Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 13 november 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De man en de vrouw hebben van 1988 tot 1996 een relatie gehad. Uit deze
relatie zijn twee kinderen geboren R. en T. In september 1995 is de ouderlijk
macht over R. aan beide ouders toegewezen. Ten aanzien van T. ligt het
gezag uitsluitend bij de vrouw. Na het einde van de relatie is de man in
A. gaan wonen. In onderling overleg vindt er omgang tussen de man en de
kinderen plaats. Sedert maart 1997 verblijven de kinderen bij de man. Hij
is thuis om voor hen te zorgen. De vrouw is het daar niet mee eens en probeert
de kinderen weg te halen. Hierbij heeft zij vernielingen aangebracht aan
het huis van de man en aan het huis van zijn nieuwe vriendin P. Tevens
heeft zij de man lichamelijk geweld aangedaan. Aan de vrouw wordt door
de president van de rechtbank voor zes maanden een straat- en contactverbod
opgelegd. In eerste aanleg hebben de man en zijn nieuwe vriendin gevorderd
dat de minderjarige kinderen hangende het verzoek tot gezagwijziging aan
de man worden toegewezen. Zij leggen aan deze vordering ten grondslag dat
gezien de geestelijke gesteldheid van de vrouw het in belang van de kinderen
is dat zij bij de man verblijven. De president wijst de vordering toe en
stelt een omgangsregeling vast die overeenkomt met een voorstel van de
Raad voor de Kinderbescherming; namelijk één uur per week op het kantoor
van de Raad. Haar tweede grief richt zich tegen het toevertrouwen van de
kinderen aan de man en het niet gelasten van hun afgifte aan de vrouw.
De derde grief richt zich tegen de vaststelling een omgangsregeling die
volgens de vrouw te beperkt is. De vrouw voert aan dat de vaststelling
van haar geestelijke instabiliteit gebaseerd is op tegenstrijdige verklaringen
van psychiaters. Eén psychiater heeft bovendien verklaard dat de vrouw
psychisch in balans is. Voorts voert zij aan dat zij altijd de volledige
zorg heeft gehad voor kinderen en dat de man slechts zijdelings betrokken
was bij de opvoeding. Uit een brief van 16 oktober jl. van de Raad voor
de Kinderbescherming blijkt dat de vrouw op 11 oktober jl. toen
de kinderen bij haar verbleven, de gedachte heeft gehad een einde te maken
aan haar eigen leven en aan dat van haar kinderen. De Raad achtte het hierdoor
onmogelijk om verder te bemiddelen bij een omgangsregeling. De vrouw heeft
in het hoger beroep toegegeven dat zij deze gedachte heeft gehad maar niet
tot uitvoer te zijn overgegaan omdat ze bang was voor een mislukking. Het
hof acht op grond hiervan het in het belang van de kinderen dat zij voorlopig
bij de man verblijven. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de nu
bestaande situatie, nl. dat de kinderen bij de vader verblijven, niet in
hun belang zou zijn of dat de man tekort zou schieten in de opvoeding.
De dreiging van zelfmoord staat ook een ruimere omgangsregeling in de wet.
De tweede en derde grief falen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant (hierna te noemen: K.) is bij exploit van 11 juli 1997 in
hoger beroep gekomen van een op 27 juni 1997 uitgesproken vonnis in kort
geding van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem, onder
zaaknummer 36090/KG ZA 97-241 gewezen tussen K. als gedaagde in conventie
tevens eiseres in reconventie en onder anderen geïntimeerden (hierna te
noemen: S en P) als eisers in conventie, S. tevens verweerder in reconventie.

1.2 K. heeft bij voormeld exploit drie grieven tegen het beroepen vonnis
aangevoerd -onder kennelijke vermeerdering van eis- en geconcludeerd dat
het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, -naar het hof begrijpt-
de vorderingen van S. en P. zal afwijzen en voorts:

primair:
1. zal bepalen dat de minderjarige kinderen R. en T. aan K. worden toevertrouwd,
2. S. en P. zal veroordelen om onmiddellijk na betekening van het te dezen
te wijzen arrest R. en T. aan K. te (doen) afgeven, althans deze kinderen
weer onder haar feitelijk gezag te (doen) plaatsen,
3. S. en P. zal verbieden om onmiddellijk na betekening van het te dezen
te wijzen arrest:
a. enige handeling te verrichten en/of na te laten die uitvoering van het
onder 2 te geven gebod bemoeilijkt en/of in de weg staat,
b. R. en T. buiten het feitelijk gezag van K. te (doen) brengen en/of (doen)
houden, anders dan met toestemming van K. krachtens rechterlijk bevel,

subsidiair:
een ruimhartige omgangsregeling tussen K. en de minderjarige kinderen R.
en T. vast zal stellen van nader te melden inhoud, althans van een zodanige
inhoud als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren,

alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van S. en P. in de
proceskosten van beide instanties.

