Instantie: Gerechtshof Arnhem, 9 juli 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Vrouw is in psychiatrisch ziekenhuis verkracht door medepatiënten. De
aangifte is geseponeerd. Een civiele procedure tegen het ziekenhuis is
verloren omdat niet voldoende is aangetoond dat er sprake is van enig
tekortschieten terzake van toezicht of preventie. Aan het ziekenhuis komt een
zekere beoordelingsvrijheid toe ten aanzien van de bewegingsvrijheid van
patiënten.
In dit tussenvonnis is het hof van oordeel dat van een ziekenhuis mag worden
verwacht dat het zodanige maatregelen treft dat ongewenste seksueel contacten
tussen patiënten zoveel mogelijk worden voorkomen. Het ziekenhuis moet
inlichtingen verstrekken over de wijze waarop men destijds toezicht hield op
de veiligheid en lichamelijke integriteit van de opgenomen patiënten en welk
beleid er werd gevoerd ten aanzien van de seksuele contacten tussen patiënten.
Wanneer blijkt dat het ziekenhuis tekort is geschoten, rest nog de vraag in
hoeverre eiseres tengevolge daarvan schade heeft geleden. Afwijzing van
schade door arbeidsongeschiktheid tengevolge van hetgeen in het ziekenhuis is
voorgevallen, nu dit niet met concrete feiten en omstandigheden is gestaafd.
(Ook vonnis rechtbank Zutphen 29 december 1994 is opgenomen).

Volledige tekst

Vonnis Rechtbank Zutphen 29 december 1994, rolnummer 523h/93. Mr.
I.C.J.I.M. van Dorp.

1. Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
– de dagvaarding d.d. 21 juli 1993
– de conclusie van eis
– de conclusie van antwoord
– de conclusie van repliek
– de conclusie van dupliek
2. De vaststaande feiten
2.1. Eind mei, begin juni 1989 is B op vrijwillige basis opgenomen geweest in
het algemeen psychiatrisch ziekenhuis B. te Deventer. B. was psychotisch. Zij
heeft ongeveer vijf weken verbleven op de gesloten afdeling Centrale Opname.
2.2. Op 27 januari 1992 heeft B aangifte gedaan bij de politie te Deventer
terzake van verkrachting en feitelijke aanranding der eerbaarheid door twee
medepatiënten van het ziekenhuis, R en E, welke feiten zouden zijn gepleegd
op de eerste dag van haar opname.
2.3. De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd.
3. De vordering
3.1. B vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de
Stichting zal veroordelen om aan haar te betalen een bedrag groot ƒ 15 000,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 1993 tot aan de dag der
algehele voldoening met haar veroordeling in de kosten van het geding.
3.2. B legt aan haar vordering de navolgende stellingen ten grondslag.
3.3. Het is aan (personeel van) de Stichting te verwijten dat het seksueel
contact heeft kunnen plaatsvinden. Het personeel heeft onvoldoende toezicht
gehouden en/of aan E en R een ontoelaatbare bewegingsvrijheid gelaten.
Hoewel B aan de behandelend psychiater en later aan de arbeidstherapeut heeft
verteld wat er met haar was gebeurd, is er door de Stichting geen enkele
actie ondernomen.
De onrechtmatige gedraging van de Stichting heeft smart en derving van
levensvreugde opgeleverd en levert dit thans nog op.
4. Het verweer
4.1. De Stichting concludeert dat de rechtbank de vordering van B afwijst,
hetzij door haar niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, hetzij
door haar deze te ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het
geding.
4.2. De Stichting voert de navolgende verweren aan.
Het staat niet vast dat de gebeurtenissen zoals door B geschetst, in het
bijzonder in haar aangifte bij de politie zich daadwerkelijk zo hebben
afgespeeld.
Er worden geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die wijzen op
enig (organisatorisch) tekort schieten terzake van toezicht of preventie van
gebeurtenissen als door B gerelateerd.
