Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het bedrijf van verzoeker kent een kinderopvangregeling die alleen aan
vrouwen en alleenstaande mannen met kinderen gesubsidieerde kinderopvangplaatsen
biedt. Verzoeker meent dat door uitsluiting van een groot deel van de mannelijke
medewerkers onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt. De Commissie
oordeelt dat een voorkeursregeling bij kinderopvang mogelijk is als er
sprake is van een feitelijke achterstand voor vrouwen. Dat was in deze
zaak het geval. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 oktober 1996 verzocht de heer (….) te Utrecht (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of door (….) (hierna: de wederpartij) onderscheid
wordt gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij heeft een kinderopvangregeling. Deze regeling houdt
onder meer in dat alleen kinderen van vrouwelijke werknemers en kinderen
van alleenstaande mannelijke werknemers die de dagelijkse zorg voor hun
kind(eren) hebben, in aanmerking komen voor door de wederpartij gesubsidieerde
kinderopvang. Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Bij
brief van 19 maart 1997 heeft de wederpartij op verzoek van de Commissie
nadere informatie verstrekt.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor een zitting op 12 mei 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….)

van de kant van de wederpartij
– mw. drs. (….)
– dhr. mr. R.A.A. Duk (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij voert sinds 1984 een positief actiebeleid ten aanzien
van vrouwen. Het beleid is opgenomen in de `Concernregeling positieve actie
voor vrouwen’. Het beleid heeft als belangrijkste doelstelling het wegwerken
van de achterstandspositie van vrouwen bij de wederpartij. Het streven
is er daarbij op gericht om, via het verbeteren van de positie van vrouwen
in het bedrijf, uiteindelijk een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen
op alle functieniveaus in de organisatie te realiseren. De wederpartij
onderneemt specifieke actie ten behoeve van het vergroten van de instroom
van vrouwen, het bevorderen van de interne doorstroom van vrouwen en het
voorkomen van onnodige uitstroom van vrouwen. Deze actie kan bijvoorbeeld
vorm krijgen in voorkeursbehandeling bij vacaturevoorziening, de mogelijkheid
om met voorrang in aanmerking te worden genomen voor vacante functies voor
herintredende vrouwen, bijzondere aandacht voor de loopbaanontwikkeling
van vrouwen binnen het bedrijf en het creëren van deeltijdfuncties voor
hogere functies.
In dat kader is kinderopvang een voorwaardenscheppend instrument om de
combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken.

De wederpartij biedt de mogelijkheid voor kinderopvang vanaf 1985. In 1996
zijn de afspraken over kinderopvang in overleg met de vakorganisaties opnieuw
vastgelegd in de vorm van een brochure.

De kinderopvangregeling van de wederpartij houdt in dat vrouwelijke medewerkers
met kinderen tussen nul en dertien jaar en alleenstaande mannelijke medewerkers
die de dagelijkse zorg voor kinderen tussen nul en dertien jaar hebben
in aanmerking komen voor kinderopvang. De mogelijkheden waaruit kan worden
gekozen, zijn opvang in een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of
gastouderopvang. De wederpartij koopt kindplaatsen in en financiert deze
mede door een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Voor het kinderdagverblijf
en de buitenschoolse opvang betaalt de werknemer een ouderbijdrage die
afhankelijk is van het (gezins)inkomen en het aantal dagen of dagdelen
kinderopvang dat geregeld is. De maximale bijdrage bedroeg in 1996 ƒ 1.047
per maand. De overige kosten worden door de wederpartij vergoed. Voor gastouderopvang
vergoedt de wederpartij alleen de bemiddelingskosten door het gastouderbureau.

De uitvoering van de kinderopvang is in handen van de (….). De aanmeldingen
worden op volgorde van binnenkomst behandeld. Indien er geen plaatsen beschikbaar
zijn, wordt de aanvrager op een wachtlijst geplaatst.

Het aantal beschikbare kindplaatsen is sinds 1985 gestegen van 60 plaatsen
tot 735 plaatsen in 1997. Hiervan maken ruim 1300 kinderen gebruik.

