Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 december 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers naam wordt geschreven met een ‘ü’. In het computersysteem van
de
betrokken partijen staat verzoekers naam geregistreerd met een ‘u’ zonder
trema. Verzoeker is van mening dat de betrokken partijen door zijn naam
onjuist te vermelden onderscheid maakt in de zin van de AWGB, aangezien
namen
zonder diakritische tekens wel op juiste wijze worden weergegeven.
De Commissie oordeelt dat jegens verzoeker geen direct onderscheid wordt
gemaakt omdat de onjuiste schrijfwijze zowel personen van niet-Nederlandse
afkomst als van Nederlandse afkomst treft. De Commissie oordeelt voorts
dat
van indirect onderscheid jegens hem evenmin sprake is, aangezien niet
gebleken is dat personen uit zijn etnische bevolkingsgroep -d.w.z. personen
van Nederlandse afkomst of Nederlandse nationaliteit- door het weglaten
van
diakritische tekens onevenredig worden getroffen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 juli 1997 verzocht de heer (….) te Woudenberg (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
Waterschap Vallei & Eem te Amersfoort (hierna: de wederpartij) onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekers naam wordt geschreven met een ‘ü’. In het computersysteem
van
de wederpartij staat verzoeker geregistreerd met een ‘u’ zonder trema.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij door zijn naam onjuist te
vermelden onderscheid maakt in de zin van de AWGB, aangezien namen zonder
diacritische tekens wel op juiste wijze worden weergegeven.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten nader
toe
te lichten tijdens een zitting op
24 november 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– mw. (….) (juridisch medewerker Waterschap
Vallei en Eem)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekers naam wordt geschreven met een ‘ü’. De wederpartij geeft
verzoekers naam in haar computerbestand weer met een ‘u’ zonder trema.
Het
gevolg daarvan is dat verzoeker door de wederpartij wordt aangeschreven
als
(….) en dat deze naam ook op facturen vermeld wordt.
Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit en is in Nederland geboren.

3.2. Door de Minister van Binnenlandse Zaken is op 1 september 1992 het
‘Besluit standaardschrijfwijze persoonsgegevens’ uitgevaardigd. Dit besluit
is sinds 1 januari 1993 van kracht.
Het besluit schrijft het gebruik van twee door het Nederlandse Normalisatie
Instituut ontwikkelde NEN-normen voor de elektronische uitwisseling van
persoonsgegevens dwingend voor. De NEN-norm 5825 betreft de uitwisseling
en
presentatie van adresgegevens, waarin onder meer het gebruik van diacritische
tekens is opgenomen.
Het besluit voorziet gedurende vier jaar in een overgangsregeling, waarna
toepassing in de gehele rijksdienst moet zijn gerealiseerd. Ten aanzien
van
geautomatiseerde systemen waarvan de invoering verschillende jaren in beslag
neemt en met de invoering waarvan al een begin is gemaakt voor de
inwerkingtreding van dit besluit kan worden toegestaan dat de termijn van
vier jaar wordt overschreden.

3.3. Verzoeker heeft met betrekking tot deze problematiek op 7 december
1995 een klacht ingediend bij de Nationale Ombudsman omtrent het handelen
door de Belastingdienst/Centraal Bureau Motorrijtuigbelasting Apeldoorn
(CBM). De Nationale Ombudsman heeft naar aanleiding van deze klacht het
volgende geoordeeld:
“Gelet op het proces van massale verwerking van gegevens kon van het CBM,
gezien de beperkingen van het huidige geautomatiseerd systeem, in
redelijkheid niet verlangd worden dat het op voor verzoeker bestemde
poststukken zijn naam voorzag van diacritische tekens. Hierbij wordt
bovendien in aanmerking genomen dat het CBM ingevolge het “Besluit
standaardschrijfwijze persoonsgegevens” nog niet verplicht is tot het
vermelden van diacritische tekens, aangezien dit Besluit voorziet in een
overgangsregeling, waarvan de termijn nog niet is verstreken.” (Nationale
Ombudsman, 9 september 1996, AB 1996,430.)

