Instantie: Raad van Beroep Groningen, 10 april 1990

Instantie

Raad van Beroep Groningen

Samenvatting


Aan mevrouw Wilbrink wordt ingaande 1 januari 1985 een AAW-uitkering
toegekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid en een individuele grondslag van
ƒ 54,34. Mevrouw Wilbrink gaat van deze beslissing in beroep. Aangezien
naar de mening van klaagster meer vrouwen dan mannen slechts een AAW-uitkering
naar de individuele grondslag ontvangen bestaat er een vermoeden van indirecte
discriminatie. Na prejudicile vragen over deze kwestie te hebben gesteld
komt de Raad van Beroep tot de conclusie dat er geen sprake is van indirecte
discriminatie

Volledige tekst

1. Aanduiding bestreden beslissing

De beslissing van verweerder d.d 15 oktober 1985,

nr. aaw/wao 24 16-950.24.01.42.0

2. Terechtzittingen

Het geding is behandeld ter terechtzitting, gehouden te Groningen op 28
januari 1988 en 30 maart 1990

Voor klaagster respektievelijk verweerder zijn ter terechtzitting van 28
januari 1988 verschenen mevr. mr. B.I. Klaassens, advocaat en procureur te
Groningen, respektievelijk A.F. Rombout, werkzaam bij het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK) te Groningen. Ter zitting van 30 maart 1990 zijn
verschenen klaagster, bijgestaan door mevr. mr. Klaassens, voornoemd, en –
voor verweerder – mr. W.J. van Brussel, werkzaam bij het GAK te Amsterdam

3. Feiten welke de Raad als vaststaand aanneemt

Klaagster, geboren in januari 1942, werkte laatstelijk vr haar uitval
door ziekte op 9 maart 1981 enkele jaren – kennelijk vanaf 1 oktober 1978 –
als administratief medewerkster bij het Openbaar Onderwijs te Groningen.
Haar werktijd omvatte gemiddeld 18 uur per week. Naar mededeling van haar
gemachtigde werkte zij in een eerdere periode fulltime, tot haar huwelijk in
1961

Klaagster is in oktober 1984 duurzaam gescheiden gaan leven van haar
echtgenoot, van wie zij op 29 oktober 1985 officieel is gescheiden. Naar
klaagsters mededeling hebben zij en haar toenmalige echtgenoot 3 kinderen
gekregen, geboren in de periode 1962-1968

Klaagster is van de zijde van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds bij
schrijven van 15 april 1985 aangemeld bij de Federatie van
Bedrijfsverenigingen met het oog op een eventuele AAW-aanspraak naast een
ABP-pensioen. Bedoeld ABP-pensioen is ingegaan op 1 februari 1984

Op 7 mei 1985 heeft klaagster ook zelf een aanvraag om AAW- uitkering
ingediend. Zij heeft desgevraagd meegedeeld dat zij gemiddeld 18 uur per
week in dienst van de gemeente Groningen werkzaam was en met die werkzaamheden
een salaris van ƒ 1.050,30 bruto per maand verdiende exclusief
vakantietoeslag (7,5%), hetgeen neerkwam op ƒ 13.548,87 per jaar; voorts, dat
zij duurzaam gescheiden leefde. Aan klaagster is (met toepassing van –
onder andere – art. 8 van de AAW) ingaande 1 januari 1985 een AAW-uitkering
toegekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid en een individuele grondslag van
ƒ 54,34. Op de uitkering is het ABP-pensioen in mindering gebracht, zodat per
dag slechts werd uitbetaald ƒ 1,04 bruto. Bij de bestreden beslissing is
aan klaagster van een en ander kennis gegeven

Bij aanvullend klaagschrift is aangevoerd (waarbij voor “artikel 10 lid
5″ thans dient te worden gelezen: artikel 10 lid 4):

– dat klaagster op grond van het feit dat zij laatstelijk minder dan 40
uur per week werkte, slechts een gedeeltelijke uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid ontvangt;

