Verder verklaarde zij dat haar man haar naar de woning,
P-straat (…), bracht;
– Tijdens een onderzoek op 27 maart 1998 naar de woning Q-straat (…) te Z,
waar op 10 maart 1998 zeven personen stonden ingeschreven. is de voordeur van
de woning geopend door een negroïde Engels sprekende man. Deze verklaarde dat
hij een man genaamd X niet kende en dat deze ook niet in de woning aanwezig
was. Er werd geen toegang tot de woning verschaft. Een buurvrouw die uit de
woning Q-straat (…) kwam verklaarde dat zij nog nooit eerder iemand uit de
woning nummer (…) had zien komen;
– In de periode 16 jan. 1998 tot en met 12 mei 1998 is door meerdere leden
van de sociale recherche waargenomen dat iedere maandag tot en met zondag
eerdergenoemde 0 voor of in de nabije omgeving van de woning P-straat (…)
stond geparkeerd. Over het algemeen werd de auto ’s ochtends op dezelfde
plaats waargenomen als waar hij de avond daarvoor was aangetroffen. Verder is
meerdere malen waargenomen dat verzoekster en X met elkaar en afzonderlijk
van elkaar met deze auto reden;
– Op 29 jan. 1998 zijn verzoekster en X samen in de auto gezien;
– Op 27 maart 1998 zijn X en een jongere man voor de woning P-straat (…)
gezien terwijl zij aan genoemde auto aan het sleutelen waren. X liep in en
uit de woning;
– Op 5 april 1998 zijn verzoekster en X gezien bij de woning P-straat terwijl
zij in de auto stapten;
– Op 23 april 1998 is X gezien als bestuurder van de auto:
– Verzoekster heeft op 4 juni 1998 jegens (…) onder meer verklaard dat zij
genoemde 0 samen met X deelt en onderhoudt en dat deze bij haar voor de
woning wordt geparkeerd. Verder zou X haar naar de plaatsen brengen waar zij
naar toe wilde. Zij was een keer bij de woning van X geweest maar wist niet
exact waar hij woonde. Zij zou hem niet kunnen bereiken en wist het nummer
van zijn mobiele telefoon niet. Af en toe ging zij met X vissen. Zij heeft X
een sleutel gegeven voor het geval dat er iets met haar zou gebeuren. X zou 2
tot 4 keer bij haar komen maar hij zou niet in haar woning slapen. X zou geen
kleding en administratie of persoonlijke verzorgingsspullen in de woning van
verzoekster hebben. Zij heeft een levensverzekering met X als begunstigde.
waarvoor zij maandelijks een bedrag aan premie betaalt;
– X heeft op 4 juni jegens (…) de verklaring van verzoekster in grote
lijnen bevestigd;
– Op 10 juni 1998 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de woning Q-straat
(…) te Z. X en F verklaarden beiden met elkaar in één kamer van deze woning
te wonen. Er werd bijna geen kleding van X aangetroffen.

2.7 De door verzoekster bij schrijven van 9 sept. 1998 overgelegde stukken
betreffen een drietal polissen van levensverzekeringen, afgesloten bij Nieuwe
Hollandse Lloyd Levensverzekeringsmaatschappij N.V., waarbij als
verzekeringnemer telkens X is aangegeven en als verzekerde verzoekster, A
respectievelijk X. Als premie voor deze verzekeringen en is in totaal
maandelijks verschuldigd ƒ 37,05.

2.8 Verweerder heeft in eerste instantie het recht op uitkering ingevolge de
Abw met ingang van 1 juli 1998 opgeschort, en vervolgens na onderzoek naar de
woonsituatie van verzoekster dit recht beëindigd met ingang van 30 juni 1998.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster vanaf 14 nov.
1997 weer in gezinsverband is gaan samenwonen met X. Verweerder heeft zich
hierbij gebaseerd op de hierboven bedoelde rapporten.
Het inkomen van X is hoger dan de bijstandsnorm die voor beiden geldt, zodat
verzoekster per genoemde datum geen recht meer heeft op een
bijstandsuitkering, aldus verweerder.

2.9 Verzoekster heeft gesteld dat van samenwoning geen sprake is (geweest).
Zij is van mening dat de onderzoeksresultaten niet tot de conclusie kunnen
leiden dat zij en X het gezamenlijk hoofdverblijf hebben in de woning aan de
P-straat
(…).
Hierbij heeft verzoekster er nog op gewezen dat X. in het verleden heeft
beschikt over een sleutel van haar woning, doch dat hij niet in de woning
kwam wanneer zij niet thuis was. Zij had deze sleutel aan hem gegeven voor
het geval er iets met haar zou gebeuren. Bovendien heeft hij deze sleutel
omstreeks maart 1998 aan haar teruggegeven.
Verzoekster en X onderhouden betrekkingen met elkaar, mede vanwege de
gezamenlijke verantwoordelijkheid voor hun zoon A, aldus verzoekster.

