Instantie: Hoge Raad, 3 januari 1997

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Indirecte discriminatie van vrouwelijke werknemers door ongunstiger
salarisregeling. Alle blokkerende opleidingen (waaronder de N20) worden –
nagenoeg – alleen door vrouwen gevolgd. Verder is door de rechtbank
vastgesteld dat mannen die als leidinggevenden in de gezinszorg werkzaam
zijn, nagenoeg allen een beter salarisperspectief hadden dan de vrouwelijke
leidinggevenden. Dit betreft een zodanig verschil dat sprake is van een
indirect onderscheid waarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond ontbreekt.
Art. 7A:1638q BW is op de onderhavige vordering van toepassing. Verwijtbaar
gedrag van de werkgever is daartoe geen vereiste. Voldoende voor de
toewijsbaarheid van de verhoging is dat de niet-tijdige betaling is toe te
schrijven aan de werkgever. Uit de enkele omstandigheid dat de werkgever zich
gehouden heeft aan de Cao, volgt niet dat niet-tijdige betaling niet aan haar
zou zijn toe te schrijven.
(Vervolg op Rb. Zutphen 27 juli 1995, RN 1996, 560.)

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie – verder te noemen: G – heeft bij exploit van 8
november 1993 eiseres tot cassatie – verder te noemen: de Stichting –
gedagvaard voor de Kantonrechter te Terborg en gevorderd de Stichting te
veroordelen om aan G te voldoen een bedrag van ƒ 11 430,27 bruto over de
periode van 1 januari 1987 tot en met 31 maart 1993, alsmede een bedrag van ƒ
459,36 per maand vanaf 1 april 1993, met de wettelijke verhoging van ad 50%
en de wettelijke rente, en de buitengerechtelijke incassokosten ad 15% van de
hoofdsom.
De Stichting heeft de vordering bestreden.
Bij vonnis van 10 februari 1984 heeft de Kantonrechter de vordering
afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft G hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zutphen.
Daarbij heeft zij haar eis gewijzigd en gevorderd:

I. voor recht te verklaren dat G per 1 januari 1987 in volgnummer 28 van de
schaal behorend bij de functie van leidinggevende in de Gezinsverzorging
ingeschaald had moeten worden, met jaarlijkse verhoging tot de maximum
inschaling in volgnummer 33 per 1 januari 1992, alsmede inschaling per 1 juli
1993 op basis van het oude volgnummer 33;

II. de Stichting te veroordelen om aan G te betalen (a) haar achterstallig
salaris over de periodes 1 tot en met 3/1991 ad ƒ 1138,41 bruto, (b) over de
periode vanaf 4 tot en met 13/1991 ad ƒ 3934,65 bruto, en (c) over 1992 en
1993 tot aan 1 juli 1993 ad ƒ 9103,38 bruto, telkens te vermeerderen met de
wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente, alsmede (d) de
buitengerechtelijke incassokosten ad ƒ 1000 met wettelijke rente.

Bij vonnis van 27 juli 1995 heeft de Rechtbank het vonnis van de
Kantonrechter vernietigd, en, opnieuw rechtdoende:
a. voor recht verklaard dat G per 1 januari 1987 in volgnummer 28 van de
schaal behorend bij de functie van leidinggevende in de gezinsverzorging
ingeschaald had moeten worden, met jaarlijkse verhoging tot de
maximuminschaling in volgnummer 33 per 1 januari 1992, alsmede inschaling per
1 juli 1993 op basis van het oude volgnummer 33;

b. G niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot achterstallig salaris
over de periodes 1 en 2 van 1991;

c. de Stichting veroordeeld tot betaling aan G:

– van achterstallig salaris over de periodes 3 van 1991 ad ƒ 379,47 bruto;
– van achterstallig salaris over de periodes 4 tot en met 13 van 1991 ad ƒ
3934,65 bruto;
– van achterstallig salaris over 1992 en 1993 tot aan 1 juli 1993 ad ƒ
9103,38 bruto, een en ander vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en
met wettelijke rente;
– van de buitengerechtelijke incassokosten ad ƒ 1000 met wettelijke rente.

Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft de Stichting beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
G heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
(i) G is sedert 1 september 1976 werkzaam bij (de rechtsvoorgangsters van) de
Stichting, in de functie van leidinggevende gezinsverzorging. Op de
arbeidsovereenkomst tussen partijen was aanvankelijk de CAO Gezinsverzorging
en Algemeen maatschappelijk werk van toepassing; sinds 21 juni 1993 geldt de
CAO Gezinsverzorging.
(ii) Het salaris van de medewerkers van de Stichting wordt vastgesteld
volgens de -40 volgnummers omvattende- salarisregeling Gezinsverzorging die
bij de CAO behoort. Het exacte volgnummer in deze regeling is afhankelijk van
functie, opleidingsniveau en ervaringsjaren. Een leidinggevende
gezinsverzorging wordt geplaatst in het opleidingsniveau Y.
(iii) Het opleidingsniveau y had in de -krachtens de aanvankelijk geldende
CAO toepasselijke- salarisregeling betrekking op een voltooide opleiding aan
de Sociale Academie. Andere opleidingen, waaronder de door G gevolgde
nijverheidsopleiding voor meisjes die destijds resulteerde in de zogenoemde
akte N20, werden gelijkgesteld met opleidingsniveau Y, met dien verstande dat
voor medewerkers met deze gelijkgestelde opleidingen niet een doorloop na
tien dienstjaren naar volgnummer 33 geldt, welke doorloop wel van toepassing
is op medewerkers die op grond van een diploma van de Sociale Academie in
opleidingsniveau Y zijn geplaatst.
(iv) G is bij haar indiensttreding op grond van haar leeftijd en opgebouwde
ervaringsjaren ingeschaald in volgnummer 21 van de salarisregeling. Op 1
september 1986 was zij tien jaren als leidinggevende op HBO-niveau werkzaam.
Haar salaris bedroeg op 8 november 1993 ƒ 3902,40 bruto per maand, volgnummer
27 in de salarisregeling. Sinds zij dit volgnummer had bereikt, is sprake van
een salarisblokkade.
(v) G verricht arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde als haar mannelijke
collega. Deze is in het bezit van een HBO-diploma en ingeschaald in
opleidingsniveau Y; aan hem wordt een doorstroming naar schaal 28 – 33
toegekend.
(vi) Op 21 juni 1993 is een nieuwe salarisregeling van kracht geworden. De
opleidingseisen bij de inschaling zijn daarbij vervallen en vervangen door
opleidingsindicaties. Voor leidinggevenden gezinszorg bestaat thans een
maximale uitloop naar volgnummer 30 (volgens de oude schaal nummer 32). Voor
huidige werknemers in een leidinggevende functie op HBO-niveau geldt een
garantie voor het oude volgnummer 33; peildatum is 20 juni 1933. Inschaling
van reeds in dienst zijnde werknemers en werkneemsters geschiedt met
inachtneming van de overgangsbepaling van de CAO Gezinsverzorging.
(vii) G heeft bij brief van 28 november 1992 aan de Stichting verzocht om in
haar salariëring `door te stromen naar het maximum volgnummer, te weten
volgnummer 33′. Zij beriep zich hierbij op de uitspraak van de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid van 1 juli 1991,
oordeelnummer 167A-91-41.
(viii) De Stichting heeft dit verzoek afgewezen, waarna de vakbond AbvaKabo
bij brief van 1 maart 1993 het verzoek heeft herhaald en onderbouwd. Tevens
vorderde de bond het volgens hem over de afgelopen twee jaren te weinig aan G
uitbetaalde loon.

3.2. G heeft in eerste aanleg betaling van achterstallig loon gevorderd,
zoals hiervoor onder 1 vermeld.
De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen op grond van haar oordelen,
verkort weergegeven: dat de mogelijkheid tot doorstroming van de
leidinggevenden gezinsverzorging op grond van de (algemeen verbindende
verklaarde) CAO onder andere afhankelijk is gesteld van het opleidingsniveau
van de leidinggevende; dat vrouwen of mannen die zijn afgestudeerd aan de
Sociale Academie alsmede zij die in het bezit zijn van de HBP-diploma’s,
genoemd in de bij de CAO behorende lijst van vergelijkbare opleidingen,
konden doorstromen tot volgnummer 33, waarbij het niet terzake deed of dit
vrouwen of mannen betrof; dat mannen of vrouwen met een lagere opleiding
slechts konden doorstromen tot volgnummer 27; dat het op zichzelf niet
discriminerend is dat het opleidingsniveau als criterium wordt gebruikt voor
de doorstroming tot een bepaald volgnummer; dat niet gesteld of gebleken is
dat vrouwen (of mannen) uitgesloten zijn van het volgen van de hogere
opleiding die doorstroming tot het hogere salarisniveau mogelijk maakt; dat
derhalve niet gezegd kan worden dat sprake is van directe of indirecte
discriminatie van vrouwen.
In hoger beroep heeft G haar eis gewijzigd en herhaald onderbouwd. Tevens
vorderde de bond het volgens hem over de afgelopen twee jaren te weinig aan G
uitbetaalde loon.

