Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 januari 1998

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vereniging wil zich richten op het exploiteren van vervoersmiddelen
voor het betaald vervoer van personen. Het is de bedoeling om de vervoersmiddelen
alleen te verhuren aan vrouwen. De vereniging vraagt de Commissie of dit
is toegestaan.
Een voorkeursbeleid voor vrouwen is toegestaan als er sprake is van een
achterstand voor vrouwen in het betreffende type werk. De Commissie acht
het niet aannemelijk dat de achterstand van vrouwen in dit beroep zodanig
is dat dit een uitsluiting van mannen rechtvaardigt. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 september 1997 verzocht (….) te Amsterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of de plannen voor de voorgenomen productie en
exploitatie van een nieuw soort personenvervoermiddel in overeenstemming
zijn met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is voornemens in de stad Amsterdam een personenvervoermiddel
te gaan produceren en exploiteren. Zij wil daartoe een coöperatieve vereniging
oprichten. De bedoeling is dat het vervoermiddel alleen wordt verhuurd
aan leden van die op te richten coöperatieve vereniging. Overwogen wordt
alleen vrouwelijke leden toegang te verlenen. Verzoekster stelt de vraag
of hiermee overeenkomstig de wetgeving gelijke behandeling wordt gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en aanvankelijk
een onderzoek ingesteld volgens de vereenvoudigde procedure. Op grond van
artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling kan
de Commissie daartoe besluiten als zij het vermoeden heeft dat er sprake
is van kennelijk onderscheid. Naderhand heeft de Commissie besloten het
verzoek op de gewone wijze te behandelen omdat zij behoefte heeft aan nadere
informatie. Verzoekster is derhalve opgeroepen voor een zitting op 2 december
1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– dhr. (….) (directeur)
– mw. mr. (….) (fiscaal jurist)

van de kant van de Commissie
– mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster stelt zich ten doel de productie en exploitatie van een
nieuw soort personenvervoermiddel voor de binnenstad van Amsterdam.
Een (….) wordt omschreven als een wendbaar, gemakkelijk en vooral betaalbaar
personenvervoermiddel in een modern jasje. In het voertuig bevinden zich
een chauffeursstoel en een bank voor twee passagiers achterin. De maximale
snelheid bedraagt 30 kilometer per uur. Het is de bedoeling dat het voertuig
als alternatieve taxi geëxploiteerd gaat worden. Uit een marktonderzoek
is naar voren gekomen dat daarvoor een doelgroep is. Bij het winkelend
publiek, toeristen en forenzen bestaat grote belangstelling voor deze vorm
van vervoer.

3.2. Verzoekster is voornemens een verhuurbedrijf voor deze vervoermiddelen
op te richten. Het plan is om een constructie te ontwerpen, waarbij toekomstige
chauffeurs van de voertuigen deelnemen in een coöperatieve vereniging door
middel van een lidmaatschap. De vervoermiddelen worden dan door verzoekster
verhuurd aan leden van de coöperatie (met uitsluiting van anderen). Deze
ondernemingsvorm is gebruikelijk in de taxibranche. De chauffeur zal als
zelfstandige ondernemer de werkzaamheden uitoefenen. De chauffeur moet
voldoen aan verschillende voorwaarden ingesteld door de coöperatieve vereniging.
De chauffeurs zullen een onderpand moeten storten van ƒ 500,- per persoon
om schade te dekken. Daarnaast zullen de vervoermiddelen WA verzekerd zijn.

Gedacht wordt om in de beginfase te starten met 50 Bemobiels, zodat er
195 personen fulltime werkzaam zullen zijn. Het zal ook mogelijk worden
om in deeltijd te participeren. Verzoekster is van plan voor te schrijven
dat alleen vrouwen mogen toetreden tot de coöperatieve vereniging, om daarbinnen
een zelfstandig vrij beroep uit te oefenen. De coöperatieve vereniging
stelt zich daarmee mede ten doel een bijdrage te leveren aan de achterstand
van vrouwen op de arbeidsmarkt en met name binnen de sector van het personenvervoer.

3.3. Volgens opgave van de Vervoersbond FNV was per november 1997 de verhouding
tussen de bij die bond aangesloten leden werkzaam in de taxibranche als
volgt verdeeld: Totaal aantal leden 2872, waarvan 590 vrouwen; Totaal aantal
kaderleden 524, waarvan 94 vrouwen.

