Leontine Bijleveld: Commentaar n.a.v. wetgevingsoverleg Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis

Op 19 januari 2026 was het eindelijk zover: in de Tweede Kamer hield de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid een wetgevingsoverleg over Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ik volgde het debat via livestream (terugkijken, ook stenografisch verslag beschikbaar via deze link) en lever hieronder commentaar.

Eerst een korte samenvatting van het voorafgaande. Het wetsvoorstel beoogt tienduizenden zorgverleners, die op minder dan vier dagen voor een PGB-houder werken, eindelijk dezelfde rechten te geven als andere werknemers, waaronder zorgverleners die op vier of meer dagen in de week voor een budgethouder werken. De uitzonderingsbepalingen van de Regeling dienstverlening aan huis (Regeling dah) in arbeidsrecht en sociale zekerheid gelden dan niet meer voor de de zorgverleners werkzaam op minder dan vier dagen voor een budgethouder..
De wetswijzing is noodzakelijk omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) eind maart 2023 oordeelde dat deze uitzonderingsbepalingen voor de PGB-zorgverleners verboden indirecte discriminatie vormden, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat – strijd met Richtlijn 79/7/EEG.

Amendementen
Amendementen op het wetsvoorstel van SGP en CDA uit december 2025 beogen de impact van de uitspraak van de CRvB te beperken. In een brief aan de leden van de Tweede Kamer (15 december 2025) legden Bureau Clara Wichmann, FNV en de VVR uit waarom dat niet kan en mag (zie uitleg op vrouwenrecht.nl).Op 15 januari 2026 heeft de VVR de brief nogmaals onder de aandacht van de woordvoerders van de verschillende fracties. Even later, vlak voor het wetgevingsoverleg, bleken SGP en CDA hun amendementen te hebben samengevoegd met nieuwe nummering. Ook van D66 en GroenLinks/PvdA  zijn er amendementen (deels samen ingediend): .
De ‘nieuwe’ samengevoegde amendementen bleven ongenoemd in een kritische email-reactie van SGP-zijde maandagochtend 19 januari aan mij. De SGP betichtte VVR cs ervan onjuiste informatie te geven over de (oude) SGP-amendementen door te schrijven dat die de wetswijziging wil beperken tot toegang tot de WW. Er had moeten staan ‘beperken tot de werknemersverzekeringen’. Grote woorden, die verwachtingen schiepen dat de SGP zelf in het wetgevingsoverleg  juiste informatie te berde zou brengen. Die verwachtingen kwamen niet uit.

Geven de SGP-amendementen PGB-zorgverleners wel toegang tot andere werknemersverzekeringen dan de WW?
In onze ogen materieel niet: de amendementen geven de betreffende PGB-zorgverleners geen toegang tot de werknemersverzekering (vangnet) Ziektewet, dat komt mede door de beperkte doorbetaling bij ziekte (maximaal zes weken). Dat het amendement PGB-zorgverleners misschien toegang zal geven tot de WIA (Wet Inkomen naar Arbeidsvermogen) in geval van arbeidsongeschiktheid na een periode van 98 weken zonder inkomen, vinden we eigenlijk, juist vanwege de lange periode zonder inkomen, ook geen toegang tot de werknemersverzekeringen. Minister Paul wees daar ook al op toen ze het betreffende amendement met nadruk ontraadde tijdens het wetgevingsoverleg.
Die 98 weken zonder inkomen worden veroorzaakt door het amendement dat beoogt voor PGB-zorgverleners werkzaam op minder dan vier dagen in de week de verkorte loondoorbetaling bij ziekte van zes weken in stand te houden (andere werknemers 104 weken).
Een ander amendement beoogt ook de toegang tot uitkeringen uit de Wet Arbeid en Zorg uit het wetsvoorstel ter halen. Dit zijn, zoals minister Paul terecht opmerkte, ook werknemersverzekeringen. Daarom ontraadt ze ook dit amendement met nadruk.
Conclusie: de SGP beperkt met de amendementen de Wet aanpassing Regeling Dienstverlening aan Huis niet tot de werknemersverzekeringen – het verwijt van de SGP naar Bureau Clara Wichmann, FNV en de VVR treft geen doel.

