Instantie: Rechtbank Rotterdam, 17 april 1997

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Eiseres werd op vijftienjarige leeftijd op verzoek van haar moeder door
een huisvriend manueel ontmaagd. De moeder vond dit nodig omdat zij zulke
nare herinneringen aan die gebeurtenis had. De rechtbank oordeelt dat deze
handelingen niet leiden tot sexueel misbruik omdat het niet met lustgevoelens
gepaard ging, maar een technische handeling was. De handeling op zich heeft
wel inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van eiseres
en daarom wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding
toe tot een bedrag van ƒ 2.400,-. De rechtbank oordeelt dat de handeling
weliswaar betrekking had op een sexueel orgaan van eiseres, maar werd –
naar bij gebreke van in andere richting wijzende omstandigheden moet worden
aangenomen – niet ingegeven door sexuele lustgevoelens bij gedaagde. De
rechtbank verwerpt dan ook de door eiseres voor de handelwijze van gedaagde
gebezigde kwalificatie `sexueel misbruik’ voorzover eiseres daarin het
bijvoeglijk naamwoord `sexueel’ niet in de hierboven aangeduide neutrale
betekenis van: betrekking hebbend op een sexueel orgaan bezigt. Verder
is naar het oordeel van de rechtbank van `gebruik’ in eigenlijke zin van
de vagina door gedaagde geen sprake en kan er om die reden ook geen sprake
van `misbruik’ zijn.
Gedaagde heeft voorts de manuele ontmaagding met opzet verricht, zonder
dat er echter zijnerzijds van kwade bedoelingen jegens eiseres sprake was.
Het was een misplaatste vorm van hulpverlening, die aan eiseres geschiedde
terwijl de moeder van eiseres er veeleer behoefte aan had. Gedaagde heeft
gelijk als hij in dit verband van een beoordelingsfout zijnerzijds spreekt.
De rechtbank wijst ook het betoog dat hier een veiligheidsnorm is overschreden
af.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het vonnis van deze rechtbank van 21 april 1995
– het ingevolge dit vonnis door Prof. Dr. M. Kuilman, psychiater te Amsterdam,
uitgebrachte rapport van psychiatrisch onderzoek, verricht bij eiseres

– de akte na deskundigenbericht van eiseres, tevens inhoudende een vermeerdering
van de eis
– de akte na deskundigenbericht van gedaagde.

2. De vordering

Gedaagde heeft zich niet tegen de vermeerdering van de eis verzet, zodat
de rechtbank op de vermeende eis zal recht doen.

De vermeerderde eis luidt, verkort weergegeven:
veroordeling van gedaagde tot betaling van ƒ 20.000 ten titel van smartegeld
en tot vergoeding van materiële schade, nader op te maken bij staat, een
en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

3. De verdere beoordeling

3.1. Bij genoemd vonnis is een deskundigenonderzoek bevolen omtrent eventuele
psychische problemen bij eiseres en het oorzakelijk verband daarvan met
de manuele ontmaagding en de wijze waarop deze plaats vond, zoals in dat
vonnis vermeld.

3.2. Het uitvoerige en – naar de rechtbank wil voorkomen – gedegen rapport
van de deskundige bevat onder meer de volgende passages:

‘Onderzochte is een intelligente vrouw, ruim toegerust met verstandelijke
vermogens om op haar niveau in het leven te slagen. Dat dit niet is gebeurd,
wordt in hoge mate bepaald door haar karakterologische toerusting en de
omstandigheden waarin ze verkeerde. (p. 16)
(….)
Het lijkt ondergetekende op grond van vigerende opvattingen over de ontwikkeling
van de persoonlijkheid aannemelijk, dat neurotiserende momenten die al
dateren vanaf de vroege jeugd, hun invloed uitgeoefend op een gebrekkige
ontplooiing van haar persoonlijkheid. Het heeft onderzochte ontbroken aan
voldoende basale veiligheid en zekerheid om met zichzelf te experimenteren
en haar persoonlijkheid te ontplooien.
(….)
Of en in hoeverre de neurotiserende jeugdconstellatie is in tweede (joodse;
opmerking rechtbank) generatie-problematiek, valt op grond van dit onderzoek
niet uit te maken. (….) De onderhavige kwestie is naar het oordeel van
ondergetekende niet relevant voor de vraagstelling. Belangrijker is in
dit verband de vaststelling, dat de jeugdconstellatie een negatieve invloed
heeft uitgeoefend op de karakteropbouw c.q. de persoonlijkheidsontwikkeling
van betrokkene. Het is begrijpelijk, dat ook de sexuele ervaringen waar
het in deze expertise om gaat, tegen die achtergrond en bij zo’n kwetsbaar
meisje in de puberteit c.q. adolescentiefase, hun sporen hebben achtergelaten.
(p. 17)
(….)
Onderzochte benadrukt tijdens de achtereenvolgende gesprekken haar slachtofferschap,
en dat is gelet op het doel van dit onderzoek ook wel begrijpelijk.
Niettemin is haar houding ook nogal gekunsteld en lijkt ze haar status
van slachtoffer te prononceren en te consolideren. Een mogelijke achtergrond
vormt hierbij het verlangen naar genoegdoening voor wat haar (met name
door C is aangedaan. Maar achter dit verlangen gaan ook gevoelens van zelfdepreciatie
en schaamte schuil. In dat verband is niet zo zeer de schaamte over sexueel
traumatische ervaringen in het geding als wel het onverdragelijke gevoel,
dat betrokkene zich vernederende ervaringen lange tijd liet welgevallen,
zonder zich te hebben verweerd. De tegen zichzelf gerichte agressie die
daardoor ontstaat, wordt in de buitenwereld geprojecteerd. Met als gevolg,
dat het zich op een eigen `aandeel’ gemakkelijk wordt versluierd. (p. 18)
(….)