Verzoeker heeft voorts bezwaar en beroep aangetekend naar aanleiding van
een
door het CBM opgelegde naheffingsaanslag. Het Gerechtshof te Arnhem heeft
naar aanleiding hiervan overwogen dat een onjuiste tenaamstelling van een
aanslagbiljet in het algemeen niet kan leiden tot een belastingverplichting,
maar dat deze regel uitzondering leidt indien de tenaamstelling een zodanig
geringe onvolkomenheid bevat, dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan
voor wie het door de Belastingdienst toegezonden biljet is bestemd. Het
Hof
heeft voorts overwogen dat een uitzondering als vorenbedoeld zich in casu
niet voordoet, doch dat zulks niet wegneemt dat verzoeker er terecht bij
overheidsinstanties op aandringt te komen tot een juiste schrijfwijze van
zijn naam. (Hof Arnhem, 20 januari 1997, nr. M. 96/3044.)

3.4. Op 10 januari 1997 heeft verzoeker een klacht ingediend bij de Nationale
Ombudsman omtrent het handelen van de Dienst Wegverkeer. De Nationale
Ombudsman heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat het niet gebruiken
van
diacritische tekens in de tenaamstelling behoorlijk is gelet op het proces
van massale verwerking van gegevens en gezien de beperkingen van het huidige
geautomatiseerde systeem. Daaraan heeft de Nationale Ombudsman het volgende
toegevoegd:
“Van overheidsinstanties mag worden verlangd dat zij in beginsel in hun
correspondentie met burgers en in hun bestanden de namen van de betrokken
burgers op de juiste wijze schrijven. Dit vereiste betreft ook die namen
waarin letters voorkomen met een diacritisch teken. Dergelijke tekens mogen
wellicht in namen van Nederlandstalige origine niet veel voorkomen, dat
ligt
bepaald anders voor namen uit een aantal andere taalgebieden. Dergelijke
namen komen in Nederland in toenemende mate voor, als gevolg van de
ontwikkeling van ons land in de richting van een multiculturele samenleving.
De weergave van een diacritisch teken is één van de voorwaarden voor een
correcte schrijfwijze van de naam waarin het teken voorkomt. Dit gegeven
mag
de overheid, met het oog op de toekomst, niet negeren wanneer het gaat
om de
inrichting van geautomatiseerde systemen op het punt van de juiste
schrijfwijze van namen van geregistreerde personen. Daarbij past overigens
enig begrip voor het feit dat een eventueel noodzakelijke aanpassing op
dit
punt van bestaande systemen, vanwege financiële consequenties, niet altijd
op
korte termijn zal zijn te realiseren.” (Nationale Ombudsman, 11 juni 1997,
zaaknr. 96.05386, rapportnr. 97/223.)

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Verzoeker is van mening dat de wederpartij door zijn naam onjuist te
vermelden onderscheid maakt in de zin van de AWGB, aangezien namen zonder
diacritische tekens wel op juiste wijze worden weergegeven. Verzoeker voelt
zich in zijn standpunt gesteund door het Besluit standaardschrijfwijze
persoonsgegevens, de uitspraken van het Gerechtshof te Arnhem en van de
Nationale Ombudsman.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

Het door verzoeker gestelde onderscheid heeft geen betrekking op één van
de
in de AWGB genoemde discriminatiegronden, maar is een gevolg van een
technische onmogelijkheid.