3.3. G heeft in eerste aanleg betaling van achterstallig loon gevorderd,
zoals hiervoor onder 1 vermeld.
De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen op grond van haar oordelen,
verkort weergegeven: dat de mogelijkheid tot doorstroming van de
leidinggevenden gezinsverzorging op grond van de (algemeen verbindend
verklaarde) CAO onder andere afhankelijk is gesteld van het opleidingsniveau
van de leidinggevende; dat vrouwen of mannen die zijn afgestudeerd aan de
Sociale Academie alsmede zij die in het bezit zijn van de HBO-diploma’s,
genoemd in de bij de CAO behorende lijst van vergelijkbare opleidingen,
konden doorstromen tot volgnummer 33, waarbij het niet terzake deed of dit
vrouwen of mannen betrof; dat mannen of vrouwen met een lagere opleiding
slechts konden doorstromen tot volgnummer 27; dat het op zichzelf niet
discriminerend is dat het opleidingsniveau als criterium wordt gebruikt voor
de doorstroming tot een bepaald volgnummer; dat niet gesteld is of gebleken
is dat vrouwen (of mannen) uitgesloten zijn van het volgen van de hogere
opleiding die doorstroming tot het hogere salarisniveau mogelijk maakt; dat
derhalve niet gezegd kan worden dat sprake is van directe of indirecte
discriminatie van vrouwen.
In hoger beroep heeft G haar eis gewijzigd en aangevuld, zoals hiervoor onder
1 vermeld. De Rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht gegeven en
de loonderving grotendeels toegewezen, zulks op grond van haar oordeel (rov.
5.8) dat in 1987 sprake was van een ongeoorloofd indirect onderscheid. In
plaats van handhaving in volgnummer 27 had G volgens de Rechtbank per 1
januari 1987 in volgnummer 28 moeten worden ingeschaald, hetgeen automatisch
zou zijn gevolgd door jaarlijkse verhogingen met steeds één nummer;
per 1 januari 1993 zou dit hebben geresulteerd in volgnummer 33 volgens de
oude schaal, terwijl op G tevens de garantieregeling uit de nieuwe CAO van
toepassing zou zijn geweest, aldus de Rechtbank.

3.3.1. Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van de
Rechtbank dat sprake is van indirect onderscheid.
De Rechtbank heeft vooropgesteld dat in het onderhavige geval niet van direct
onderscheid maar (hoogstens) van indirect onderscheid sprake is, nu G voor
arbeid van gelijke waarde een lager loon dan haar mannelijke collega
ontvangt, niet omdat zij vrouw is, doch uitsluitend als gevolg van het feit
dat zij een andere vooropleiding heeft gevolgd dan die mannelijke collega.
Vervolgens heeft de Rechtbank, na te hebben uiteengezet welke ontwikkelingen
zich ten aanzien van de opleidingseisen voor leidinggevenden gezinsverzorging
hebben voorgedaan, vastgesteld dat in de praktijk de functies van deze
leidinggevenden bij de Stichting niet worden gedifferentieerd en dat G
kennelijk wel over de vereiste kennis en vaardigheid beschikt, maar, anders
dan degenen die op grond van de oude CAO naar een hoger salaris konden
doorstromen in verband met een vooropleiding in de sfeer van maatschappelijk
werk, bij gebreke van deze vooropleiding van die doorstromingsmogelijkheid is
uitgesloten. Aangezien de door G gevolgde nijverheidsopleiding slechts
openstond voor meisjes, aldus de Rechtbank, is sprake van een indirect
onderscheid, hetgeen te meer klemt nu `de zogenaamde blokkerende opleidingen
allemaal opleidingen zijn die (nagenoeg) alleen door vrouwen zijn gevolgd’.
Naar het oordeel van de Rechtbank doet daaraan niet af dat de
niet-blokkerende opleidingen zowel door vrouwen als door mannen zijn en
worden gevolgd: `het komt er immers op neer dat mannen, die in 1987 als
leidinggevende gezinszorg werkzaam waren, nagenoeg allen een beter
salarisperspectief verkregen dan een (groot) deel van de vrouwen waaronder G,
zonder dat de verrichte werkzaamheden dat onderscheid, al was het maar in
overwegende mate, rechtvaardigden’.