Uit de Sociale atlas van de Vrouw blijkt voorts dat herintredende vrouwen
een relatief laag opleidingsniveau hebben, en dat deze groep een slechts
geringe kans maakt op het vinden van een baan. (Hooghiemstra en M. Niphuis-Nell,
Sociale Atlas van de Vrouw, Rijkswijk, januari 1993, p. 38-39.)

Het standpunt van verzoekster

3.4. Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Verzoekster wil een antwoord op de vraag of haar plannen in strijd zijn
met enige (inter)nationale bepaling inzake gelijke behandeling van mannen
en vrouwen.

De initiatiefnemers van het concept hebben uitgebreide contacten gelegd
en overleg gevoerd met verschillende instanties. Verzoekster verwacht dat
de vergunning in het kader van een ontheffing van het verbod op het aanbieden
van diensten op of aan de openbare weg met een commercieel karakter zal
worden verleend. De aard van het voertuig speelt immers in op de behoefte
om de Amsterdamse binnenstad “autoluw” te maken.

Er is gekozen voor de voorwaarde dat in principe alleen vrouwen toe mogen
treden tot de coöperatieve vereniging omdat verzoekster van mening is dat
vrouwen beter dan mannen kunnen bijdragen aan het gewenste imago van klantvriendelijkheid
en service. Bijkomende reden is dat vrouwen mogelijk minder agressie oproepen
bij het publiek, en bijvoorbeeld bij taxichauffeurs, dan mannen. Tevens
biedt dit project de mogelijkheid om vrouwen met een achterstandspositie
een nieuwe kans te bieden op de arbeidsmarkt. Om de achterstandspositie
van vrouwen binnen de taxibranche aan te tonen, voert verzoekster het volgende
aan:
– Eén van de initiatiefnemers heeft in zijn jaren als taxichauffeur de
ervaring opgedaan, dat weinig vrouwelijke chauffeurs op taxi’s werkzaam
waren.
– Uit een telefonische rondvraag bij verschillende taxicentrales in Amsterdam
blijkt dat tussen de 5% en 25% van de chauffeurs vrouwelijk is. Door de
FNV afdeling vervoer is aan verzoekster medegedeeld dat in de taxibranche
één op de drie leden vrouw is.
Daarnaast is er enkele maanden geleden door de vervoersbond actief geadverteerd
om meer vrouwen te werven en een vrouwvriendelijker imago te verkrijgen.
Verzoekster stelt tevens dat het niet zo is dat er nooit mannen zouden
kunnen worden betrokken bij de exploitatie, maar vooralsnog richt zij zich
op vrouwen.

Verzoekster heeft de bedrijfsvereniging om een oordeel gevraagd terzake
van de eventuele verzekeringsplicht voor de sociale verzekeringen. Om tot
een verzekeringsplicht te komen dient er sprake te zijn van een dienstbetrekking.
Voor de aanname van een dienstverband moet aan drie criteria voldaan zijn:
1) Het betalen van loon; aan de chauffeurs zal geen loon worden uitbetaald,
maar zij zullen als zelfstandige ondernemers optreden.
2) Het persoonlijk verrichten van arbeid; de chauffeurs kunnen zich laten
vervangen door andere leden van de coöperatieve vereniging. De chauffeurs
verrichten geen persoonlijke arbeid ten behoeve van de coöperatieve vereniging.
3) Het bestaan van een gezagsverhouding tussen de chauffeurs en de coöperatieve
vereniging. De coöperatieve vereniging is een middel om de chauffeurs bij
de uitoefening van hun onderneming ter zijde te staan. De statuten zullen
door de leden worden vastgesteld.

Op grond van het bovenstaande is verzoekster van mening dat er geen sprake
is van een dienstbetrekking tussen de leden en de coöperatieve vereniging.
Zij baseert zich daarbij op de afwezigheid van de beschreven criteria alsmede
op de zelfstandigheid van de chauffeurs. Bovendien kan ingeval verzoekster
normale huurovereenkomsten sluit met de comparanten van de coöperatieve
vereniging, dat wil zeggen geen overeenkomsten met beklemmende bepalingen
die op een arbeidsovereenkomst duiden, niet gesteld worden dat verzoekster
premieplichtige werknemers in dienst heeft; verzoekster is slechts een
verhuurbedrijf.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of het voorgenomen voorkeursbeleid van verzoekster
in overeenstemming is met de wetgeving gelijke behandeling.