1.3 Bij memorie van grieven heeft K. bij haar vorderingen volhard en enige
producties in het geding gebracht.

1.4 Bij memorie van antwoord hebben S. en P. de grieven bestreden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van K.
in de kosten van het hoger beroep.

1.5 Partijen hebben vervolgens hun standpunten door hun procureurs nader
mondeling doen toelichten. Deze raadslieden hebben zich daarbij bediend
van nadien aan het hof overgelegde pleitnotities. Bij deze gelegenheid
heeft K. bij akte haar eis vermeerderd in dier voege dat zij thans machtiging
vordert om het te wijzen arrest zonodig ten uitvoer te leggen met behulp
van de sterke arm.

1.6 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken
geldt als hier ingevoegd.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar het appel-exploit.

3. De vaststaande feiten

a. S. en K. hebben vanaf 1988 tot en met september 1996 een affectieve
relatie met elkaar gehad.

b. Uit deze relatie zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren,
te weten:
– R., geboren op 28 juni 1993
– T., geboren op 22 september 1995
Beide kinderen zijn door S. erkend.

c. Bij beschikking van de kantonrechter te Haarlem d.d. 3 januari 1995
is de ouderlijke macht over R. aan beide ouders toegewezen. Ten aanzien
van T.ligt het gezag uitsluitend bij K.

d. Nadat de relatie was beëindigd, is S. in Amsterdam gaan wonen en zijn
de kinderen bij K. in Haarlem gebleven. In onderling overleg vond omgang
tussen S. en de kinderen plaats.

e. Sedert medio maart 1997 verblijven R. en T. bij S. in Amsterdam. K.
is het met deze situatie niet eens en heeft verschillende malen onder dreigementen
geprobeerd de kinderen bij S. weg te halen. Daarbij heeft zij vernielingen
aan het huis van S.en aan het huis van diens huidige vriendin, P., aangericht.
Tevens heeft zij S. bij een van die gelegenheden lichamelijk geweld aangedaan.

f. S. heeft eind maart 1997 meerdere keren aangifte gedaan van bedreiging,
belediging, vernieling en mishandeling door K.. P. heeft op 4 april 1997
aangifte gedaan van vernieling aan haar huis door K.

g. S. is sinds de kinderen bij hem wonen thuis om voor hen te zorgen. R.
gaat thans naar groep 1 van de basisschool in Amsterdam; T. gaat 5 dagen
in de week van 9.00 uur tot 12.00 uur naar een peuterspeelzaal in Amsterdam.

h. S. heeft een verzoekschrift tot gezagswijziging van T. bij de kantonrechter
te Haarlem ingediend, alsmede een verzoekschrift tot gezagswijziging van
R. bij de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 In eerste aanleg hebben S. en P. tezamen met A. K. onder meer gevorderd
dat aan K. een straat- en contact verbod zal worden opgelegd voor de duur
van twaalf maan den. Zij hebben aan die vordering ten grondslag gelegd
dat K. door haar gedrag, bestaande uit het aanrichten van vernielingen
aan hun eigendom, het telefonisch en in persoon uiten van dreigementen
en ten aanzien van S. tevens bestaande uit mishandeling, inbreuk maakt
op hun persoonlijke levenssfeer en dat zij derhalve onrechtmatig jegens
hen handelt.

4.2 De president heeft de gevraagde voorziening vrijwel geheel toegewezen,
voor de duur van zes maanden. Tegen deze voorziening en de gronden waarop
zij berust, keert zich de eerste grief.

4.3 De grief komt erop neer dat de ernst van de inbreuken op de persoonlijke
levenssfeer van S. en P. zwaar over trokken is en bovendien S. en P. deze
inbreuken zelf over zich afroepen nu zij elk contact tussen K. en de kinderen
onmogelijk maken.

4.4 Uit de als producties van S. en P. eerste aanleg overgelegde processen-verbaal
van de politie Amsterdam- Amstelland blijkt genoegzaam dat K. herhaaldelijk
inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zowel S. als P..
K. ontkent ook niet dat zij zich aan de haar verweten gedragingen heeft
schuldig gemaakt. Met de president oordeelt het hof dat het door K. vertoonde
– bedreigende-gedrag een dusdanige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer
van S. en P. dat een straat- en contactverbod gerechtvaardigd was. Bovendien
is dat verbod ook nu nog gerechtvaardigd. In hoger beroep is namelijk niet
aannemelijk geworden dat dergelijke gedragingen niet langer van K. te duchten
zijn.
Onjuist is de stelling van K.dat dergelijke gedragingen haar in redelijkheid
niet kunnen worden verweten, omdat elk contact tussen haar en de kinderen
door S. en P. volgens haar onmogelijk wordt gemaakt. Evenmin rechtvaardigt
het feit dat S. ter zitting gemaakte afspraken en de bij het bestreden
vonnis opgelegde omgangsregeling niet is nagekomen respectievelijk (tijdelijk)
heeft gefrustreerd dergelijk op de privacy van S. en P. inbreuk makend
gedrag van K. Grief 1 faalt derhalve.

