Verslag symposium over de rechten van vrouwelijke asielzoekers

Utrecht 23 november 2017

Wat is er bekend over de situatie van vrouwen in opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Nederland? Hoe staat het met hun veiligheid, hun privacy? Hoe is het gesteld met hun rechtspositie? De informatie hierover is niet altijd eenduidig.
De Vereniging voor Vrouw en Recht ‘Clara Wichmann’ (VVR) wilde in dit symposium opnieuw de stand van zaken opnemen en deze vooral in een juridisch kader bezien. Welke rechten kunnen vluchtelingenvrouwen ontlenen aan internationale verdragen, zoals het VN-Vrouwenverdrag (en Algemene Aanbeveling 32, waarin het CEDAW-Comité de verdragsverplichtingen aangaande vluchtelingen nader uitwerkt). En welke kunnen zij ontlenen aan het Europees recht, zoals de EU-Richtlijn over de opvang van asielzoekers uit 2013?

Onder dagvoorzitterschap van Katinka Lünnemann (Verwey-Jonker Instituut en vanaf de oprichting VVR-lid) spraken hierover vier deskundigen:  Mastoora Sultani (directeur Stichting Femina), Michèle van Duijn (beleidsmedewerker COA), Ariane den Uyl (beleidsmedewerker Vluchtelingenwerk Nederland) en Eva Bezem (advocaat vreemdelingenzaken en VVR-lid).
Vanuit complementaire invalshoeken benaderden zij het onderwerp van de rechten van vrouwelijke asielzoekers en wat er kan of moet worden ondernomen om deze rechten te waarborgen. In dit verslag een impressie van de middag. Dia’s van de Powerpoint presentaties die Michèle van Duijn en Ariane den Uyl gebruikten zijn als bijlage opgenomen.

Katinka Lünnemann vertelt in haar openingswoorden dat het Verwey-Jonker Instituut samen met Movisie het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) vormt. Binnen dat kader heeft recent een verkennend onderzoek plaatsgevonden naar geweld tegen vrouwen in asielzoekerscentra en hoe de samenwerking verloopt tussen de medewerkers binnen de opvangcentra en de hulpverlening daarbuiten.

 

Mastoora Sultani belicht in haar presentatie met welke problemen vluchtelingvrouwen te maken krijgen als zij in een asielzoekerscentrum (AZC) terecht komen. Zij is zelf een Afghaanse vluchtelinge, hoog opgeleid, alleenstaand en heeft met haar vijf kinderen in een AZC gewoond. Ze heeft de stichting Femina opgericht om vluchtelingenvrouwen bij te staan.

Vluchtelingenvrouwen hebben een bagage, die je niet ziet. Zij komen uit een patriarchaal land, zijn in een totaal andere cultuur opgegroeid en hebben in dat land vaak veel ellende ondervonden. Vaak zijn zij getraumatiseerd door verkrachting in het land van herkomst of op de vlucht. Nederlandse wetgeving, leefcultuur en regels sluiten niet aan op ervaringen in hun ‘vorige leven’ inclusief de vlucht. Zij zijn nu in een vrij land maar dat betekent op zichzelf nog niet dat ze zich veilig voelen.

Daar wil de stichting Femina bij helpen. Zij herkennen de problemen die vrouwen met zich meedragen. Femina wil de vrouwen bewust maken van de mogelijkheden die Nederland biedt en helpt de vrouwen om hun ‘mindset’ te veranderen. Hoe kun je werkelijk genieten van die jou onbekende vrijheid? Iedereen wil hier thuis raken.
Femina traint vrouwen, bijvoorbeeld in het niet accepteren van geweld, het anders opvoeden van kinderen en dergelijke.

Qua rechten is er een heel pregnant probleem: na (gezins)hereniging heeft de aanvrager daarvan een absolute macht over de vrouw die met hem herenigd is, want hij is statushouder. De aanvrager kan zich jegens zijn vrouw misdragen (vanuit Nederlands perspectief) in allerlei opzichten. Zij kan echter niet scheiden, want dan loopt ze een levensgroot risico te worden teruggestuurd met achterlating van haar kinderen.