– dat de reden van het gedeeltelijk werken lag in het feit dat zij als
gehuwde vrouw de zorg had voor de huishouding en kinderen; dat de toenterijd
en nog steeds geldende gangbare opvattingen terzake onder meer tot uiting
komen in het feit dat het merendeel der deeltijdwerkenden nog steeds bestaat
uit vrouwen;

– artikel 10 lid 5 AAW meebrengt dat degenen die in deeltijd hebben
gewerkt een lagere uitkering ontvangen dan diegenen die in voltijd werken en
dat, daar ruim 80% van de deeltijdwerkenden bestaat uit vrouwen, dit meebrengt
dat artikel 10 lid 5 – indirekt – een ongunstiger effekt voor vrouwen heeft
dan voor mannen en dat deswege sprake is van indirekte discriminatie welke
niet is toegestaan volgens de zogenaamde derde EG-richtlijn zodat artikel 10
lid 5 AAW op grond van het internationale recht buiten toepassing dient te
blijven

Verzocht is te bepalen dat klaagsters AAW-uitkering naar een hogere
grondslag dient te worden vastgesteld, dan wel de kwestie als prejudicile
vraag voor te leggen aan het Europese Hof

Overgelegd zijn enkele bronnen ter staving van de gebezigde
stellingname

Namens verweerder is van contra-memorie gediend op 5 mei 1986. Daarin
is gesteld en betoogd dat en waarom noch van direkte noch van indirekte
discriminatie sprake zou zijn, en waarom voor artikel 10 lid 5 een objektief
goede reden aanwezig werd geacht

Op de contra-memorie is zijdens klaagster schriftelijk gereageerd, met
overlegging van andere gegevens

Bij schrijven d.d. 17 oktober 1986 is meegedeeld dat volgens CBS-
cijfers 75% van de deeltijdwerkers vrouwen zijn, en is naar aanleiding van het
toen recente arrest van het Hof van Justitie van de EG inzake Bilka-Kaufhaus
(arrest d.d. 13 mei 1986, nr. 170/84) ingegaan op analoge aspekten, in de
onderhavige casus en op een mogelijke rechtvaardigingsgrond

Op de stellingen zijdens klaagster is namens verweerder nog weer
gereageerd bij schrijven d.d. 7 november 1986. Gekonkludeerd is dat
kennelijk werd gewenst dat voor vrouwen de AAW-verzekering meer zou inhouden
dan de maximale door de wetgever gecreerde dekking, en ontkend werd dat een
beroep werd gedaan op een objektieve rechtvaardigingsgrond, zodat, waar ook
geen sprake werd geacht van ongelijke behandeling, een vergelijking met de
zaak Bilka-Kaufhaus niet opging

Nadat ook klaagsters gemachtigde nog weer had gereageerd, is het geding
behandeld ter zitting van 28 januari 1988, waarna de Raad een bevel heeft
gegeven als bedoeld in art. 125 der Beroepswet. In dit bevel – van 10 maart
1988 – zijn door de Raad twee prejudicile vragen voorgelegd aan genoemd Hof
van Justitie, te weten:

“1. Is een stelsel van uitkeringsrechten voor de (niet werkloze)
beroepsbevolking bij arbeidsongeschiktheid, waarbij is voorzien in uitkeringen
op het niveau van het sociaal minimum behoudens in de gevallen, dat het
voordien door de uitkeringsgerechtigde ontvangen loon mede als gevolg van het
werken in deeltijd beneden dat sociaal minimum is gebleven, in overeenstemming
met art. 4 lid 1 van Richtlijn nr. 79/7?

2. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: brengt de – alsdan
geschonden – communautaire norm dan met zich mede dat uitkeringsgerechtigden
(van beiderlei geslacht) ook in de in de vraag bedoelde
(uitzonderings-)gevallen aanspraak hebben op een voorziening tot het sociaal
minimum?”