Knagen aan de rechtstaat
Vijf van de zeven woordvoerders (SGP, CDA, VVD, JA21, PVV) uitten direct of indirect kritiek op de uitspraak van de CRvB. In onze ogen knagen politici, die het oordeel van de hoogste rechters in Nederland ter discussie stellen, aan de rechtstaat. Een kern daarvan is immers onafhankelijk rechtspraak. Juist parlementariërs hebben, net als bewindspersonen, een voorbeeldfunctie als het gaat om het hoog houden (en het verdedigen) van de rechtstaat. Sommige woordvoerders probeerden de bewindspersonen ook een uitspraak over de  inhoud van het oordeel van de CRvB te ontlokken, maar die hielden zich daar verre van.
Daarbij wekten de betreffende woordvoerder sterk de indruk geen kennis te hebben genomen van de uitspraak zelf, niet goed te begrijpen wat indirecte discriminatie is, hoe hoog de lat ligt bij de objectieve rechtvaardigingstoets. Ook leken ze niet te begrijpen dat het uitgesloten is dat, als de CRvB in het ene geval (WW en opbouw arbeidsverleden) oordeelt dat de uitzonderingspositie in de Regeling dah voor PGB zorgverleners niet gerechtvaardigde en dus verboden indirecte discriminatie is, andere uitzonderingbepalingen (zoals loondoorbetaling bij ziekte – eveneens onder bereik van Richtlijn 79/7/EEG) voor dezelfde beroepsgroep opeens wel gerechtvaardigd zouden vinden. Als de hoogste bestuursrechter in sociale zekerheid dat oordeel is toegedaan, dan zullen hoogstwaarschijnlijk ook andere rechters in die lijn oordelen.
Op zich valt het kamerleden niet te verwijten dat ze zelf geen juridische expertise bezitten, maar ze kunnen (en moeten zelfs) deskundigen raadplegen. Als kamerlid zijn ze immers ook verantwoordelijk voor de kwaliteit en deugdelijkheid van wetgeving, zoals keer op keer geconcludeerd wordt in parlementaire enquêtes. D66 woordvoerder Neijenhuis legde het desgevraagd nog eens uit aan SGP’er Flach: als je het bij heel veel mensen en partijen checkt is de uitkomst steeds hetzelfde, dezelfde redenering zal van toepassing zijn. Nu via amendementen uitzonderingsbepalingen weer in de Regeling dah zetten, om ze dan later weer te moeten toevoegen, is jojobeleid waarmee budgethouders geen dienst wordt bewezen. Aldus Neijenhuis. Ook PGB-zorgverleners zitten daar niet op te wachten, zou ik er aan willen toevoegen.

SGP aanjager van oppositie tegen wetsvoorstel
SGP-er Flach was de eerste spreker met een uitvoerig betoog dat niet veel later op de SGP-website geplaatst is. Flach begon met het schetsen van het beeld van onmachtige budgethouders, die niet in staat zouden zijn als werkgever op te treden en slechts een behoorlijk leven kunnen leiden als zorgverleners zonder werknemersrechten dat met hun zorg mogelijk maken. Die zorgverleners zouden geëmancipeerde vrouwen zijn die alleen maar gericht zijn op het welzijn van hun cliënt en helemaal geen behoefte hebben aan sociale bescherming. In onze ogen doet Flach daarmee zowel budgethouders als zorgverleners ernstig tekort.
Flach vond het onbegrijpelijk dat de CRvB was teruggekomen op een uitspraak van 30 jaar geleden (1996), die de uitzonderingspositie van PGB-zorgverleners wel zou billijken. Alsof de maatschappij en de jurisprudentie sindsdien niet veranderd zouden zijn.. Anders dan hij stelt ging de uitspraak van de CRvB uit 1996 niet over een PGB-situatie, het woord PGB komt niet in de uitspraak voor. Het ging ook niet over publiek geld, maar over de vraag of een uit privaat geld particulier ingehuurde verpleegster arbeidsverleden had opgebouwd in die dienstbetrekking. Dit was relevant voor de duur van de WW-uitkering van de verpleegster die uit een latere ‘echte baan’ werkloos was geworden. De Regeling Dah bestond toen nog niet, wel een uitzonderingspositie voor huishoudelijk personeel in dienst van een particulier huishouden op doorgaans minder dan drie dagen.in o.a. de werknemersverzekeringen.
Met Belastingplan 2007 (ingediend 25 september 2006) is dit aantal dagen (ongemotiveerd) uitgebreid naar doorgaans minder dan vier dagen en Regeling Dah gaan heten. Anders dan Flach stelde was de Regeling Dah niet in het leven geroepen om budgethouders te ontlasten. Doelstelling was de bevordering van werkgelegenheid in de persoonlijke dienstverlening, als alternatief voor de witte-werkstersregeling. De juist voor budgethouders profijtelijke effecten, een dag meer goedkopere zorg kunnen krijgen van dezelfde zorgverleenster zijn destijds niet aan de orde geweest.. .
Veel onjuiste informatie in het betoog van Flach, maar het bontste maakte hij het waarschijnlijk in zijn antwoord op een vraag van kamerlid Patijn (GL/PvdA) dat er geen enkele aanwijzing is om te veronderstellen dat er in de toekomst meer van dit soort uitspraken worden gedaan. Dit is, vriendelijk gezegd, wensdenken. In de eigen bewoordingen van de SGP: onjuiste informatie geven.