Uit de aangifte blijkt niet duidelijk dat er sprake is van verkrachting
stricto sensu. De vraag rijst dan of en in hoeverre sprake is van aan de
gestelde gebeurtenissen toe te rekenen smart en derving van levensvreugde.
Voorts wordt de immateriële schade op geen enkele wijze onderbouwd.
Uiterst subsidiair bestrijdt de Stichting de gerechtvaardigdheid en de omvang
van het gevorderde smartegeld.
5. De beoordeling van het geschil
5.1. Ingevolge artikel 68a van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek wordt
het onderhavige geschil beheerst door het recht van voor 1 januari 1992.
5.2. Voor de aansprakelijkheid van de Stichting voor het door B geschetste
misbruik, is nodig dat komt vast te staan dat de Stichting of haar
personeelsleden zijn te kort geschoten in het treffen van maatregelen die
redelijkerwijze van hen konden worden gevergd teneinde die gebeurtenis te
voorkomen.
Met de Stichting is de rechtbank van oordeel dat B haar stelling dat het
personeel onvoldoende toezicht heeft gehouden en/of dat aan de betrokken
medepatiënten teveel vrijheid is gelaten niet althans onvoldoende heeft
onderbouwd met feitelijkheden, waaruit – indien deze zouden komen vast te
staan – zou kunnen blijken dat de Stichting enigerlei verwijt kan worden
gemaakt in gemelde zin. B noemt in dit verband slechts dat van R algemeen
bekend was dat hij niet van vrouwen kon afblijven en dat B toen zij misbruikt
werd, versuft was door medicijnen en op een gesloten afdeling verbleef.
De rechtbank overweegt hieromtrent, dat (op gesloten afdelingen) in
instellingen als de onderhavige vaker patiënten met eigenschappen als die van
R verblijven en dat doorgaans bij psychotische patiënten medicatie wordt
toegepast. Voorts komt deze instellingen met betrekking tot aan de patiënten
toekomende bewegingsvrijheid – anders dan B meent ook binnen de instelling -,
een zekere beoordelingsvrijheid toe.
B had – in dit licht beschouwd – feitelijk en concreet moeten aangeven welke
maatregelen de personeelsleden in dit specifieke geval verzuimd hebben te
treffen of hoe zij anderszins onzorgvuldig gehandeld hebben, dan wel welk
gebrek in de organisatie de Stichting in het onderhavige geval te verwijten
valt.
5.3. B heeft nog aangevoerd, dat de Stichting geen actie heeft ondernomen
nadat B aan de psychiater en de arbeidstherapeut had verteld wat er zich had
voorgedaan. Het enkele verzuimen van het geven van nazorg in de ruimste zin
zoals de rechtbank de stelling van B leest – welk verzuimen overigens door de
Stichting wordt betwist – kan niet gekwalificeerd worden als onrechtmatig
handelen.
5.4. Uit het bovenstaande volgt dat de vordering reeds hierom zal worden
afgewezen.
De overige weren van de Stichting behoeven derhalve geen bespreking.
5.5. B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding
worden veroordeeld.
De beslissing
De rechtbank, rechtdoende,
Wijst de vordering af.
Veroordeelt B in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de
Stichting begroot op ƒ 350 aan verschotten en op ƒ 1240 aan salaris voor de
procureur.
Arrest van het Hof Arnhem 9 juli 1996
Het geding in eerste aanleg:
Op 29 december 1994 heeft de rechtbank te Zutphen tussen partijen een vonnis
gewezen dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht en naar de inhoud waarvan
wordt verwezen.
Het geding in hoger beroep:
Appellante, verder ook: B, is bij exploit van 23 maart 1995 in hoger beroep
gekomen van voormeld vonnis, met gelijktijdige dagvaarding van geïntimeerde,
verder ook: De Stichting voor dit hof.