De kinderopvangregeling van de wederpartij is niet schriftelijk geëvalueerd.
Wel wordt jaarlijks de ontwikkeling van het aantal vrouwen binnen de organisatie
bijgehouden alsmede hoeveel medewerk(st)ers gebruik maken van de regeling.
De wederpartij heeft een cijferoverzicht gegeven van de personeelssamenstelling
naar geslacht in 1985 en 1996. In 1985 was 20% van de werknemers vrouw
(18.062) en in 1996 27% van de werknemers vrouw (24.530). Uitgesplitst
naar lager, middelbaar (schaal 7 tot en met 11) en hoger functieniveau
(12 en hoger), bedroeg het percentage vrouwen in 1985 respectievelijk 22%,
5% en 3%. In 1996 waren deze percentages voor het lager functieniveau 30%;
voor het middelbare functieniveau 15% en voor het hoger functieniveau 10%.
Niet bekend is in hoeverre de stijging van het percentage vrouwen bij de
wederpartij te danken is aan de kinderopvangregeling en niet te danken
is aan andere vormen van positief actiebeleid.

Verzoeker heeft de wederpartij in 1989 verzocht om toelating tot de kinderopvangregeling.
Dit verzoek is afgewezen omdat de kinderopvangregeling slechts voor vrouwelijke
werknemers bestemd was. Verzoeker heeft vervolgens zelf een kinderopvangplaats
voor zijn kind geregeld. Deze opvangplaats wordt door de gemeente gesubsidieerd.
In verband met een stijging van verzoekers gezinsinkomen vervalt de mogelijkheid
voor gesubsidieerde kinderopvang naar verwachting medio 1997.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

Hij is van mening dat mannelijke werknemers onterecht worden uitgesloten
van de kinderopvangregeling van de wederpartij. Mannelijke werknemers ondervinden
ten gevolge hiervan ongelijke beloning.

Alle mannen, behalve de alleenstaande vaders, worden uitgesloten van de
kinderopvangregeling. Indien men, zoals verzoeker dat heeft gedaan, via
de gemeente een gesubsidieerde kinderopvangplaats heeft verkregen moet
men, als het gezinsinkomen meer dan 5000 gulden bedraagt, zelf alle kosten
voor kinderopvang dragen. Indien men een kinderopvangplaats bij de wederpartij
zou hebben zou men maximaal ƒ 1047 moeten bijdragen. Dit betekent dat een
mannelijke werknemer ook in financieel opzicht ongelijk wordt behandeld
ten opzichte van een vrouw in een vergelijkbare situatie.

Door verzoeker niet uit te sluiten van een bedrijfsplaats of door verzoeker
een volledige financiële compensatie te verstrekken zou deze ongelijkheid
worden opgeheven.
De wederpartij zou moeten toetsen of de voorrangsregeling bij kinderopvang
nog steeds gerechtvaardigd is.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Zij realiseert zich dat er sprake is van onderscheid naar geslacht ten
aanzien van de uitsluiting van mannen van de kinderopvangregeling, echter
dit onderscheid is gerechtvaardigd. Het onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen. Het ongeclausuleerd beschikbaar stellen van kinderopvang aan mannen
levert geen enkele bijdrage aan het wegwerken van feitelijke ongelijkheden
tussen mannen en vrouwen.

De combinatie van beleidsinstrumenten zoals genoemd in de `Concernregeling
positieve actie voor vrouwen’ draagt bij aan de kwantitatieve (de stijging
van het aantal vrouwen op alle functieniveaus) en de kwalitatieve (de doorstroom
van vrouwen naar hogere functies) verbetering van de positie van vrouwen.
In de afgelopen jaren is het aantal vrouwen bij de wederpartij op alle
functieniveaus toegenomen, met name in de hoge en middelbare functies,
waar procentueel een verdrievoudiging ten opzichte van 1985 heeft plaatsgevonden.