Bij arrest van 13 december 1989 – ontvangen op 18 december 1989 – heeft
het Hof op daartoe gebezigde overwegingen en uitspraak doende op de bij bevel
van 10 maart 1988 vanwege de Raad gestelde vragen, voor recht verklaard:

“1. Art. 4 lid 1 van richtlijn nr. 79/7 van de Raad van 19 december
1978, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, dat een
bepaling van een nationale wettelijke regeling die aan arbeidsongeschikt
geworden verzekerden een sociaal minimum garandeert, van dat beginsel afwijkt
ten aanzien van verzekerden die voordien in deeltijd hebben gewerkt, en het
bedrag van de uitkering beperkt tot het voorheen genoten loon, wanneer deze
maatregel een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij die
wettelijke regeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets
van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht

2. Wanneer passende maatregelen ter uitvoering van art. 4 lid 1 van
richtlijn nr. 79/7 ontbreken en er sprake is van indirecte discriminatie door
toedoen van de Staat, moet de door die discriminatie benadeelde groep op
dezelfde wijze worden behandeld als de andere uitkeringsgrechtigden, waarbij
die regeling, zolang aan de richtlijn geen correcte uitvoering is gegeven, het
enig bruikbare referentiekader blijft. “

Het arrest is in kopie aan deze uitspraak gehecht; er wordt korth
eidshalve naar verwezen

Verweerders administrateur heeft bij schrijven d.d. 16 februari 1990
opmerkingen kenbaar gemaakt waartoe het arrest van genoemd Hof hem aanleiding
gaf

Ter zitting van 30 maart 1990 hebben partijen hun standpunt nader
uiteengezet

Van klaagsters zijde is onder meer betoogd:

– dat het Hof in zijn uitspraak tot een duidelijke en niet voor meerdere

leg vatbare konklusie in voor klaagster gunstige zin komt;

– dat in een situatie waarin het Hof tot een zo duidelijke uitspraak
komt – als hoogste rechter inzake de uitleg van Europees recht – er voor de
nationale rechter geen ruimte meer is om van dat standpunt af te wijken;

– dat het Hof duidelijk heeft aangegeven binnen welke grenzen er nog wel
of niet sprake kan zijn van een rechtvaardigingsgrond;

– dat rechtsoverweging 16 aan duidelijkheid niets te wensen overlaat;

– dat het karakter van de AAW dit is, dat aan een arbeidsongeschikte een
minimum-inkomensgarantie wordt geboden en dat binnen het systeem van de AAW op
geen enkele wijze de hoogte van het voorheen genoten inkomen van belang is
voor de hoogte van de uitkering;

– dat de AAW niet moet worden gezien als een inkomstendervingswet;

– dat uitzonderingen bij de AAW uitzonderingen zijn op de inkomenseis ex
artikel 6 AAW, welke eis hier echter niet ter diskussie staat (zij het dat ook
de verbindendheid van die eis best eens ter diskussie gesteld zou kunnen
worden bij het Hof, waarbij ook nog kan worden opgemerkt dat n van de genoemde
uitzonderingen weer in hoge mate discriminerend is voor vrouwen namelijk de
uitzondering voor zelfstandigen met een te laag inkomen, nu de fictie alleen
geldt voor degene die fulltime werkte en het zo is dat parttime werkende
vrijwel altijd de meewerkende echtgenote is die geen recht op AAW krijgt, als
het inkomen beneden de entree-eis bleef);

– dat indirekte discriminatie ook bij artikel 26 BuPo aan de orde is en
dat daarop per 1 januari 1980 een beroep kan worden gedaan, waarbij een ruime
uitleg wordt bepleit van het begrip indirekte discriminatie

Namens verweerder is onder meer aangevoerd:

– dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat met het arrest van het
Hof het doek is gevallen voor de individuele grondslag;

– dat de nationale rechter nog moet oordelen over de vraag hoe het
nationale recht zich verhoudt tot het communautaire recht, en met name over de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond;

– dat alleen rechtsoverweging 16 van het Hof nieuw is ten opzichte van
eerdere uitspraken;

– dat de indruk bestaat dat het Hof van verkeerde uitgangspunten is
uitgegaan nu blijkens rechtsoverweging 5 volledig wordt voorbijgegaan aan het
feit dat voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het geheel geen garantie tot
het sociaal minimum geldt;