Bij memorie van grieven zijn na te melden grieven aangevoerd, is de eis
gewijzigd, zijn producties overgelegd en is geconcludeerd – zo begrijpt het
hof – dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en De Stichting zal
veroordelen tot het vergoeden van schade aan B, nader op te maken bij staat.
Bij memorie van antwoord is verzet gedaan tegen de eiswijziging, is verweer
gevoerd en zijn producties overgelegd, met conclusie dat het hof de grieven
ongegrond zal verklaren en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met
veroordeling van B, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure
in beide instanties, bedoeld zal zijn in die van het hoger beroep.
Bij rolbeschikking van 19 maart 1996 is het verzet tegen de wijziging van eis
ongegrond verklaard.
Daarna hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven:
1. De grieven luiden als volgt:
Grief 1: De rechtbank heeft B ten onrechte niet geslaagd geacht in het bewijs
dat De Stichting of haar personeelsleden zijn tekort geschoten in het treffen
van maatregelen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd, teneinde
het door B gestelde misbruik te voorkomen.
Grief 2: Ten onrechte overweegt de rechtbank in punt 5.3. dat enkele
verzuimen in het geven van nazorg in de ruimste zin niet gekwalificeerd
kunnen worden als onrechtmatig handelen.
Grief 3: Ten onrechte overweegt de rechtbank in overweging 5.4. dat de
overige stellingen niet besproken hoeven te worden.
De vaststaande feiten:
2. Tussen partijen staat in hoger beroep het volgende vast, deels omdat dit
reeds door de rechtbank als zodanig is vastgesteld en in hoger beroep niet is
bestreden en deels op grond van hetgeen in hoger beroep is gesteld en erkend
dan wel onvoldoende bestreden.
2.1. Van 31 mei 1989 tot 16 juni 1989 en van 28 juni 1989 tot 17 november
1989 is B op vrijwillige basis opgenomen geweest in het algemeen
psychiatrisch ziekenhuis B. te Deventer (verder: het ziekenhuis), onderdeel
van De Stichting. B was ten tijde van beide opnames psychotisch tot enkele
dagen na de opname. Zij verbleef in elk geval tijdens de eerste dagen van de
eerste opname op de gesloten afdeling Centrale Opname. Dadelijk na de eerste
opname kreeg zij het medicijn Haldol toegediend.
2.2. Op 27 januari 1992 heeft B aangifte gedaan bij de politie te Deventer
terzake van verkrachting en feitelijke aanranding der eerbaarheid door twee
medepatiënten van het ziekenhuis, R en E, welke feiten zouden zijn gepleegd
op de eerste dag van haar opname.
2.3. De districtspsychiater S. heeft op verzoek van de officier van justitie
de behandelingsinformatie opgevraagd bij APZ B. Bij brief van 9 juli 1992
heeft hij onder meer het volgende aan de officier van justitie geschreven:
`In het ziekenhuis is niets bekend van een eventuele aanranding,
verkrachting. Op de deeltijdbehandeling heeft mevr. B aangegeven dat er nare
dingen zijn gebeurd tijdens de opname. In de periode dat ze dit vertelde was
ze randpsychotisch, haar relaas was onduidelijk en inconsistent. Ik heb
kennis genomen van de behandelverslagen. Tot enkele dagen na de opname was ze
psychotisch, ze voelde zich beïnvloed door anderen. Dit maakte haar angstig.
Ze had akoestische hallucinaties (gehoorhallucinaties) en beïnvloedingswanen.
Het denken was associatief, geen geheugenstoornissen. Na enkele dagen
verbeterde haar toestand tgv medicatie. Ze functioneerde toen niet meer
psychotisch en was coherent. Nadien was er een korte periode van psychotisch
functioneren en volgde heropname. Na bestudering van de ter beschikking
staande informatie, lijken me er geen psychiatrische redenen aan te voeren
waarom ze niet in staat is adequaat een aangifte te doen. Het is niet uit te
maken hoe mevrouw functioneerde in de korte perioden dat ze psychotisch was.’