De wederpartij is van mening dat de kinderopvangregeling hierin een belangrijke
rol speelt. Het is immers algemeen bekend dat het ontbreken van kinderopvang
voor vrouwen van doorslaggevende betekenis kan zijn om betaalde arbeid
al dan niet tijdelijk op te geven. Bij het combineren van betaalde arbeid
en de zorg voor kinderen wordt het tekort aan kinderopvangplaatsen als
een groot knelpunt ervaren. Ook bij de wederpartij is de vraag naar kinderopvang
van vrouwen die na de geboorte van hun kind niet willen stoppen met werken
groot.
Ondanks de toename van het aantal vrouwen in de organisatie, is er nog
geen sprake van een evenredige afspiegeling van het arbeidsaanbod. Ook
al is de uitstroom van vrouwen met name in hogere schalen aan het afnemen,
deze is nog steeds groter dan die van mannen. Er zijn relatief veel jongere
vrouwen in dienst gekomen. Het is van belang om te zorgen dat zij niet
weer uitstromen wanneer zij kinderen krijgen.
Hoewel het kan voorkomen dat bij een bepaald onderdeel gedurende korte
tijd geen wachtlijst is, is er over het algemeen sprake van een vraag naar
kinderopvang die groter is dan het beschikbare aanbod. Dan komen mannen
dus niet in aanmerking (tenzij ze alleenstaand ouder zijn), omdat anders
vrouwen uit zullen stromen.

De wederpartij is derhalve van mening dat de gehanteerde voorkeursregeling
voor vrouwen geschikt is voor het beoogde doel, het wegwerken van de feitelijke
ongelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wederpartij. In de afgelopen
jaren is het aantal kinderopvangplaatsen toegenomen omdat er sprake was
van een toenemende behoefte, die mede gerelateerd is aan het toenemend
aantal vrouwen dat in dienst is. Daarbij is niet onderzocht hoe het aanbod
eruit zou zien als ook niet-alleenstaande mannen van de kinderopvangregeling
gebruik zouden kunnen maken, noch wat de financiële consequenties hiervan
zouden zijn. Het budget voor kinderopvang wordt van jaar tot jaar vastgesteld
op basis van het aantal beschikbare plaatsen.

Voor wat betreft de ongelijke beloning is de wederpartij van mening dat
de kinderopvangregeling niet kan worden beschouwd als beloning. De wederpartij
betaalt immers geen tegemoetkoming in de kosten aan degenen die van kinderopvang
gebruik maken.
Verzoeker heeft zijn kinderopvang geregeld via de gemeente. Het feit dat
de betreffende gemeente een eigen beleid voert ten aanzien van het vaststellen
van de ouderbijdrage acht de wederpartij niet relevant.

De kinderopvangregeling van de wederpartij is in 1992 ook aan de orde geweest
in een zaak bij de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid (CGB m/v). De CGB m/v heeft toen als oordeel uitgesproken
dat de wederpartij geen verboden onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
(CGB m/v, 7 oktober 1992, oordeel 519-92-56.).

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE CGB

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door
hem niet in aanmerking te laten komen voor de kinderopvangregeling.

De vraag is derhalve of er onderscheid gemaakt wordt bij de arbeidsvoorwaarden
met inbegrip van beloning.

4.2. Aangezien de betreffende kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde
moet worden aangemerkt, moet deze regeling worden getoetst aan artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW). Sinds 1 april 1997 is de betreffende
norm vervat in artikel 7:646 BW. Lid 1 van dit artikel bepaalt onder andere
dat een werkgever in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen. In lid 4 van het artikel wordt bepaald dat van het in
het eerste lid genoemde verbod mag worden afgeweken, indien het bedingen
betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte
positie beogen te plaatsen ten einde feitelijke ongelijkheden op te heffen
of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat
tot het beoogde doel.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 2 lid 4 van de Tweede Richtlijn van
de Europese Gemeenschappen betreffende de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (EG-Richtlijn 76/207, 9 februari 1976, PB EG 1976, L39.).