– dat hetzelfde geldt voor verzekerden die in het refertejaar niet
geheel voor 40 uur hebben gewerkt (lees kennelijk: geen arbeid van normaal te
achten duur hebben verricht) of voor de seizoenarbeiders;

– dat de konklusie moet zijn dat het arrest van het Hof partijen en de
Raad niet veel verder heeft gebracht

– dat bij artikel 10 lid 5 zowel sprake is van een objektieve
rechtvaardigingsgrond (dervingsprincipe met uitkering tot een maximum, zijnde
het minimumloon-niveau) als van evenredigheid tussen middel en doel, waarbij
het pro rata-beginsel mag worden doorbroken vanwege onjuist geachte gevolgen
indien de betrokkene meer verdiende dan het minimumloon per tijdseenheid;

– dat de vraag is of artikel 26 BuPo ook ziet op indirekte discriminatie
en zo ja, of dehetzelfde uitleg geldt als bij de derde richtlijn;

voorts, dat redenen aanwezig zijn om van 23 december 1984 uit te gaan
als datum per wanneer in een geval als dit een beroep kan worden gedaan op
artikel 26 van het BuPo-Verdrag

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzittingen

5. Rechtsoverwegingen

De Raad overweegt en oordeelt als volgt

a. Nationaal recht

Beoordeeld naar de bepalingen zoals die bij en krachtens de AAW zijn
gesteld, dient de bestreden beslissing als juist te worden aangemerkt. Met
name dient op grond van die bepalingen klaagsters AAW-uitkering berekend te
worden naar de individuele grondslag, nu zij in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid niet in een voor
haar beroep normaal te achten duur in het bedrijfs- en beroepsleven heeft
verricht (zij werkte gemiddeld 18 uur per week) en mede als gevolg daarvan
minder inkomen heeft verworven dan 260 maal de grondslag van het minimumloon
(vr 1 januari 1987: 260 maal de grondslag die voor haar zou hebben gegolden
zonder toepassing van lid 5)

b. EG-Richtlijn 79/7 van 19 december 1978

Klaagsters gemachtigde heeft aangevoerd dat art. 10 lid 5 (thans lid 4)
van de AAW onverbindend is te achten wegens strijd met regels van
internationaal recht die discriminatie naar sekse verbieden en waaraan de
nationale rechter direct mag toetsen. Daartoe is – kortweg – aangevoerd:

– dat binnen het stelsel van de AAW de hoogte van de uitkering in begins
el niet is gerelateerd aan de hoogte van het vroegere arbeidsinkomen, doch aan
de hoogte van het sociaal bestaansminimum;

– dat art. 10 lid 5 (thans: lid 4) dit doorbreekt;

– dat gezien de verhouding tussen vrouwen en mannen onder de parttimers
– en in aanmerking genomen dat vooral vrouwen de zorg voor de huishouding en
de kinderen dragende binnen de gangbare maatschappelijke opvattingen, deswege
parttime werk(t)en – vrouwen onevenredig worden getroffen door de maatregel
neergelegd in het betreffende artikel

Verweerder bestrijdt dat van discriminatie – direct of indirect – sprake
is

De Raad overweegt als volgt

In de vraagstelling aan het Hof van Justitie der EG is met name het
accent gelegd op het aspect van de indirectheid van de discriminatie in de
omvang van de uitkeringsrechten. Hetgeen het Hof daarover heeft geoordeeld
en overwogen, is duidelijk en biedt niets nieuws ten opzichte van eerdere
arresten, afgezien van de inhoud van de 16e rechtsoverweging en het antwoord
op de tweede vraag

De Raad dient thans te beoordelen of de regeling van de individuele
grondslag gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht. De Raad kan zich namelijk
niet vinden in de opvatting van klaagsters gemachtigde dat het Hof deze
beoordeling reeds heeft gedaan. Niet alleen is deze beoordeling aan de
nationale rechter, zoals het Hof eerder heeft doen blijken en ook in het
onderhavige arrest vermeldt (rechtsoverweging 18), doch ook kan niet gezegd
worden dat het Hof zich over alle mogelijke rechtvaardigingsgronden heeft
uitgelaten, nu het Hof uitsluitend heeft geoordeeld over n bepaalde grond (“de
billijkheid”, zie rechtsoverweging 16)