De dilemma’s van het CDA
Het nieuwe kamerlid mevrouw Bühler was de volgende spreker. Ook zij vertrok vanuit het perspectief van de PGB-houder, die ze positioneerde als een kleine ondernemer met één of een paar personeelsleden, als het wetsvoorstel ongewijzigd aanvaard zou worden.
Zelf ondernemer plaats ik daar een kanttekening bij:
Veel ondernemers met vergelijkbaar aantal werknemers zouden tekenen voor alle gratis faciliteiten die de PGB-houder als werkgever van de SVB krijgt, waaronder:
– salarisadministratie, inclusief jaaropgave, inhouding en afdracht premies en loonbelasting, vakantiedagenadministratie e.d.;
– betaling van de transitievergoeding voor personeelsleden die min of meer onvrijwillig moeten vertrekken;
– volledige compensatie van (maximaal 104 weken) loondoorbetaling bij ziekte plus extra budget voor het inhuren van vervanging van de zieke;
– volledige arbodienstverlening, inclusief preventieadviezen, en begeleiding van ziekte werknemers;
– aansprakelijkheidsverzekering als werknemers per ongeluk iets beschadigen;
– juridisch advies en bijstand, incl. mediation, c.q. rechtsbijstandsverzekering bij onverhoopte conflicten met werknemers;
– hulp bij alle rompslomp rond opzegging en ontslagaanvraag;
– advisering bij alle arbeidsrechtelijke zaken, zowel de voor de budgethouder nieuwe werkgeversverplichtingen als de onder de Regeling dah reeds bestaande werkgeversverplichtingen.
– de financiële compensatie voor alle werkgeverspremies en -bijdragen (in ieder geval voor twee jaar).
Ik denk niet dat de echte kleine ondernemers jaloers zijn op al deze ondersteuning van de PGB-houder, omdat een PGB pas verkregen kan worden voor/door personen met een (grote) beperking. Het zet wel de vergelijking die Bühler maakte in een ander daglicht.

Inkomen bij ziekte of niet?
In haar bijdrage besteedde mevrouw Bühler geen aandacht aan de per amendement voorgestelde herinvoering van een beperkte loondoorbetaling (zes weken). Het geeft bij ziekte: geen toegang tot een uitkering van de werknemersverzekering Ziektewet, maar laat wel zieke zorgverleners zonder inkomen zitten na zes weken ziekte.
Richtlijn 79/7/EEG is glashelder over de werkingssfeer (art. 3 lid 1): ook wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen (.) ziekte (…) vallen hieronder. Dus ook de volledige loondoorbetaling bij ziekte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de uitzonderingsbepaling van de Regeling dah in strijd is met Richtlijn 79/7/EEG. Dat is dit amendement dus evenzeer.
Bühler vond kennelijk, net als sommige andere woordvoerders, dat pas als nieuwe rechtelijke uitspraken deze strijdigheid bevestigen de volledige 104 weken loondoorbetaling bij ziekte ook aan PGB-zorgverleners mag toekomen. De vraag kan opgeworpen worden of ze zich de consequentie hiervan helemaal realiseerden: zieke zorgverleners die moeten procederen tegen hun zieke budgethouder, UWV en SVB en liefst alle drie tegelijk, want anders verschuilt de een zich achter de ander.
In zo’n procedure in 2024 kreeg de zieke zorgverleenster die zonder inkomen kwam te zitten van de kortgeding rechter van Rechtbank Noord Nederland een tijdelijke voorziening toegewezen. Na uitspraak op bezwaar (door de SVB, durfde ze niet verder te procederen vanwege haar gezondheid! Heel begrijpelijk.
Met Mr. Malva Driessen schreef ik over deze zaak een annotatie hierover [1], waarin wij tevens een onderwerp aansneden dat in het geheel niet aan de orde is geweest in het wetgevingsoverleg: de perverse prikkel die uitgaat van de Rdah door zorgverleners die op minder dan vier dagen onder de uitzonderingbepalingen te laten vallen en zorgverleners met minder uren, maar wel werkzaam op vier of vijf dagen, wel volledige sociale rechten toe te kennen. De zieke zorgverleenster uit de door ons geannoteerde casus werkte 28 uur in drie lange dagen van 9 uur en 20 minuten (daar komen de wettelijk verplichte pauzes en de reistijd nog bij). Zorgverlening is in het algemeen zwaar werk. De reden om de zorgverlening van werkneemster op drie dagen te concentreren was budgettair: geen afdracht werkgevers premies werknemersverzekeringen en werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet. Zo kon de budgethouder meer uren zorg inkopen uit het toegekende PGB dan bij spreiding van de werkuren over vier of vijf dagen. Zorgplicht voor de werknemer-zorgverlener en preventie van arbeidsongeschiktheid, ook nu al werkgeversverplichting voor alle PGB-houders, kwamen op het tweede plan. Daar betaalde de zorgverleenster een dure prijs voor.