Samenvatting

(….)
Onderzochte groeide op in een disharmonisch en neurotiserend gezin. De
belangrijkste kenmerken in dit gezin komen tot uiting in misleidende en
tegenstrijdige interacties, onduidelijkheid over respectievelijke rollen,
het ontbreken van veiligheid en consistentie in de relatie tot sleutelfiguren
(hier wordt in concreto gedoeld op de vader en de moeder; opmerking rechtbank).
(….) niet verwonderlijk, dat onderzochte reeds in haar kinderjaren problemen
had met zich te handhaven. (p. 18)
(….)
Als in de jaren `70 de Heer C in het gezin zijn intrede doet, worden de
gezinssituaties nog gecompliceerder. C functioneert niet als een echte
huisvriend, evenmin als een professionele hulpverlener. Hij is op een merkwaardige
wijze wel en niet beschikbaar. Maar toch lijkt zich door de aanwezigheid
van C een zekere stabilisering in het gezin te voltrekken, vooral omdat
hij het vertrouwen weet te winnen en zeker bij onderzochte geleidelijk
aan een plechtanker functie krijgt.
(….)
De verhoudingen worden wel uitermate ondoorzichtig wanneer de plannen tot
ontmaagding (….) in het gezin door moeder en C worden voorbereid en uitgevoerd.
Het is nauwelijks voorstelbaar, dat zo’n ingewikkelde en verwarrende constellatie
van rollen geen psychotraumatische invloed zou hebben, bij een meisje met
zo’n wankele voorgeschiedenis en in zo’n kwetsbare levensfase. Alles wat
met menselijke interacties in relatie tot lichamelijke intimiteit/sexualiteit
in het geding is, komt hier onder enorme spanning te staan. (p. 20)
(…)
In antwoord op de vraagstelling
(p. 21)
(….)
Over de ziekmakende betekenis van de manuele ontmaagding en de wijze waarop
deze plaatsvond in de geschetste context kan het volgende worden opgemerkt.
Het is aannemelijk, dat het betreffende incident van de ontmaagding een
ontwrichtende invloed heeft gehad op onderzochte’s psychische gesteldheid
en mede aanleiding heeft gegeven tot de geschetste psychische problemen.
(….)
dat het incident van de ontmaagding nooit zulke verstrekkende gevolgen
zou hebben gehad, wanneer de geschetste contextuele condities er niet waren
geweest. Sterker nog: ondergetekende is van oordeel, dat er voldoende aanwijzingen
zijn om te vrezen c.q. te verwachten, dat onderzochte ook zonder het `ontmaagdingsincident’
met (neurotische) problemen in haar relaties zou zijn geconfronteerd, al
valt niet te voorspellen wanneer en in welke mate deze zich zouden hebben
voorgedaan.’ (p. 21).

3.3. Wat de toe te passen rechtsnormen betreft, heeft de rechtbank al beslist
in rov. 4.1 van haar vonnis van 22 oktober 1993, dat het tot januari 1992
geldende recht van toepassing is op de ingestelde vordering. Praktisch
maakt dit echter geen verschil met de situatie waarin het sedert genoemde
datum geldende Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, aangezien hetgeen
in met name art. 6:98 van dat wetboek is bepaald omtrent schadetoerekening,
ingevolge vóór genoemde datum gewezen arresten van de Hoge Raad, reeds
geldend recht was onder de oude bedeling. De rechtbank zal dan ook mede
aan de hand van de in art. 6:98 genoemde factoren nagaan of, en zo ja in
welke omvang, gedaagde voor de gestelde schade (in redelijkheid) aansprakelijk
moet worden geacht.