Komende tot een beoordeling van de vraag of objectieve factoren geduid
kunnen worden als door het Hof in zijn uitspraak sub 1 aangeduid, vindt de
Raad (dan ook) aanleiding om, meer dan tot dusver althans in deze procedure is
geschied de aandacht te richten op het ontstaan van het recht op uitkering

De Raad acht het niet nodig stil te staan bij de zijdens verweerder –
niet geheel ten onrechte – opgeworpen vraag of het Hof de bij de AAW als
inkomensvoorziening in aanmerking te nemen aspecten wel alle correct heeft
verwoord en volledig onder ogen heeft gezien, bijvoorbeeld gelet op de
(financile) positie van degenen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn
geacht. De Raad oordeelt echter wel dat hij het juist acht dat van
verweerders zijde is aangevoerd dat de individuele grondslag niet alleen wordt
gehanteerd bij parttimers, maar ook bij seizoenarbeiders. Voorts moet
worden opgemerkt dat een onderscheid tussen parttime werkenden en fulltime
werkenden op zich niet verboden is; het is dan ook de stelling dat zich onder
de parttime werkenden veel meer vrouwen dan mannen bevinden die maakt dat een
onderscheid in beeld komt waarop de Derde Richtlijn betrekking heeft (evenals
art. 26 van het BuPo-Verdrag). De Raad laat overigens ook daar of al die
vrouwen die parttime werk(t)en volgens de van klaagsters zijde bijgebrachte
gegevens, vrouwen zijn met een huishouding en/of kinderen, die
verzorgingsbehoeftig zijn

De Raad acht het van wezenlijk belang dat de AAW ten tijde hier van
belang niet slechts een uitkeringsrecht doet ontstaan, indien men verzekerde
is en in een bepaalde mate arbeidsongeschikt wordt, doch eerst een
uitkeringsrecht doet ontstaan, indien de verzekerde heeft gewerkt in het
bedrijfs- of beroepsleven. Met deze verzekerden zijn gelijkgesteld:
personen die geacht worden niet in de gelegenheid te zijn geweest zich door
arbeid een inkomen te verwerven, dan wel hebben gewerkt, doch door toevallige
factoren geen loon naar werken hebben gekregen. Zo worden gelijkgesteld:

– verzekerden die reeds op hun zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt
zijn (jeugdgehandicapten)

– verzekerden die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag
waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, student waren; – ongehuwd
verzekerden waarvan de voor arbeid beschikbare tijd uitsluitend of nagenoeg in
beslag werd genomen door de verzorging van hulpbehoevende familieleden;

– verzekerden die fulltime werkzaam waren in de zelfstandige uitoefening
van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep, doch desondanks
nauwelijks of geen winst hebben gemaakt in het refertejaar;

– verzekerden waarvan de uitkering krachtens de Ziektewet, de
Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening in het refertejaar geheel
of gedeeltelijk is geweigerd

Wanneer namens klaagster wordt aangevoerd dat deze uitzonderingen
betrekking hebben op het inkomensvereiste, dan legt zij het accent niet geheel
juist, omdat het niet gaat om enig inkomen (van welke aard dan ook), maar om
inkomen uit arbeid en de mogelijkheid inkomen middels arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven te verwerven

Verweerder stelt dan ook terecht:

“Er worden derhalve slechts uitzonderingen gemaakt voor verzekerden die
niet in de gelegenheid zijn geweest voldoende inkomen te verwerven of die met
een toevallige inkomensdaling zijn geconfronteerd. De redenen die ten
grondslag liggen aan de regeling voor deze groepen verzekerden, sluiten aan
bij het inkomensdervingskarakter van de AAW. Ieder afzonderlijk hebben deze
redenen niets van doen met discriminatie naar geslacht

Wellicht dat enige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de
uitzonderingspositie die wordt gecreerd voor de ongehuwde verzekerden die
hulpbehoevende familieleden verzorgen. Echter deze groep verzekerden is
getalsmatig dusdanig gering, dat het wel erg ver zou gaan uitsluitend op basis
van deze uitzondering aan te nemen dat het element van inkomensderving in de
AAW onvoldoende tot zijn recht komt. “