4.3. In het kader van een bredere emancipatiedoelstelling met betrekking
tot de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid is een toename van
het aandeel van vrouwen in de betaalde arbeid en van het aandeel van mannen
in de verzorging en opvoeding van kinderen wenselijk. Kinderopvang kan
daarbij gezien worden als een instrument dat een bijdrage kan leveren aan
het realiseren van het algemene emancipatiebeleid.
Het toetsingskader van de Commissie wordt gevormd door de gelijke behandelingswetgeving
op het terrein van de (betaalde) arbeid, zoals aangegeven onder 4.2.. Het
bieden van faciliteiten ten behoeve van kinderopvang is een arbeidsvoorwaarde.
Zoals gesteld, is het maken van onderscheid ten gunste van vrouwen bij
arbeidsvoorwaarden toegestaan om feitelijke ongelijkheden op te heffen.
Daarbij staat derhalve het opheffen van feitelijke belemmeringen voor vrouwen
om te (blijven) deelnemen aan het arbeidsproces centraal. Gelet op het
bovenstaande valt de bredere emancipatiedoelstelling voorzover die betrekking
heeft op de herverdeling van onbetaalde arbeid door een toename van het
aandeel van mannen in de verzorging en opvoeding van kinderen buiten het
toetsingskader van de Commissie.

4.4. In het onderhavige geval is er sprake van een voorkeursbeleid voor
vrouwen bij de kinderopvang. Dit voorkeursbeleid heeft als doelstelling
het wegwerken van de achterstandspositie van vrouwen bij de wederpartij
en is gericht op het vergroten van de instroom van vrouwen, het bevorderen
van de interne doorstroom van vrouwen en het voorkomen van onnodige uitstroom
van vrouwen.

Bij het toetsen van een voorkeursbeleid is van belang dat het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen in de zaak Kalanke (HvJ EG, 17 oktober 1995,
E. Kalanke versus Freie Hansestadt Bremen, zaak C-450/93, NJ 1996/507.
Op dit moment is tevens aanhangig de zaak H. Marschall versus Land Nordrhein-Westfalen,
zaak C-409/95, waarin voorkeursbeleid voor vrouwen bij promoties aan de
orde is.) heeft bepaald dat de voorkeursbepaling in de Tweede Richtlijn
nationale maatregelen toestaat op het gebied van de toegang tot het arbeidsproces,
met inbegrip van de promotiekansen, die in het bijzonder vrouwen bevoordelen
met het doel hen beter in staat te stellen op de arbeidsmarkt te concurreren
en op voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen.
In hetzelfde arrest worden evenwel vraagtekens gezet bij absolute en onvoorwaardelijke
voorrang voor vrouwen uitsluitend op grond van hun sekse. Het arrest van
het Hof had betrekking op werving en selectie.

De Commissie is van mening dat het Kalanke-arrest betrekking heeft op een
specifieke vorm van voorkeursbeleid, zoals die in dat geval in het geding
was, namelijk voorrang voor vrouwen totdat er sprake is van een 50/50 verdeling.
Dat betekent dat het arrest niet in de weg staat aan een voorkeursbeleid
maar eisen stelt aan de zorgvuldigheid en proportionaliteit van de betreffende
maatregelen.
In eerdere oordelen met betrekking tot werving en selectie heeft de Commissie
voorkeursbeleid getoetst aan bepaalde criteria, die betrekking hebben op
het vereiste van een aantoonbare relatieve achterstand, gerelateerd aan
het beschikbare arbeidsaanbod, en op de geschiktheid en kenbaarheid van
de toegepaste voorkeursbehandeling (Zie met name Commissie gelijke behandeling,
18 november 1996, oordeel 96-97. In dit oordeel heeft de Commissie aangegeven
van oordeel te zijn dat de gehanteerde toets in overeenstemming is met
het Kalanke-arrest.).

Wat betreft voorkeursbeleid bij arbeidsvoorwaarden zoals kinderopvang is
de Commissie, daargelaten de vraag of er (tevens) sprake is van beloning
(In eerdere oordelen heeft de Commissie al aangegeven dat ook het bieden
van een gedeeltelijke vergoeding in de kosten van kinderopvang aan vrouwen
een geschikt middel kan zijn bij een voorkeursbeleid voor vrouwen.), van
oordeel dat aan de volgende criteria moet worden voldaan:
1) de achterstand moet in het concrete geval aannemelijk worden gemaakt;
2) vervolgens moet worden vastgesteld of voorkeursbeleid bij kinderopvang
een geschikt middel is om die achterstand op te heffen en voldoet aan eisen
van proportionaliteit. Hierbij betrekt de Commissie tevens de wijze waarop
de financiële kaders worden gemotiveerd;
3) de voorkeursbehandeling dient duidelijk kenbaar gemaakt te worden.