Het gestelde onderscheid heeft bovendien geen betrekking op het aanbieden
van
goederen of diensten op zichzelf, maar op de wijze waarop verzoeker de
goederen of diensten aangeboden krijgt. De AWGB is ook om die reden niet
van
toepassing.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door verzoekers naam niet
weer
te geven met een ‘ü’ maar met een ‘u’, jegens hem onderscheid heeft gemaakt
naar ras en/of nationaliteit als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 7 lid 1 onder b AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1
AWGB,
het maken van onderscheid naar ras en/of nationaliteit onder meer bij het
aanbieden van goederen of diensten indien dit geschiedt door de openbare
dienst.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras en/of nationaliteit.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 041. nr. 3, pag. 13.).

Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon-
of
verblijfplaats (Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 014, Handelingen
22
februari 1994, pag. 1086.).

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan direct en indirect
onderscheid. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat
rechtstreeks verwijst naar één van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden, zoals ras en/of nationaliteit. Direct onderscheid
op
één van de gronden van de AWGB is verboden behoudens uitzonderingen die
in de
wet zijn opgenomen. Indirect onderscheid is onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan – onder andere – ras en/of nationaliteit
dat
direct onderscheid tot gevolg heeft.

In artikel 2, eerste lid, AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat
objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Voorafgaand aan de onder 4.1. geformuleerde rechtsvraag dient de
Commissie vast te stellen of verzoeker een beroep kan doen op een van de
genoemde wettelijke gronden waarop het verbod van onderscheid van toepassing
is. De Commissie is immers uitsluitend bevoegd vast te stellen of er strijd
met de gelijkheidsvoorschriften is en kan – anders dan in de andere door
verzoeker gevoerde procedures – zich niet uitlaten over de door de
wederpartij te betrachten zorgvuldigheid. Hiermee ontkent de Commissie
echter
geenszins het belang van een correcte schrijfwijze van een ieders naam.

4.4. Wat betreft direct onderscheid overweegt de Commissie als volgt.

Verzoeker is van Nederlandse afkomst. Dat betekent dat er in dit geval
geen
sprake is van direct onderscheid op grond van ras. Immers de onjuiste
schrijfwijze treft zowel personen van niet-Nederlandse afkomst als personen
van Nederlandse afkomst, zoals verzoeker. Als zodanig is de schrijfwijze
niet
te beschouwen als een onderscheidend criterium naar afkomst. Derhalve is
er
geen sprake van direct onderscheid op grond van ras.

Nu verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezit is om dezelfde redenen
als
voormelde in dit geval geen sprake van onderscheid naar nationaliteit.

4.5. Wat betreft indirect onderscheid overweegt de Commissie als volgt.

Verzoeker is van Nederlandse afkomst en heeft de Nederlandse nationaliteit.
Van indirect onderscheid jegens verzoeker zou sprake kunnen zijn, indien
door
het weglaten van diacritische tekens in namen, personen uit zijn etnische
bevolkingsgroep of van zijn nationaliteit, in dit geval personen van
Nederlandse afkomst of Nederlandse nationaliteit, onevenredig worden
getroffen.
Zoals door de Nationale Ombudsman overwogen (zie hiervoor onder 3.4.) komen
diacritische tekens wellicht niet veel voor in namen van Nederlandstalige
origine. Dat ligt bepaald anders voor namen uit andere taalgebieden. Dit
betekent dat niet aannemelijk is dat personen van Nederlandse afkomst of
nationaliteit door bedoelde onjuiste schrijfwijze onevenredig benadeeld
worden.

De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat van indirect onderscheid
op grond van ras of nationaliteit jegens verzoeker evenmin sprake is.

4.6. Gelet op het voorafgaande komt de Commissie tot de conclusie dat er
jegens verzoeker geen onderscheid op grond van de AWGB wordt gemaakt. De
vraag of in dit geval artikel 7 AWGB van toepassing is kan derhalve
onbeantwoord blijven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Waterschap Vallei & Eem te
Amersfoort jegens de heer (….) te Woudenberg geen onderscheid heeft gemaakt
op grond van ras en/of nationaliteit als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
b
juncto artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve niet
in
strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder(lidKamer), mw. mr. drs M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)