3.4. Het gaat hier om een handeling van gedaagde, te weten manuele ontmaagding,
die inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit
van eiseres, die toen 15 of 16 jaar oud was. De handeling had weliswaar
betrekking op een sexueel orgaan van eiseres, maar werd – naar bij gebreke
van in andere richting wijzende omstandigheden moet worden aangenomen –
niet ingegeven door sexuele lustgevoelens bij gedaagde. De rechtbank verwerpt
dan ook de door eiseres voor de handelwijze van gedaagde gebezigde kwalificatie
`sexueel misbruik’ voorzover eiseres daarin het bijvoeglijk naamwoord `sexueel’
niet in de hierboven aangeduide neutrale betekenis van: betrekking hebbend
op een sexueel orgaan, bezigt. Verder is naar het oordeel van de rechtbank
van `gebruik’ in eigenlijke zin van de vagina door gedaagde geen sprake
en kan er om die reden ook geen sprake van `misbruik’ zijn.
Gedaagde heeft voorts de manuele ontmaagding met opzet verricht, zonder
dat er echter zijnerzijds van kwade bedoelingen jegens eiseres sprake was.
Het was een misplaatste vorm van hulpverlening, die aan eiseres geschiedde
terwijl de moeder van eiseres er veeleer behoefte aan had. Gedaagde heeft
gelijk als hij in dit verband van een (naar het oordeel van de rechtbank:
ernstige beoordelingsfout zijnerzijds spreekt.

3.5. Eiseres heeft doen betogen dat, hoewel in strikte zin niet kan worden
gesproken van het overschrijden van veiligheidsnormen (in de door de Hoge
Raad in diens jurisprudentie als bedoeld in rov. 3.3 gebezigde zin), er
toch reden is om dezelfde maatstaven toe te passen;
immers de norm dat er respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit
van anderen dient te zijn, waarbij sexuele grenzen niet overschreden dienen
te worden, is een zeer algemene en wijdverbreide norm.
Afgezien van de reeds geplaatste vraagtekens bij de kwalificatie `sexueel’,
overtuigt de argumentatie ook voor het overige niet. Een wijdverbreide
norm die respect voor bepaalde waarden voorschrijft, maakt die norm nog
niet zonder meer tot een veiligheidsnorm in de bedoelde betekenis, ook
niet als het de waarden van lichamelijke en geestelijke integriteit van
een persoon betreft. Ook overigens ziet de rechtbank onvoldoende grond
om de door gedaagde overschreden norm als aansprakelijkheidsfactor gelijkwaardig
te achten aan een veiligheidsnorm.

3.6. De geclaimde schade betreft vermogensschade en immateriële (psychische)
schade. Wat deze laatste betreft, zoekt eiseres aansluiting bij het deskundigenbericht
op dit punt. De rechtbank verwijst naar rov. 3.2. Als elementen van materiële
schade noemt eiseres kosten van therapie, reiskosten, vergoeding voor vertraagde
studie en voor verlies aan verdiencapaciteit.

3.7. De psychische schade komt, naar uit de meerbedoelde rechtspraak van
de Hoge Raad valt af te leiden, als letselschade eerder voor vergoeding
in aanmerking dan de materiële schade.

3.8. De gestelde psychische schade wordt op zich niet door gedaagde bestreden,
doch gedaagde bestrijdt wel dat er een voldoende verband bestaat met zijn
onrechtmatige daad om tot een toerekening naar redelijkheid van deze schade
aan hem te kunnen komen. Uit de stellingen van gedaagde leidt de rechtbank
af, dat hij ook ten aanzien van de gestelde materiële schade zodanig verband
niet aanwezig ziet.

3.9. Uit het rapport van deskundige, dat de rechtbank in zoverre overneemt,
blijkt enerzijds dat de ontmaagdingshandeling van gedaagde als neurotiserende
factor tot de (immateriële en materiële) schade van eiseres heeft bijgedragen,
doch anderzijds dat de psychische problemen die eiseres heeft ondervonden
en nog steeds ondervindt en de daarmee verband houdende materiële schade
voor een aanzienlijk deel voortvloeien uit de karakterologische toerusting
van eiseres en haar neurotiserende jeugdsituatie (waaronder wellicht een
tweede-generatieproblematiek), zoals in het rapport uitvoerig omschreven,
alsmede uit het voor eiseres onverdragelijke gevoel dat zij zich lange
tijd vernederende ervaringen heeft laten welgevallen, zonder zich te hebben
verweerd. De hier bedoelde ervaringen, die zich volgens eiseres na het
ontmaagdingsincident hebben voorgedaan maar die door gedaagde worden betwist,
vormen echter mede de grondslag van de vordering.

