Instantie: Rechtbank Arnhem, 20 februari 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


De twee vrouwen vorderen van B ieder een schadevergoeding van ƒ 25 000. B
heeft zich schuldig gemaakt aan gijzeling, mishandeling en verkrachting van
de twee vrouwen. B verzet zich tegen de hoogte van de schadevergoeding. Hij
doet een beroep op matiging in verband met zijn draagkracht.
De rechtbank is van mening dat de door B aangevoerde financiële
omstandigheden voortvloeien uit de door hem jegens de vrouwen gepleegde
misdrijven en daarom ook voor zijn rekening dienen te blijven. Bovendien is
de financiële situatie van de vrouwen bepaald niet beter. De rechtbank komt
tot de conclusie dat, nu B geen andere argumenten aanvoert om de gevorderde
schadevergoeding te matigen, B de vrouwen ieder ƒ 25 000 schadevergoeding
dient te betalen.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Bij vonnis van 2 november 1995, rolnummer 1995/1737 van deze rechtbank is op
vordering van geopposeerden B als gedaagde bij verstek veroordeeld als in dat
vonnis nader omschreven.
Dit vonnis is blijkens exploit van 21 november 1995 ten verzoek van
geopposeerden aan B betekend. B heeft bij exploit van 30 november 1995
geopposeerden aangezegd in verzet te komen tegen vorengenoemd vonnis en hen
tevens gedagvaard voor deze rechtbank. Nadat B van eis had geconcludeerd
overeenkomstig deze dagvaarding hebben geopposeerden van antwoord
geconcludeerd en tevens hun eis vermeerderd, waarna B heeft gerepliceerd.
Tenslotte hebben partijen de processtukken aan de rechtbank overgelegd voor
het wijzen van vonnis.

2. Het geschil en de beoordeling van het geschil.

Nu het tegendeel niet is aangevoerd of gebleken kan worden aangenomen, dat
het verzet tijdig is gedaan, zodat B daarin kan worden ontvangen.

2.1. B heeft er terecht op gewezen, dat in de kop van het verstekvonnis ten
onrechte vermeld staat, dat geopposeerden zijn aangeduid als eiseressen bij
exploit van dagvaarding van 18 april 1995 en B als gedaagde bij dat exploit
van dagvaarding, en dat bij het tussenvonnis van 2 november 1995, rolnummer
1995/660 de rechtbank deze dagvaarding nietig verklaard heeft. Het
aangehaalde verstekvonnis van 2 november 1995 is echter gewezen op grond van
het exploit van betekening en oproeping van B d.d. 1 augustus 1995, zoals
onder het hoofdje: Het verloop van de procedure van het verstekvonnis staat
vermeld. Het genoemde exploit van 1 augustus 1995 is aan B in persoon
betekend en hij is in geen enkel opzicht benadeeld door deze kennelijke
vergissing in de kop van het verstekvonnis van de rechtbank, die daarom geen
gevolgen zal hebben voor de onderhavige procedure.

2.2. Bij vermeerdering van eis, waartegen B zich niet heeft verzet, vorderen
geopposeerden ieder zijn veroordeling tot betaling van de wettelijke rente
over ƒ 25 000, gerekend vanaf het moment van de stuiting tot aan het moment
der algehele voldoening. Tevens vorderen zij verwerping van het verzet en
veroordeling van de advocaat van gedaagde in de proceskosten ex art. 58 Rv.

2.3. Geopposeerden leggen het navolgende aan hun oorspronkelijke vordering
ten grondslag.

B heeft zich schuldig gemaakt aan gijzeling, mishandeling en verkrachting van
geopposeerden in de nacht van 23 op 24 oktober 1994, terzake waarvan hij bij
vonnis van 16 januari 1995 door deze rechtbank is veroordeeld tot 4 jaar
gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. B heeft derhalve onrechtmatig
jegens opposanten gehandeld en is daarom aansprakelijk voor de door hen
geleden materiële en immateriële schade, die voor ieder op ƒ 25 000 totaal
moet worden gesteld.