Hartenkreet vanuit de zaal: Kunnen vluchtelingvrouwen bij hereniging een zelfstandige vergunning krijgen los van de partner? Ook kinderen moeten een zelfstandige status krijgen.

Vraag: Richten jullie je alleen op vrouwen, of ook op mannen?
De belangrijkste activiteiten van Femina zijn gericht op vrouwen, maar ook mannen worden betrokken.

Volgens Sultani zoeken vrouwen niet gemakkelijk hulp, laat staan dat ze aangifte doen, want zij zijn onbekend met die mogelijkheid. Als vrouwen sterker worden (empowerment)  komen zij met ondersteuning van Femina mogelijk wel tot het zoeken van hulp bij externe organisaties.

 

Michèle van Duijn werkt al geruime tijd bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Het COA is verantwoordelijk voor de kwalitatieve opvang en begeleiding van asielzoekers gedurende de asielprocedure. Het COA biedt de de begeleiding begeleiding maatwerk. Zo worden medewerkers  getraind om de begeleiding af te stemmen op kwetsbare doelgroepen in de COA opvang, waaronder vrouwen. Asielzoekers die een gevaar kunnen zijn voor anderen – in dit geval voor vrouwen – worden in een corrigerend gesprek terecht gewezen, soms zelfs op straat gezet. Desnoods worden ze overgeplaatst naar een Extra Begeleiding en Toezicht Locatie (EBTL).

Van Duijn belicht dat het COA zeker de laatste jaren meer en meer de samenwerking zoekt met NGO’s en belangenorganisaties. Zo is in 2017 een platform opgericht om de afstemming en samenwerking met externe organisaties structureel vorm te geven als het gaat om voorlichting en begeleiding rondom artikel 1 van de Grondwet. Het COA is blij met de samenwerking in pilotvorm met Femina.

Er is bij asielzoekers en vergunninghouders een grote vraag naar toeleiding naar werk. Op dit punt ontstaat enige discussie: volgens sommigen ligt de nadruk op begeleiding van mannen naar en bij een beroepsopleiding, terwijl bij de vrouwen uitgegaan wordt van een primaire oriëntatie op huishouden en verzorging van kinderen. Zij zijn zich er vaak niet van bewust dat ook ander (betaald) werk mogelijk is voor hen. Natuurlijk zijn er ook vluchtelingenvrouwen met een (hogere) opleiding, maar volgens Sultani ligt hier voor vrouwen, inclusief de hogere opgeleide vrouwen, een extra handicap. Het primaire gevoel van vrouwen na de vlucht is namelijk gericht op het verzorgen van eigen kinderen. Soms zijn vrouwen er pas na jaren aan toe om hun blik naar buiten te richten.

Vanuit de zaal wordt er op gewezen dat er een heel andere problematiek is bij vrouwen zonder verblijfsvergunning: zij kunnen moeilijk aanspraak maken op de rechten die vluchtelingen toekomen. Gezinnen, die uitgeprocedeerd zijn, worden in een gezinslocatie van het COA zoals in Amersfoort gehuisvest. Van Duijn wijst er op dat vrouwen ook in die centra als er sprake is van bijvoorbeeld medische of psychiatrische problemen zo veel mogelijk naar geschikte hulpverlening toe worden geleid. Het recht op verblijf in een gezinslocatie houdt echter op als het jongste kind 18 jaar wordt.

 Ariane den Uyl (VluchtelingenWerk Nederland) gaat in op de rechten die vrouwelijke vluchtelingen hebben, meer specifiek met betrekking tot een veilige opvang.