4.5 In eerste aanleg hebben S.en P. bovendien gevorderd dat de minderjarige
kinderen R. en T. hangende de verzoeken tot gezagswijziging aan S. worden
toevertrouwd. Aan deze vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat het,
gezien de geestelijke gesteldheid van K., in het belang van de kinderen
is dat zij bij S. verblijven totdat op de verzoeken tot gezagswijziging
is beslist. In reconventie vorderde K. de beide kinderen aan K. af te geven.
Subsidiair vorderde K. in reconventie vaststelling van een omgangsregeling
tussen haar en de kinderen.

4.6 De president heeft de vordering van S. en P. toegewezen en een omgangsregeling
vastgesteld, die overeenkomt met een voorstel gedaan door de Raad voor
de Kinderbescherming. Die regeling houdt in dat in het kader van het door
de Raad uit te voeren onderzoek naar de vraag wie van beide ouders het
beste met het gezag kan worden belast, er voorlopig op condities van de
Raad een omgang van een uur per week op het kantoor van de Raad plaats
vindt.
Tegen het toevertrouwen van de kinderen aan S. en het niet gelasten van
hun afgifte aan K. richt zich de tweede grief. De derde grief is gericht
tegen het vaststellen van de omgangsregeling als hierboven omschreven,
welke K. te beperkt acht.

4.7 K. voert in beide grieven aan dat het oordeel van de president, dat
er aan de zijde van K. sprake is van psychische instabiliteit, gebaseerd
is op informatie van psychiater Van der Meyden, die K. slechts eenmaal
zag, terwijl deze informatie werd weersproken door de psychiaters van het
SPDC-Oost en de arts Holsheimer, die K. al langere tijd kennen. Psychiater
Van der Meyden heeft bovendien in zijn brief van 7 augustus 1997 verklaard
dat K. momenteel psychisch in balans is, zodat de haar opgelegde beperkingen
opgeheven kunnen worden. Voorts voert Zij aan dat zij altijd de volledige
zorg voor de kinderen heeft gehad en dat de rol die S. heeft gespeeld bij
de opvoeding van de kinderen uiterst marginaal was. Tenslotte brengt K.
naar voren dat de president ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken
heeft dat het altijd een slechte zaak is om kinderen uit hun vertrouwde
omgeving te halen.

4.8 Uit een brief van 16 oktober jongstleden van de Raad voor de Kinderbescherming
aan K. blijkt dat K. op zaterdag 11 oktober jongstleden, toen de kinderen
met toestemming van S. bij haar verbleven, de gedachte heeft gehad een
einde te maken aan haar eigen leven en aan dat van haar kinderen. K.heeft
deze gedachte nadien telefonisch kenbaar gemaakt aan S. en per fax ook
aan de Raad voor de Kinderbescherming. Op grond hiervan heeft de Raad -blijkens
zijn voormelde brief het onmogelijk geacht om in dit stadium verder te
bemiddelen bij een omgangsregeling. Ter zitting in hoger beroep erkende
K. dat zij deze gedachte inderdaad heeft gehad. Zij heeft zich slechts
van uitvoering daarvan laten weerhouden door de gedachte dat een poging
om zichzelf en de kinderen van het leven te beroven zou kunnen mislukken,
waardoor zij en de kinderen niet zouden overlijden doch invalide zouden
raken. Zij wilde dit haar kinderen niet aandoen

4.9 Reeds op grond van dit een en ander acht het hof het in het belang
van de kinderen dat zij -in afwachting van de door de bodemrechter te treffen
gezagsvoorzieningen- voorlopig bij S. verblijven. Hier komt nog bij dat
ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de thans reeds ruim zeven
maanden durende situatie niet in hun belang is, noch dat S. bij de opvoeding
van de kinderen tekort zou schieten.

4.10 Hetgeen overwogen is in rechtsoverweging 4.8 staat ook aan het vaststellen
van een ruimere omgangsregeling in de weg.

4.11 Ook de tweede en derde grief stranden derhalve.

4.12 Nu de grieven van K. blijkens het hiervoor overwogene falen, moet
het vonnis waarvan beroep, voor zover tussen partijen gewezen, worden bekrachtigd
en de ver meerderde eis worden afgewezen

4.13 Gelet op het feit dat K. en S. hebben samengewoond als waren zij gehuwd
en niet aannemelijk is dat P. kosten heeft gemaakt, zullen de kosten worden
gecompenseerd als na te melden.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het op 27 juni 1997 door de president van de arrondissementsrechtbank
te Haarlem uitgesproken vonnis, voor zover tussen partijen gewezen;

wijst de vermeerderde eis van K. af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Coeterier, Smit, Van den Blink