2.4. B voert tegen de stellingen van geopposeerden het volgende aan.

Hij erkent onrechtmatig jegens geopposeerden te hebben gehandeld en uit dien
hoofde schadeplichtig te zijn. Hij verzet zich echter tegen de hoogte van de
gevorderde bedragen, aangezien die geen recht doen aan zijn financiële
omstandigheden. Ter toelichting hierop stelt B, dat hij zijn baan kwijt is en
na zijn detentie niet eenvoudig een nieuwe baan zal krijgen, en dat hij
vermoedelijk op een RWW-uitkering zal terugvallen. Weliswaar heeft hij zijn
woning verkocht, hetgeen hem ruim ƒ 50 000 heeft opgeleverd, maar na zijn
detentie zal hij toch een nieuw leven moeten opbouwen.

2.5. Nu B de hoogte van de geleden schade op zichzelf niet betwist, zal de
rechtbank alleen nog moeten nagaan, of de door B aangevoerde omstandigheden
een reden vormen om de schadevergoeding te matigen overeenkomstig het
bepaalde in artikel 6:109, lid 1 BW. Gelet op de ernst van de door B jegens
geopposeerden gepleegde misdrijven, die hij niet heeft betwist, stelt de
rechtbank vast, dat B een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke
en lichamelijke integriteit van beide geopposeerden. De door B aangevoerde
financiële omstandigheden vloeien naar het oordeel van de rechtbank
rechtstreeks voort uit de door hem jegens geopposeerden gepleegde misdrijven,
zodat de door hem gestelde financiële consequenties daarvan voor zijn
rekening dienen te blijven.
Voorts concludeert de rechtbank uit het feit, dat geopposeerden beiden
kosteloos procederen, dat hun beider financiële situatie bepaald niet beter
is dan die van B, zoals hij die zelf heeft aangegeven. Een en ander is voor
de rechtbank reden om de vordering van geopposeerden niet op deze grond te
matigen. Nu B geen andere argumenten voor matiging van de schadevergoeding
aanvoert en de rechtbank ook overigens geen omstandigheden aanwezig acht, die
tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zouden leiden, indien de totale geleden
schade zou worden toegewezen, vindt de rechtbank geen reden aanwezig om de
schadevergoeding te matigen.

2.6. De door geopposeerden gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen
met ingang van 6 juli 1996, de datum van de conclusie van antwoord in
oppositie, tot aan de dag der voldoening. Uit het vorenstaande volgt, dat het
vonnis waartegen verzet, zal worden vernietigd.

2.7. Nu B in het ongelijk wordt gesteld, zal hij in de proceskosten worden
veroordeeld. De rechtbank vindt gelet op de processtukken geen aanleiding om
de procureur en advocaat van B, mr. Schadd, persoonlijk en uit eigen beurs in
de proceskosten te veroordelen.

3. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende in oppositie:

– vernietigt het onder rolnummer 1995/1737 op 2 november 1995 tussen partijen
gewezen vonnis
en opnieuw rechtdoende op het verzet:

– veroordeelt B om tegen behoorlijke kwijting aan ieder der geopposeerden te
betalen de somma van ƒ 25 000 (vijfentwintigduizend gulden), vermeerderd met
de wettelijke rente daarover, gerekend vanaf 6 juli 1996 tot de dag der
voldoening;
– veroordeelt B in de kosten van het geding met inbegrip van die van de
verstekprocedure, tot op heden aan de zijde van geopposeerden begroot op ƒ
2825,95, waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank (op
postbankrekeningnr. 935462 ten name van het Gerecht 533 arrondissement
Arnhem)
a. ƒ 1820 voor salaris procureur
b. ƒ 55,95 voor in de debet gestelde exploitkosten,
c. ƒ 770 voor in debet gesteld griffierecht en het restant ad ƒ 180 aan de
procureur van geopposeerden wegens het eigen aandeel in het griffierecht;

– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Teeuwissen-van der Valk