2.4. R en E zijn op 9 november 1992 aangehouden, in verzekering gesteld en
door de politie gehoord. De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd
en heeft dit sepot in een gesprek op 9 februari 1993 toegelicht aan B.
2.5. R heeft tegenover de politie onder meer als volgt verklaard:
`U heeft me een foto aangewezen en ik hoor van u dat die vrouw J heet. Ik ken
haar niet. Het zou kunnen dat ik haar wel eens in de S. heb gezien, maar dat
weet ik niet zeker. U vroeg me of ik wel eens heb gezien dat E met een vrouw
naar bed is geweest. Ik heb dat niet gezien. Ik heb dat alleen van horen
zeggen. Ik praat niet graag over de bedgeheimen van een ander (…) Ik heb
wel eens een vrouwtje met donker haar over haar bol geaaid omdat ik haar
aardig vond. Dat was op de centrale opname. Ze duwde me weg.’
2.6. E heeft tegenover de politie onder meer als volgt verklaard:
`Ik kan mij de naam J herinneren. (…) Ik kan me nog herinneren dat ze een
keer op mijn kamer kwam. Zij had toen een colbert jasje aan. Het kan ook zijn
dat zij al op mijn kamer was toen ik binnen was. Dat weet ik niet meer. Wel
weet ik dat zij alleen een colbertjasje aan had. Volgens mij was het colbert
jasje licht bruin van kleur. Verder was ze helemaal naakt. Ik kon dit zien.
Ze is toen op het bed gaan liggen. (…) Ik weet niet precies meer wat er
toen is gebeurd. Wel weet ik dat ik haar gekust heb. Dit is nauwelijks
gebeurd. Wel weet ik dat ik haar gekust heb op de mond of op de wang. Ik heb
haar nauwelijks aangeraakt in het kruis, (…) Ik heb geen nummertje met haar
gemaakt. Dit weet ik zeker. (…) Ik ben er nooit bij geweest dat R een
nummertje heeft gemaakt met een vrouw.’
2.7. In proces-verbaal met nr. 02-12-1991, 38-2-3 komt onder meer de volgende
passage voor:
`In juni 1992 werd door collega S.J. Ter Wal, hoofdagent van gemeentepolitie
Deventer, tevens werkzaam op de afdeling jeugd- en zedenpolitie, op verzoek
van personeel van het psychiatrisch ziekenhuis B een onderzoek ingesteld. Een
patiënte was kennelijk op het terrein van voornoemd ziekenhuis verkracht.
Naar aanleiding van het door de patiënte opgegeven signalement, werd door het
personeel van genoemd ziekenhuis verdachte R voornoemd aangesproken. R
ontkende en volgens de patiënte was R niet de dader. Door een personeelslid
van voornoemd ziekenhuis werd opgemerkt dat van R bekend was dat hij niet met
zijn vingers van vrouwen af kon blijven.’
Beoordeling van het geschil in hoger beroep:
3. B vordert veroordeling van het ziekenhuis tot betaling van
schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Zij houdt het ziekenhuis
daartoe aansprakelijk omdat het ziekenhuis onvoldoende toezicht heeft
gehouden of heeft nagelaten veiligheidsmaatregelen te treffen waardoor had
kunnen worden voorkomen dat zij op de eerste dag van haar opname seksueel is
misbruikt door twee medepatiënten en door voorts na te laten nazorg te
plegen, tengevolge waarvan zij levensvreugde heeft gederfd en smart heeft
ondergaan en materiële schade heeft geleden.
4. Door de grieven, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, wordt het
geschil tussen partijen in volle omvang aan het oordeel van het hof
onderworpen.