Het gaat er bij het ontstaan van uitkeringsrecht op grond van de AAW n
aar ’s Raads oordeel vooral om dat de arbeid waarmee men een bepaald inkomen
kon verwerven, door arbeidsongeschiktheid niet meer kan worden aangewend als
bron van inkomen. De AAW is dan ook geen regeling om in een sociaal minimum
bij arbeidsongeschiktheid te voorzien, maar wel degelijk een verzekering met
een dervingsbeginsel

De gelijkstellingen van personen, als hiervoor opgesomd, ten opzichte
van wie klaagster zich gediscrimineerd voelt, passen geheel bij dit objectieve
beginsel en kunnen noodzakelijk worden geacht in verband met dit beginsel
Voor deze door de wetgever op grond van diens wetgevende macht gekozen
gelijkstellingen acht de Raad dan ook redenen aanwezig, die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht

De Raad moet dan ook constateren dat het gestelde in de 16e overweging
van het Hof ziet op een heel ander onderwerp. Het aspect dat de
AAW-uitkering in een aantal gevallen hoger is dan het vr intreden der
arbeidsongeschiktheid genoten inkomen, is van andere inhoud en orde dan een
benadering uitgaande van de omvang waarin men heeft gewerkt ter verkrijging
van inkomen

Degene die fulltime werkzaam was in loondienst en aanspraak had op het
wettelijk minimumloon, behoudt aanspraak op dat inkomensniveau bij volledige
arbeidsongeschiktheid. Een fulltime werkende zelfstandige had f voldoende
inkomen f moet dit bij wijze van fictie krijgen, nu de zelfstandige niet onder
de werking van de Wet op het Minimumloon en de Minimumvakantiebijslag valt

Bij parttimers geldt in wezen hetzelfde, nu echter gerelateerd aan het
aantal uren, zodat ook de uitkomst lager is dan het voltijdse minimumloon
De uitkering is niet lager dan het door arbeidsongeschiktheid gederfde
inkomen

Degene die heeft gekozen voor het parttime gaan werken, ook als dat
geschiedde om tijd te kunnen geven aan de eigen huishouding en de opvoeding
van de kinderen, kan zich dus geconfronteerd zien met het dervingsbeginsel in
die zin dat voor de AAW het dekkingsobject is de parttime verrichte arbeid
De door klaagster bepleite oplossing, uitgaande van
grondslagdiscriminatie, zou leiden tot een arbeidsloos inkomen waarbij het
dervingskarakter van arbeidsinkomen te zeer uit de AAW is gelicht

Nu zou nog bepleit kunnen worden dat degene die parttime heeft gewerkt,
bij arbeidsongeschiktheid naar rato van uren (pro rata- beginsel) aanspraak
moet hebben op een deel van het bestaansminimum/sociaal minimum

Van verweerders zijde is daarover ter zitting opgemerkt:

“De individuele grondslag is een geschikt middel om het beoogde doel
(dekking tegen inkomensderving) te bereiken. Er is geen sprake van
onevenredigheid tussen middel en doel. De Commissie heeft in dit verband
een aantal opmerkingen gemaakt over het “pro rata”-beginsel. Het Hof geeft
aan dat dit beginsel mag worden doorbroken als er rechtvaardigingsgronden
zijn. Een rechtvaardigingsgrond om het pro rata-beginsel bij de
deeltijdwerkers niet toe te passen is gelegen in de omstandigheid dat dit
beginsel ongunstig zou uitwerken bij al die deeltijdwerkers die meer dan het
minimumloon (per uur) verdiend hebben. Die zouden dan immers uiteindelijk
toch (pro-rata) een uitkering naar minimumloonniveau krijgen. Mijn
conclusie is dan ook dat er voor de individuele grondslag objectieve
rechtvaardigingsgronden bestaan. “

Dit is van klaagsters zijde niet weersproken. De Raad heeft
aanleiding om verweerder in zijn zienswijze te volgen