Tol slot
Mevrouw Bühler maakte aan het slot van haar betoog duidelijk dat ze goed naar het debat en vooral ook naar de reactie van de bewindspersonen zou luisteren om, met haar fractie, te kunnen beoordelen of ze haar amendementen zou handhaven of niet.
Kennelijk hebben de bewindspersonen, sommige andere kamerleden en externe experts (waaronder een brief van ondergetekende) de CDA-fractie overtuigd. De CDA-amendementen blijken deels ingetrokken te zijn, waarop Flach die van de SGP donderdag 22 januari deels opnieuw moest indienen. Het amendement dat het mogelijk maakt verschillende artikelen van de wet op een verschillend tijdstip in te voeren, afhankelijk van de uitkomst van nadere procedures is gehandhaafd. Nog steeds jojobeleid en dus onzekerheid voor PGB-houders en zorgverleners en meer procedures in het vooruitzicht. Als het amendement wordt aangenomen.

Dat maakte de stemmingen over amendementen en moties op 27 januari 2026, vandaag dus, extra spannend.

Naschrift: de stemmingen over de amendementen zijn inmiddels achter de rug. Het was lastig te volgen door het hoge tempo. Het lijkt er op dat de meeste amendementen verworpen zijn: over beperken loondoorbetalingsplicht en beperken ontslagrecht, over het laten bestaan van de wet arbeid en zorg ook, net als de uitzondering in de wet op de loonbelasting. Bij hoofdelijke stemming (tot twee maal toe) verwierp de Tweede Kamer uiteindelijk met één stem verschil ook het amendement over het schrappen van de aanpassing van de Wet flexibel werken.
Het amendement GL/PvdA over toereikend zijn van de tijdelijke compensatie (van de werkgeverslasten) voor budgethouders is aangenomen, het SGP-amendement over evaluatie over drie jaar en het D66 amendement over tenminste twee jaar ter beschikking stellen van een bedrag ter compensatie van budgethouders met een Zvw-pgb eveneens.

Alle relevante kamerstukken, inclusief het stenogram van het wetgevingsoverleg, vindt u op de website van de Tweede Kamer.
De stemmingen over het gehele wetsvoorstel zijn inmiddels verplaatst naar woensdagmiddag 4 februari 2026. Het wetsvoorstel is aangenomen.en doorgeleid naar de Eerste Kamer. De commissie SZW besluit op 10 februari 2026 over de procedure.

Leontine Bijleveld, 27 januari 2026, aangevuld 2 en 9 februari.

 

[1] R.o. 7.3 “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient aan de belangen van verzoekster meer gewicht te worden toegekend. Haar arbeidsongeschiktheid. Haar arbeidsongeschiktheid betekent dat ze ondanks een langjarig arbeidsverleden in acute financiële problemen is geraakt, terwijl dit het gevolg is van een wettelijke bepaling die inmiddels algemeen als discriminerend wordt aangemerkt (..)”