Het juridisch kader bestaat uit:

v  VN-Vrouwenverdrag

  • General Recommendation nr. 32 (14 nov 2014)

v  Guidelines UNHCR

  • Excom Conclusion 93 Reception
  • Handbook for the Protection of Women and Girls (2008)
  • Recommendations of Harmanisation fo Reception Standards in the EU

v  Opvangrichtlijn 2013/33/EU

v  Regeling Verstrekkingen Asielzoekers (Rva)

Met Excom Conclusion 93 (UNHCR) is  de dringende aanbeveling gedaan om gezinsleden van vluchtelingen een zelfstandige status te geven. Nederland houdt zich daar onvoldoende aan. Als een man reden heeft om te vluchten, krijgt zijn vrouw een afhankelijke status.

Een probleem is dat geweld binnen het gezin door vrouwen vaak niet wordt gemeld omdat melding betekent dat vrouwen hun (afhankelijke) asielstatus verliezen. Geweld is dus een machtsmiddel in handen van (kwaadwillende) mannen.

Vrouwen behoren geïnformeerd te worden over hun rechten in het algemeen maar ook over recht op een veilige opvang.
Door Transact (inmiddels opgegaan in Movisie) is al weer enige tijd geleden onderzoek gedaan naar welke bouwkundige arrangementen tegemoet zouden komen aan de veiligheidsrechten voor vrouwen. Transact adviseerde sanitaire voorzieningen achter de eigen deur van vrouwen aan te brengen. Ook mogen er geen ramen in de deuren naar buiten zijn aangebracht. Er mag geen sprake zijn van lange donkere gangen.
Daarnaast constateerde Transact, dat afgelegen locaties van AZC’s gevaarlijk kunnen zijn voor vrouwen en verhinderen dat de vrouwen een netwerk opbouwen – terwijl dat juist veiligheid en empowerment kan bieden.

De EU- opvangrichtlijn is bindend in alle landen van de EU. In veel landen wordt het recht op medische zorg heel beperkt uitgelegd. In Nederland is dat in principe adequaat geregeld. Het basispakket voor Nederlanders = basispakket voor vluchtelingen. Toch levert dit soms specifieke problemen op. Een voorbeeld: toen de anticonceptiepil uit het basispakket gehaald was, moesten vluchtelingvrouwen dat ook zelf gaan betalen van hun zakgeld.
Een andere complicatie bleek bij gefolterde en verkrachte vrouwen. Ook zij hebben recht op geschikte zorg. Psychologische zorg is echter kostbaar, waardoor aanvankelijk vaak werd gezegd: wacht daar maar mee tot je een verblijfsstatus hebt. Dit kan echter lang duren – te lang. Er zijn overigens tegenwoordig wel speciaal getrainde GGZ-verpleegkundigen in het AZC beschikbaar, maar doorverwijzingen worden nog steeds weinig gedaan.

VluchtelingenWerk constateert dat de Opvangrichtlijn onvoldoende is geïmplementeerd omdat ten aanzien van de bepaling dat passende maatregelen moeten getroffen om geweldpleging en gender gerelateerd geweld te voorkomen, alleen is bepaald dat er een Huishoudelijke Reglement voor een AZC moet zijn waarin maatregelen worden beschreven.

Vermelding verdient de recente aandacht voor geweld in AZC’s tegen LHBT-ers. Speciale opvang is gewenst. Dat hoeft niet een aparte AZC- locatie te zijn, maar wel bijvoorbeeld dicht bij de receptie van het AZC.
Naar aanleiding van een opmerking uit de zaal bevestigt Den Uyl dat de verplichtingen voortvloeiend uit het Istanbul Verdrag ter Voorkoming en Bestrijding van Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook van toepassing zijn op de opvang van asielzoekers en op die van uitgeprocedeerden.