Een en ander brengt de rechtbank, gelet op de betekenis die de verschillende
hierboven bedoelde aansprakelijkheidsfactoren in de onderhavige zaak toekomt,
tot het oordeel dat de psychische problemen van eiseres slechts voor een
betrekkelijk klein deel – door de rechtbank bepaald op 20% – in zodanig
verband met de ontmaagdingshandeling staan dat zij in redelijkheid aan
gedaagde zijn toe te rekenen.
In dit verband merkt de rechtbank nog op, dat de enkele omstandigheid dat
gedaagde kon voorzien dat zijn ingreep bij eiseres geredelijk tot (verdere)
psychische schade zou kunnen leiden, in het onderhavige geval niet meebrengt
dat gedaagde voor die schade in volle omvang rechtens aansprakelijk is.

3.10. Aangezien de rechtbank terzake van de psychische schade zoals die
zich volgens het rapport na de ontmaagdingshandeling heeft gemanifesteerd,
indien deze schade uitsluitend door die handeling zou zijn veroorzaakt,
een geldelijke vergoeding ten bedrage van ƒ 12.000 redelijk zou achten,
zal zij daarom gedaagde veroordelen tot betaling van een smartegeld van
ƒ 2.400.

3.11. Wat betreft de gestelde materiële schade acht de rechtbank aannemelijk,
dat de materiële schade is geleden als gevolg van gedaagde’s onrechtmatige
daad. Of die schade dient te worden bepaald op 20% dan wel op een kleiner
deel van de totale schade die eiseres tengevolge van haar totale psychische
problematiek zal blijken te hebben geleden en nog zal zullen lijden, valt
nu nog niet te overzien.

3.12. Alvorens echter eiseres gelegenheid tot een schadestaatprocedure
te geven, zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten. Eiseres
wordt verzocht uiterlijk drie weken voor de comparitiedatum aan gedaagde
en de rechter-commissaris een opstelling van de schade-elementen en de
daarbij behorende schadebedragen te zenden. De bedoeling daarvan is na
te gaan enerzijds in hoeverre het mogelijk is reeds in de onderhavige procedures
tot een schadevaststelling te komen en anderzijds of een vereniging tussen
partijen terzake van de materiële schade tot de mogelijkheden behoort.

3.13. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de onrechtmatige
daad van gedaagde slechts een deel van de concrete schade heeft veroorzaakt,
heeft eiseres zich op het bepaalde in artikel 6:99 B.W. beroepen.
Ervan uitgaande dat de in dit nieuwe artikel vervatte rechtsregel ook reeds
gold vóór 1 januari 1992, is de rechtbank echter van oordeel dat zij niet
tot toepassing komt tegenover een aansprakelijke, ten aanzien van wie vastgesteld
kan worden, zoals in het onderhavige geval, welk deel van de schade in
redelijkheid aan hem kan worden toegerekend. Het beroep op genoemde rechtsregel
faalt daarom.

3.14. Uit het bovenstaande volgt, dat elk van partijen voor een deel in
het ongelijk is gesteld. Daarin vindt de rechtbank aanleiding de proceskosten
te compenseren, in dier voege dat gedaagde de kosten van het deskundigenrapport
ten bedrage van ƒ 1904 dient te dragen en dat voor het overige elke partij
haar eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

– veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres
te betalen de som van ƒ 2400 (tweeduizend en vierhonderd gulden), vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf de dag der algehele voldoening;

– compenseert de proceskosten, in dier voege dat voor rekening van gedaagde
komen de met het deskundigenbericht gemoeide kosten ten bedrage van ƒ 1.904
en elke partij voor het overige de eigen kosten draagt;

– veroordeelt gedaagde in het genoemde bedrag van ƒ 1.904 (eenduizendnegenhonderd
en vier gulden), welk bedrag rechtstreeks aan de griffier van deze rechtbank
dient te worden overgemaakt;

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens te beslissen;

gelast partijen, vergezeld van haar raadslieden, voor de rechter-commissaris
mr. T. Fransen te verschijnen in het gebouw van de rechtbank aan de Wilhelminahof
100-125 te Rotterdam, teneinde als in rov. 3.12 vermeld, en wel op donderdag
29 mei 1997 te 9.30 uur;

– gelast eisers uiterlijk drie weken voor genoemde datum aan gedaagde en
de rechter-commissaris de in rov. 3.12 bedoelde lijst te zenden.

Rechters

Mr. Fransen