Het voornemen van verzoekster bevat twee elementen, namelijk:
– Het oprichten van een coöperatieve vereniging waarbij als voorwaarde
wordt gesteld dat alleen vrouwelijke chauffeurs daarvan lid mogen worden.
– Het verhuren van vervoermiddelen aan uitsluitend de leden van die coöperatieve
vereniging, waardoor alleen vrouwen als chauffeur van de betreffende vervoermiddelen
werkzaam kunnen zijn.
De Commissie zal achtereenvolgens onderzoeken of verzoekster hiermee onderscheid
maakt bij toelating tot een beroep of bedrijf (te weten het werken als
chauffeur), en of verzoekster onderscheid maakt bij het aanbieden van goederen
en diensten (bij de verhuur van de vervoersmiddelen die verzoekster gaat
exploiteren).

4.2. Voor de vraag of er sprake is van een onderscheid dat wordt gemaakt
bij de toelating tot een beroep of bedrijf is de volgende bepaling van
belang.
Artikel 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna:
WGB) bepaalt dat onderscheid is verboden met betrekking tot de voorwaarden
voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening
van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

Bij de totstandkoming van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna:
AWGB) is hieromtrent het volgende aan de orde gesteld:
‘Het geval kan zich bij voorbeeld voordoen dat de mogelijkheden voor, de
toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening en ontplooiing binnen het
vrije beroep, samenhangen met het lidmaatschap van een vereniging. In dat
geval kan de wet van belang zijn, indien ten aanzien van het lidmaatschap
onderscheid wordt gemaakt op grond van de in de wet vermelde gronden.
Niet het onderscheid dat bij de toelating tot het lidmaatschap wordt gemaakt
is verboden, maar het verbinden van gevolgen aan (het ontbreken van) dat
lidmaatschap bij voorwaarden voor, de toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening en ontplooiing binnen het vrije beroep’. (Tweede Kamer, 22
014, nr. 5, MvA, p. 19.)

In het onderhavige geval is toelating tot de op te richten coöperatieve
vereniging een voorwaarde om tot het beroep van chauffeur van het vervoermiddel
te worden toegelaten. Artikel 2 WGB is derhalve van toepassing.

4.3. Met betrekking tot het verhuren van de betreffende vervoermiddelen
is van belang artikel 7 van de AWGB.
Artikel 7 lid 1 onderdeel a AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid
op grond van geslacht bij het aanbieden van goederen en diensten en bij
het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake indien
dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Hieronder valt het verhuren van vervoermiddelen, zoals verzoekster voornemens
is te gaan exploiteren.

4.4. Verzoekster is van plan om in eerste instantie uitsluitend vrouwen
toe te laten tot de coöperatieve vereniging en ook uitsluitend met vrouwen
een contract te sluiten over de verhuur van het personenvervoermiddel.
Verzoekster voert daarmee een voorkeursbeleid bij de toelating tot het
vrije beroep van chauffeur van het betreffende vervoermiddel en bij het
verhuren van deze vervoermiddelen.
Met betrekking tot het voeren van een voorkeursbeleid zijn de volgende
bepalingen van toepassing.

Artikel 5 lid 1 van de WGB bepaalt dat van het bepaalde in artikel 2 WGB
mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in
een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden
op te heffen.
Artikel 2 lid 3 AWGB bepaalt dat het verbod van onderscheid niet geldt
indien het onderscheid beoogt vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen
ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het
onderscheid in een redelijke verhouding staat tot dat doel.

Derhalve kan zowel bij de toegang tot het vrije beroep als bij de afsluiting
van huurovereenkomsten zoals verzoekster van plan is, een voorkeursbeleid
als uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling geoorloofd zijn.

4.5. Bij de toepassing van deze uitzonderingen toetst de Commissie of het
in een concreet geval gevoerde voorkeursbeleid deugdelijk is.
De Commissie toetst dit aan de hand van de volgende criteria (Commissie
gelijke behandeling, 18 november 1996, oordeel 96-97.):
1) De achterstand moet worden vastgesteld per functiesoort en -niveau,
die corresponderen met bepaalde segmenten van het arbeidsaanbod. Deze achterstand
wordt bepaald door het concrete aandeel van vrouwen hierin te vergelijken
met het aandeel van vrouwen in het relevante potentiële aanbod op de arbeidsmarkt.
2) Per functiesoort en -niveau moet voorts worden vastgesteld of en zo
ja, welke, voorkeursbehandeling het meest geschikt is, zulks mede afhankelijk
van de mate van achterstand en het tempo waarin deze kan worden opgeheven
(proportionaliteit).
3) Bij de openlijke vermelding van een betrekking moet vermeld worden dat
een voorkeursbehandeling van toepassing is.