Er is ook een recht op het inroepen van een vertrouwenspersoon. Die moet dus in elk AZC beschikbaar zijn. Volgens Michèle van Duijn is dit inmiddels overal geïmplementeerd. Het COA heeft gekozen voor interne functionarissen. Ten opzichte van externe vertrouwenspersonen heeft dat als voordeel dat er veel sneller kan worden gehandeld.
Vanuit de zaal wordt opgemerkt dat een interne vertrouwenspersoon juridisch onwenselijk is, omdat er sprake is van botsing van belangen. Het COA moet immers ook strafmaatregelen treffen tegen (vermeende) daders. Ook kan de rol als vertrouwenspersoon botsen met de meldingsplicht van het COA over aspecten die van belang zijn voor de IND inzake een mogelijke terugkeer van de asielzoeker.
Volgens Van Duijn willen asielzoekers graag hun verhaal kwijt bij de vertrouwde (interne) medewerker.

VluchtelingenWerk werkt samen met het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS), zowel binnen het AZC als ook daarbuiten. Er worden trainingen aangeboden. KIS beveelt ook samenwerking in een wijkgerichte aanpak aan.

Eva Bezem (advocaat vreemdelingenzaken) is de vierde inleider. Een advocaat komt pas in beeld, als de IND een voornemen heeft tot afwijzing van de asielaanvraag. Dat een advocaat niet aanwezig is vanaf het eerste gehoor, beperkt de bemoeienis van de advocaat. Deze kan de asielzoeker namelijk niet vanaf het begin inlichten over haar/zijn rechten en vertellen welke onderdelen van het vluchtverhaal belangrijk zijn voor de verblijfsstatus. Deze beperking in rechtshulp is onder meer vastgelegd in het Regeerakkoord. Er is geen groot politiek draagvlak voor rechtsbijstand aan asielzoekers. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door de grote schommelingen in de aantallen asielzoekers.

Het is erg belangrijk, dat de advocaat de partners apart van elkaar hoort, om ook het verhaal van de vrouw te horen. Bij Eritrese vrouwen is het bijvoorbeeld erg moeilijk om er achter te komen wat er werkelijk speelt.

Huiselijk geweld komt veel voor in de AZC’s. Bezem wordt inmiddels als een vertrouwde hulpverleenster ervaren. Zo doet zij dan een melding van het huiselijk geweld op het politiebureau. Huiselijk geweld kon vroeger een reden zijn om vrouwen een zelfstandige verblijfsstatus te geven. Dat wordt tegenwoordig wel moeilijk gemaakt: zo weigerde men onlangs op het politiebureau om de aangifte van huiselijk geweld op te nemen. Verder moeten vrouwen het ondervonden geweld aantonen, waarbij de lat heel hoog ligt.

Vrouwen hebben niet altijd een eigen vluchtverhaal. Voorheen maakte het niet uit of een vrouw vanaf het begin een eigen asielstatus had. Sinds de wijziging van de Vreemdelingenwet in 2014 bestaat  de mogelijkheid dat vrouwen hun verblijfsstatus verliezen bij scheiding als het huiselijk geweld niet kan worden bewezen. Daardoor is die eigen status veel belangrijker geworden.

De zogenaamde ‘nareizigers’ in het kader van de aangevraagde gezinshereniging worden gedwongen in te trekken bij de ‘referent’. De nareizigers hebben dus in principe geen zelfstandig recht op een vluchtelingenstatus; alleen als ze een eigen goed vluchtrelaas hebben. Als zij een eigen asielprocedure starten, hebben ze geen recht op opvang meer bij het COA. In feite dwingen de COA  en de IND zo de nareizigster in een ‘gedwongen’ huwelijk te blijven.
In de schaduwrapportage aan CEDAW is dit automatisme dat het hele gezin bij elkaar blijft, gemeld.
Nu ook huiselijk geweld – zelfs indien bewezen – vaak geen zelfstandige vluchtelingenstatus meer kan opleveren, wordt dit ‘gedwongen’ huwelijk nog meer versterkt.

Na de paneldiscussie  (waarvan de inhoud al is verwerkt in bovenstaande) sluit Katinka Lünnemann het symposium af onder dankzegging aan de inleiders.

Bijlage: de dia’s uit de powerpointpresentaties van Michèle van Duijn (COA) en Ariane den Uyl (VluchtelingenWerk) – zie PDF