Al het vorenstaande houdt naar ’s Raads oordeel in een rechtvaardiging
van de grondslagregeling van de AAW door objectieve factoren die niets van
doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. De Raad wil echter nog
de volgende aspecten aanstippen

De juistheid van de aanname casu quo het uitgangspunt dat het hanteren
van een individuele grondslag bij verzekerden die niet in een voor hun beroep
normaal te achten duur hebben gewerkt (het Hof spreekt hier alleen van
deeltijdwerkers), een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, is – als
blijkt – door de Raad uitdrukkelijk niet nader beoordeeld. Het is niet op
voorhand uitgesloten dat, wanneer ook seizoenarbeiders mee in ogenschouw
worden genomen, alleen al getalsmatig een ander beeld van de verhouding mannen
– vrouwen wordt verkregen

Dat niet alle parttime werkende vrouwen gezins- of huishoudelijke
verplichtingen hebben, maar dat er ook vrouwen zullen zijn die (als het ware
sekse-neutraal) parttime willen werken om andere reden, laat de Raad ook daar

Voorts laat de Raad daar dat het in het geheel niet zeker is dat zich in
alle groepen gelijkgestelde personen ten opzichte van wie klaagster zich
gediscrimineerd voelt, in hoofdzaak mannen bevinden. Niet onaannemelijk
lijkt dat, voor zover dit het geval is, dit zou gelden bij de fulltime
werkende zelfstandigen. Juist daar is een fictie in verband met de
bescherming van arbeidsinkomen op grond van het dervingsbeginsel van de AAW
echter op zijn plaats

c. Het BuPo-Verdrag

Op grond van dezelfde argumenten als hiervoor onder a. gebezigd, moet
ook een beroep op art. 26 van het Verdrag inzake burgerlijke en politieke
rechten falen

De Raad wil aannemen dat ook indirecte discriminatie onder de
werkingssfeer van dat artikel valt, doch vindt zeker geen aanleiding om
klaagsters gemachtigde te volgen waar deze een (even) ruime hantering van dat
criterium voorstaat als in het kader van de zogenaamde Derde Richtlijn in
EG-verband wordt gehanteerd, waar volstaan wordt met getalsverhoudingen en een
daaraan ontleend vermoeden. Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van
vrij recente datum – bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 1989, AB 1990, 63 – wijzen
in een heel andere richting dan een getalscriterium als maatgevend criterium
en duiden veeleer op een andersoortige en veel beperkter toetsing. Dit zal
gevolgen (kunnen) hebben voor de bewijslast wanneer strijd met art. 26
BuPo-Verdrag wordt gesteld in het licht van indirecte discriminatie

In dat kader wil de Raad niet onvermeld laten dat hij met belangstelling
heeft kennis genomen van de conclusie van de Advocaat-Generaal inzake het
verzoek van de Raad aan het Hof van Justitie om een prejudicile beslissing in
het onderhavige geding, met name waar deze aan het Hof in overweging geeft
voor recht te verklaren:

“1. Een wettelijke bepaling op grond waarvan deeltijdwerkers bij
arbeidsongeschiktheid geen aanspraak hebben op een uitkering, die is berekend
op basis van het minimumloon, is, wanneer deze bepaling meer vrouwen dan
mannen treft, verenigbaar met art. 4 lid 1 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de
sociale zekerheid, tenzij voor de nationale rechter wordt aangetoond dat voor
deze bepaling overwegingen hebben gegolden, die in enig opzicht iets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht. “

De Raad acht hantering van een getalscriterium in dat licht een veel
te grof instrument voor het trekken van een z verstrekkende conclusie inzake
het bestaan van indirecte discriminatie

d. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad het beroep van
klaagster ongegrond verklaart. De bestreden beslissing is in
overeenstemming met de terzake verbindende bepalingen genomen en is ook
overigens juist te achten
è
Dit leidt tot het volgende dictum

6. Beslissing

De Raad van Beroep te Groningen,
..TE2:echt doende,

verklaart het beroep ongegrond

Rechters

Mr. T. Duursma, voorzitter, mrs G.R. Bakker en J.G. Wolters, leden