2.10 Ingevolge art. 3, vierde lid, aanhef en onder a, Abw wordt – voor zover
hier van belang – een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht
indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij
met elkaar gehuwd zijn geweest. Vast staat dat verzoekster en X met elkaar
gehuwd zijn geweest. Dat betekent derhalve, dat voor de beoordeling van het
recht van verzoekster op uitkering van doorslaggevend belang is het antwoord
op de vraag of sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf van verzoekster en
X in dezelfde woning.

2.11 In dit verband wordt allereerst geconstateerd dat in de woning aan de
P-straat (…) te Z geen huisbezoek heeft plaatsgevonden. Objectieve gegevens
in de woning die wijzen op het gebruik daarvan door X ontbreken derhalve. Dat
verweerder, zoals ter zitting is verklaard, hiervan heeft afgezien omdat dit
als een te vergaande maatregel werd beschouwd. doet hieraan niet af. Verder
is blijkens de rapportages slechts één maal waargenomen dat X bij het pand
P-straat (…) naar binnen en/of naar buiten ging, bij welke gelegenheid X
aan de gezamenlijke auto van hem en verzoekster aan het sleutelen was. Dit is
te meer relevant nu uit het onderzoeksrapport blijkt dat er gedurende een
ruime periode, te weten van 16 jan. 1998 tot en met 12 mei 1998 door sociale
rechercheurs waarnemingen zijn verricht bij de woning van verzoekster. De
overige waarnemingen hebben voor een belangrijk deel betrekking op het
gezamenlijk gebruik door verzoekster en X van de auto, welk gegeven door
verzoekster ook is erkend doch waaruit bezwaarlijk de dwingende conclusie kan
worden getrokken dat sprake is van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Dit
geldt evenzeer voor het gegeven dat het kenteken van de auto staat
geregistreerd op het adres P-straat (…).

2.12 De bevindingen betreffende het pand Q-straat (…) doen het vermoeden
rijzen dat X niet in dat pand woonachtig is, ondanks dat hij op dat adres
staat ingeschreven. Echter, indien al moet worden aangenomen dat X niet in
dat pand woont, volgt daaruit nog niet dat hij dus in de woning aan de
P-straat (…) zijn hoofdverblijf heeft. Dat het
postbusnummer van X staat beschreven op het adres P-straat kan op zichzelf
evenmin tot deze conclusie leiden. Overigens heeft X hieromtrent jegens (…)
voornoemd, verklaard dat hij genoemd adres heeft opgegeven omdat hij
problemen heeft met sommige mensen en niet wil dat zij achter zijn adres
kunnen komen.

2.13 Onvoldoende is derhalve komen vast te staan dat verzoekster en X beiden
het hoofdverblijf hebben in de woning P-straat (…) te Z, zodat niet kan
worden gesproken van een gezamenlijke huishouding. In dit verband zij
opgemerkt dat de overgelegde polissen van verzekering het vorenstaande niet
anders maken, nu niet valt in te zien dat deze betrekking hebben op de vraag
of sprake is van hoofdverblijf in vorenbedoelde zin. Hierbij wordt erop
gewezen dat in het kader van eerdergenoemde bepaling niet relevant is of
belanghebbenden blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Hetgeen verweerder heeft gesteld ten aanzien van de voormalige woning van
verzoekster aan de V-dijk (…) te Z, waar eveneens sprake zou zijn geweest
van samenwoning met X, doet voor het onderhavige geschil evenmin ter zake.

2.14 Geoordeeld moet worden dat de bestreden besluiten niet op een
zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en evenmin berust op een genoegzame
motivering, waardoor deze besluiten naar verwachting in rechte niet zullen
kunnen worden gehandhaafd. Gelet hierop alsmede gezien verzoeksters
financiële situatie als gevolg van het beëindigen c.q. opschorten van de
bijstandsuitkering is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige
voorziening in de vorm van schorsing van de bestreden besluiten met ingang
van de datum waarop de verzoeken daartoe op de griffie van de rechtbank zijn
ontvangen.

2.15 Het voorgaande betekent dat er aanleiding is verweerder te veroordelen
in de kosten die verzoekster redelijkerwijs voor de behandeling van de
verzoekschriften heeft moeten maken. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit
proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1420 als zijnde de proceskosten en op
ƒ 4,75 als reiskosten. Aangezien aan verzoekster op 7 sept. 1998 toevoegingen
zijn verleend onder nummer 4CC4714 respectievelijk nummer 4CC8777 dienen deze
kosten aan de griffier te worden voldaan. Het door verzoekster betaalde
griffierecht ad in totaal ƒ 55 dient eveneens te worden vergoed.

2.16 Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De president:

3.1 schorst de onder 1.1 en 1.4 weergegeven besluiten;

3,2 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van
ƒ 1424,75, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.3 bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad ƒ 55
aan haar vergoedt;

3.4 wijst de gemeente Z aan als de rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3
genoemde bedragen dient te betalen.

Rechters

Mr. Slump