De Commissie sluit daarmee aan bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG), waarin een voorkeursbehandeling
van vrouwen slechts gerechtvaardigd wordt als een dergelijke maatregel
gericht is op het bestrijden van ondervertegenwoordiging van vrouwen. Het
HvJEG heeft daarbij tevens bepaald dat een voorkeursregeling vrouwen geen
absolute en onvoorwaardelijke voorrang mag garanderen, daar anders de grenzen
van de betreffende uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling
zouden worden overschreden. (HvJEG, 11 november 1997, zaak C-409/95, H.
Marshall versus
and Nordrhein-Westfalen.)

Het eerste criterium leidt ertoe dat een organisatie moet nagaan welke
functiesoorten en -niveaus binnen de organisatie een duidelijk eigen toestroom
uit de arbeidsmarkt hebben. Over het algemeen betekent dat, dat binnen
een organisatie een verdeling in functies naar bijvoorbeeld functie-inhoud
en/of beloningsniveau wordt gemaakt. Vervolgens wordt gekeken wat het specifieke
arbeidsaanbod is.

In het onderhavige geval is moeilijk te beoordelen wat precies het relevante
potentiële aanbod op de arbeidsmarkt is en in hoeverre er inderdaad sprake
is van een achterstand van vrouwen. Er is immers sprake van een nieuw type
werk. Op basis van de hierboven, onder 3.3. genoemde, gegevens acht de
Commissie evenwel aannemelijk dat er inderdaad sprake is van een achterstand.
In de enigszins vergelijkbare taxi-vervoersector hebben vrouwen namelijk
een relatief klein aandeel. Meer in het algemeen hebben herintredende laagopgeleide
vrouwen geringe kansen op toegang tot de betaalde arbeid.

4.6. De volgende vraag die dan beantwoord moet worden, is of de door verzoekster
voorgestelde vorm van voorkeursbeleid het meest geschikt is, mede afhankelijk
van de mate van achterstand, en het tempo waarin deze kan worden opgeheven.
De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.
Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt, en de Commissie heeft uit eigen
wetenschap evenmin reden om aan te nemen, dat de achterstand van vrouwen
in deze, een dergelijk zwaar middel rechtvaardigt, te weten het uitsluitend
aan vrouwen toegang verlenen tot de coöperatie vereniging waarvan de leden
gerechtigd zijn tot het huren van de vervoermiddelen. Het is ook niet voor
de hand liggend om een dergelijk vérgaand voorkeursbeleid direct toe te
passen, vóórdat met een lichter voorkeursbeleid, waarbij mannen niet worden
uitgesloten, is getracht de bestaande achterstand op te heffen.
Het voorgestelde voorkeursbeleid voldoet daarmee niet aan de door de Commissie
gehanteerde proportionaliteitseis. Daarbij kan een voorkeursbeleid dat
mannen bij voorbaat geheel uitsluit in elk geval niet gerechtvaardigd zijn,
op grond van de genoemde uitspraak van het HvJEG.
Het door verzoekster voorgestelde voorkeursbeleid is daarmee in strijd
met de gelijke behandelingswetgeving.

4.7. De overige door verzoekster genoemde redenen om zich primair te richten
op vrouwelijke kandidaten (het verminderen van agressie en bevorderen van
klantvriendelijkheid) zijn niet terug te voeren tot één van de overige
uitzonderingen op het beginsel van gelijke behandeling.

4.8. De Commissie wijst verzoekster op de mogelijkheid om zich bij de werving
voor kandidaten voor het vervoersproject meer specifiek te richten op vrouwen,
zonder evenwel mannen uit te sluiten van deelname. Mocht na verloop van
tijd blijken dat de achterstand van vrouwen gerelateerd aan het beschikbare
arbeidsaanbod blijft voortbestaan dan kunnen eventueel zwaardere middelen
overwogen worden, met dien verstande dat het niet is toegestaan om absolute
en onvoorwaardelijke voorrang aan vrouwen te geven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam in het
door haar voorgestelde beleid met betrekking tot het oprichten van een
coöperatieve vereniging voor uitsluitend vrouwelijke leden aan wie, met
uitsluiting van anderen, de mogelijkheid wordt geboden een zelfstandig
te exploiteren personenvervoermiddel te huren, onderscheid naar geslacht
in strijd met artikel 2 jo. 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen alsmede artikel 7 lid 1 onderdeel a jo. artikel 2 lid 3 Algemene
wet gelijke behandeling zal maken.

Rechters

Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix (secretarisKamer)