4.5. De Commissie gelijke behandeling heeft in eerdere zaken over kinderopvangregelingen
in verband met het doel opgemerkt, dat het een feit van algemene bekendheid
is dat vrouwen in verband met de verzorging van (jonge) kinderen vaker
afzien van (voortzetting
van) een (volledig) dienstverband dan mannen (Commissie gelijke behandeling,
14 mei 1996, oordeel 96-34; 14 mei 1996, oordeel 96-35; 25 juni 1996, 96-45;
8 april 1997, oordeel 97-35. Zie ook Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 22 augustus 1990, oordeel
130-90-121; 7 oktober 1992, oordeel 519-92-56.).
Uitgaande van dit feit van algemene bekendheid toetst de Commissie per
geval of er (nog) sprake is van feitelijke ongelijkheden die een voorkeursbeleid
bij kinderopvang rechtvaardigen.
De door de wederpartij gepresenteerde cijfers rechtvaardigen de conclusie
dat ook bij de wederpartij nog sprake is van een relatieve ondervertegenwoordiging
van vrouwen. Dit geldt met name in de hogere functies, waar ook de uitstroom
van vrouwen nog steeds hoger ligt, ook al nemen de verschillen de laatste
jaren wel af.
De Commissie acht derhalve voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake
is van feitelijke ongelijkheid die een voorkeursbeleid rechtvaardigt.

4.6. Vervolgens moet onderzocht worden of de wijze waarop onderscheid wordt
gemaakt door vrouwen (en alleenstaande mannen die de dagelijkse zorg voor
de kinderen dragen) bij de kinderopvangregeling voorrang te geven, een
geschikt middel is om een bijdrage te leveren aan het door de wederpartij
gestelde doel, het vergroten van de instroom van vrouwen, het bevorderen
van de interne doorstroom van vrouwen en het voorkomen van onnodige uitstroom
van vrouwen.
Daartoe gaat de Commissie eerst in op de geschiktheid van het middel als
zodanig en vervolgens meer specifiek op de wijze waarop de wederpartij
dit in de onderhavige regeling heeft ingevuld. Van belang is dat uitzonderingen
op de gelijke behandelingsnorm in het algemeen strikt getoetst moeten worden
(Zie ook HvJ EG, 25 oktober 1988, Commissie versus Frankrijk, zaak 312/86,
Jur. 1988, p. 6315.). De betreffende regeling moet derhalve proportioneel
zijn, dat wil zeggen in een redelijke verhouding staan tot het gestelde
doel (Deze proportionaliteitseis is terug te vinden in de jurisprudentie
van het HvJ EG, zie zaak Bilka Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei
1986, zaak 170/84, Jur. 1986, p. 1607.).

Het is een feit van algemene bekendheid dat er nog steeds een tekort is
aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral afkomstig van vrouwen
die niet willen stoppen met werken na de
geboorte van hun kinderen (Onbetaalde zorg gelijk verdeeld. Toekomstscenario’s
voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den Haag 1995, p. 34.).
De wederpartij geeft aan dat ook bij haar de vraag naar kinderopvang groot
is. Deze vraag is vooral afkomstig van vrouwen die na de geboorte van hun
kind niet willen stoppen met werken. Bovendien is er sinds de kinderopvangregeling
is ingevoerd sprake van een procentuele toename van het aantal vrouwen
in de verschillende functieniveaus. Het is niet bekend wat het effect is
geweest van de kinderopvangregeling afzonderlijk. In haar oordeel van 1992
over de kinderopvangregeling van de wederpartij, was de CGB m/v van mening
dat het effect van het totale emancipatiebeleid van de wederpartij dusdanig
was dat aannemelijk was dat de kinderopvangregeling een bijdrage heeft
geleverd aan de toename van het aandeel van vrouwen bij de wederpartij.

Dit acht de Commissie ook in dit geval nog aannemelijk.
Hierbij is van belang dat het aantal beschikbare kinderopvangplaatsen over
het algemeen kleiner is dan de vraag, nu met een kinderopvangregeling nog
wachtlijsten voorkomen. Wanneer mannen hiervan op gelijke voet gebruik
van zouden kunnen maken, kan immers verwacht worden dat de uitstroom van
vrouwen nog verder toeneemt.