3.3.2. Het onderdeel klaagt onder a, b en c dat niet begrijpelijk is dat de
Rechtbank haar oordeel dat sprake is van indirect onderscheid, heeft
gebaseerd op het feit dat de door G gevolgde nijverheidsopleiding slechts
voor meisjes openstond. De Stichting, aldus deze klacht, heeft immers gesteld
dat de blokkering van de doorloop tot volgnummer 33 niet alleen geldt voor
degene die de bedoelde nijverheidsopleiding hebben gevolgd, maar ook van
toepassing is op een reeks van andere opleidingen; een en ander zou in het
bijzonder gelden nu door de Stichting is gesteld dat het diploma van de
blokkerende opleiding HBO-J ook wordt behaald door mannen, die dus ook van
doorloop zijn uitgezonderd.
De klacht faalt. De rechtbank heeft vastgesteld dat alle blokkerende
opleidingen (nagenoeg) alleen door vrouwen zijn gevolgd. Anders dan het
onderdeel onder c in de eerste plaats betoogt, is deze vaststelling niet
onbegrijpelijk in het licht van de stelling van de Stichting dat het diploma
van de blokkerende opleiding HBO-J ook wordt behaald door mannen. De
Rechtbank heeft voorts overwogen dat mannen die in 1987 als leidinggevende
gezinszorg werkzaam waren, nagenoeg allen een beter salarisperspectief
verkregen dan een (groot) deel van de vrouwen waaronder G. In een en ander
ligt besloten het oordeel van de Rechtbank dat het percentage vrouwen in de
groep van leidinggevenden gezinszorg die een blokkerende opleiding hebben
gevolgd, veel groter is dan het percentage vrouwen in de groep van
leidinggevende gezinszorg met een niet-blokkerende opleiding. Met een zodanig
verschil is indirect onderscheid gegeven, zodat vorenbedoelde stellingen van
de Stichting buiten beschouwing konden worden gelaten.
Ook de tweede klacht onder c wordt tevergeefs voorgedragen: ook indien, zoals
de Stichting heeft gesteld, werkenden in de gezinsverzorging toen en thans in
overgrote meerderheid van het vrouwelijk geslacht zijn, kan dit niet afdoen
aan het oordeel van de Rechtbank dat het percentage vrouwen in de groep die
door de blokkade wordt benadeeld veel groter is dan het percentage vrouwen in
de groep waarvoor de blokkade niet geldt.
Anders dan in het onderdeel onder d wordt betoogd, behoefde de Rechtbank zich
niet van haar bestreden oordeel te laten weerhouden door het door de
Stichting gestelde verschil in karakter tussen de blokkerende en de
niet-blokkerende opleidingen, noch ook door de omstandigheid dat
niet-blokkerende opleidingen `voor een zeer belangrijk percentage vrouwelijke
afgestudeerden afleveren’.

3.4. De in onderdeel 1 onder e en in onderdeel 2 aangevoerde klachten
strekken ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat de verschillen tussen
de blokkerende en de niet-blokkerende opleidingen het gemaakte onderscheid
rechtvaardigen.
Deze klachten falen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat weliswaar meerdere
vakkennis of ervaring een onderscheid als het onderhavige kan rechtvaardigen,
doch dat uit de omstandigheden van het geval moet worden afgeleid dat degenen
die rechtstreeks in opleidingsniveau Y werden geplaatst, ten opzichte van
degenen van wie de opleiding met niveau Y werd gelijkgesteld niet over zulke
meerdere vakkennis of ervaring beschikten. Door daaraan de gevolgtrekking te
verbinden dat een objectieve rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte
onderscheid ontbreekt, heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting, noch ook haar beslissing onvoldoende gemotiveerd.

3.5. De Rechtbank heeft geoordeeld (rov. 5.10) dat ook op een vordering als
de onderhavige art. 7A:1638q BW van toepassing is. Zij heeft de door G op
grond van die bepaling gevorderde wettelijke verhoging vastgesteld op 10%.
Onderdeel 3 verwijt de Rechtbank aldus een onjuiste beslissing te hebben
gegeven, althans haar beslissing onvoldoende te hebben gemotiveerd. Het
onderdeel voert hiertoe aan dat er geen ruimte is voor toewijzing van een
wettelijke verhoging indien, zoals hier, aan de werkgever niets te verwijten
valt omdat hij zich op correcte wijze aan de toepasselijke CAO-bepalingen
heeft gehouden. Gezien de correcte toepassing van de CAO-bepalingen, aldus
het onderdeel, is er alle aanleiding de verhoging te matigen tot nihil.
Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het ervan
uitgaat dat de wettelijke verhoging slechts kan worden toegewezen indien de
niet-tijdige betaling van het verschuldigde loon door verwijtbaar gedrag van
de werkgever is veroorzaakt. Voldoende voor de toewijsbaarheid van de
verhoging is dat de niet-tijdige betaling aan de werkgever is toe te
schrijven. Uit de enkele omstandigheid dat de Stichting zich aan de CAO heeft
gehouden, volgt niet dat de niet-tijdige betaling niet aan haar zou zijn toe
te schrijven.
Ook de motiveringsklacht faalt. De Rechtbank was niet verplicht te motiveren
waarom zij het in de gegeven omstandigheden billijk acht de verhoging niet
verder te beperken dan tot 10%. Zij heeft dit oordeel desondanks voorzien van
een motivering en deze is alleszins deugdelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van G begroot op ƒ 577,20 aan verschotten en ƒ 3000
voor salaris.

Rechters

Mrs Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Jansen