De Commissie acht daarom het bieden van kinderopvangplaatsen aan vrouwelijke
medewerkers (en alleenstaande mannelijke medewerkers die de dagelijkse
zorg voor kinderen dragen) een geschikt middel om het doel dat de wederpartij
zich stelt, te realiseren.

4.7. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de wijze waarop de wederpartij
het middel van voorkeursbeleid bij de kinderopvang in dit geval hanteert,
voldoet aan de gestelde eis van proportionaliteit.

De wederpartij kent sinds 1985 een kinderopvangregeling.
Het aantal beschikbare plaatsen is in de jaren 1985-1996 gestegen van 60
tot 735. De kinderopvangregeling staat niet open voor al het personeel.
In 1992 heeft de CGB m/v deze kinderopvangregeling niet in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling geoordeeld. De CGB m/v achtte de kinderopvangregeling
in een redelijke verhouding staand tot het beoogde doel, hoewel het zorgvuldiger
was geweest als de wederpartij een hardheidsclausule in de regeling had
opgenomen. In de regeling die nu voorligt is een hardheidsclausule voor
mannen die de dagelijkse zorg voor kinderen dragen, opgenomen.
De Commissie is van mening dat de geldende kinderopvangregeling vooralsnog
voldoet aan de eisen van proportionaliteit.
Het onder de geldende CAO gevoerde kinderopvangbeleid is daarmee in overeenstemming
met de gelijke behandelingswetgeving.
Gelet op het voorgaande kan de vraag of er sprake is van ongelijke beloning
buiten beschouwing blijven.

De wederpartij heeft de kinderopvangregeling niet (schriftelijk) geëvalueerd.
Wel wordt jaarlijks gekeken naar de ontwikkeling van het aantal vrouwen
bij de wederpartij alsmede hoeveel vrouwen van de regeling gebruik maken.
De Commissie heeft er in eerdere oordelen op gewezen, dat een gevoerd voorkeursbeleid
bij kinderopvang regelmatig geëvalueerd dient te worden (Commissie gelijke
behandeling, 14 mei 1996, oordeel 96-34; 14 mei 1996, oordeel 96-35; 25
juni 1996, oordeel 96-44; 25 juni 1996, oordeel 96-45 en
7 april 1997, oordeel 97-35.). Er kan namelijk een moment komen dat voorkeursbeleid
niet meer nodig zal zijn, omdat de huidige achterstand van vrouwen in verband
met zorgtaken in de toekomst opgeheven zal zijn. Daarbij zal met name getoetst
moeten worden of de verwachting, dat het bieden van kinderopvang bijdraagt
aan het verminderen van de uitstroom van vrouwen en het bevorderen van
de doorstroom, inderdaad gerechtvaardigd is.
Uit dergelijk evaluatieonderzoek zal moeten blijken of handhaving van de
bestaande regeling in de komende CAO gerechtvaardigd is in het licht van
de hierboven beschreven toetsingscriteria. Deze criteria zijn deels strikter
dan de criteria die gehanteerd werden ten tijde van het oordeel van de
CGB m/v met betrekking tot een voorkeursbeleid bij kinderopvangregelingen,
hetgeen samenhangt met de uitspraak van het HvJ EG in de zaak Kalanke.

Hoewel de wederpartij ervan uit mocht gaan dat het thans vigerende voorkeursbeleid
bij kinderopvang voldoet aan de gestelde eisen, is daarmee niet gezegd
dat ook na afloop van de geldende CAO zulks het geval zal blijven. Dit
zal steeds moeten blijken uit evaluatieonderzoek.

Daarbij zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat de beperking van het
beschikbare budget, dat niet toereikend is om de in de totale vraag kinderopvang
(dus van vrouwen en mannen) te voorzien, noodzakelijk is, in die zin dat
uitbreiding in redelijkheid niet van de wederpartij gevraagd kan worden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Groningen jegens
de heer (….) te Utrecht geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
als bedoeld in artikel 7A:1637ij/7:646 Burgerlijk Wetboek bij het regelen
van de kinderopvang.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)