5. In eerste aanleg baseerde B haar vordering op onrechtmatige daad terwijl
in hoger beroep de vordering kennelijk op een tekortkoming in de nakoming van
de overeenkomst tussen het ziekenhuis en B wordt gebaseerd. Dit verschil in
rechtsgrond heeft geen gevolg voor de beoordeling van het geschil. In beide
gevallen is het recht van voor 1 januari 1992 toepasselijk voor de
beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad c.q. tekortkoming,
terwijl de maatstaf voor die beoordeling dezelfde is.
6. Die maatstaf is dat degene die in het kader van de behandeling het
toezicht heeft aanvaard, gehouden is zoveel als redelijkerwijs mogelijk is
erop toe te zien dat een patiënt derden (of zichzelf) geen schade toebrengt.
Hoever dat toezicht behoort te gaan en welke maatregelen ter voorkoming van
het toebrengen van schade aan derden (of aan de patiënt zelf) de
toezichthouder behoort te nemen, hangt af van de bijzonderheden van het
gegeven geval, waarbij van belang zijn enerzijds de grondrechten van de
patiënt en de medepatiënten en de aan hun behandeling uit medisch oogpunt te
stellen eisen en anderzijds de kans dat de patiënt derden of zichzelf schade
kan toebrengen.
7. Of het ziekenhuis aan die maatstaf heeft voldaan is echter pas relevant
indien zou vaststaan dat B – zoals zij stelt – op de eerste of tweede dag van
haar opname door R en E tegen haar wil is bejegend als door haar gesteld.
Haar stellingen komen er op neer dat zij in aanwezigheid van E door R is
verkracht, terwijl zij vervolgens is betast door E. De rechtbank heeft dit
onbesproken gelaten. Anders dan B in hoger beroep betoogt kan dat
feitencomplex op grond van de door haar overgelegde producties, waaronder met
name het proces-verbaal van de politie (zie de relevante passages in r.o.
2.5., 2.6. en 2.7.), niet geheel als vaststaand worden aangenomen. Met name
de verkrachting door R is niet bewezen. R ontkent, terwijl E te kennen geeft
nimmer gezien te hebben dat R met een vrouw naar bed ging. Andere
bewijsmiddelen voor de gestelde gedragingen van R zijn er niet en er is
evenmin nader bewijs aangeboden. Het enkele feit dat R bij personeelsleden
van het ziekenhuis bekend zou staan als iemand die niet van vrouwen kon
afblijven rechtvaardigt niet de conclusie dat hij dus datgene heeft gedaan
waarvan B hem beschuldigt.
Op grond van de verklaringen van E en B acht het hof echter wel bewezen dat E
B heeft betast als door haar gesteld. Gelet op de in r.o. 2.3. geciteerde en
onweersproken brief van de districtspsychiater had B geen geheugenstoornissen
en moet ze geacht worden adequaat aangifte te hebben kunnen doen. De
verklaringen van B en E zijn geheel congruent met elkaar, ook wat betreft de
details, zoals de kleding en de wijze van betasten. Op grond daarvan acht het
hof die gebeurtenis bewezen.
8. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of een en ander tegen de
wil van B is geschied. B heeft niet gesteld dat zij zich actief heeft verzet
tegen hetgeen haar overkwam. Daarmee staat – anders dan De Stichting
kennelijk wil betogen – nog niet vast dat zij daarmee instemde. Zij heeft
onweersproken gesteld dat zij destijds door het gebruik van Haldol zodanig
versuft was dat zij niet goed in staat was zich tegen de haar opgedrongen
seksuele handelingen te verzetten, terwijl haar psychotische toestand in het
algemeen haar daarin ook al bemoeilijkte. Het hof acht het dan ook
aannemelijk dat zij ongewild althans willoos in de situatie met E is
betrokken.
9. Het hof zal thans bespreken of het ziekenhuis heeft voldaan aan de in r.o.
6 genoemde maatstaf. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat B in eerste
aanleg niet erg feitelijk en concreet heeft aangegeven welke maatregelen de
personeelsleden (al dan niet conform organisatieregels van het ziekenhuis)
hadden behoren te treffen om te voorkomen dat zij in een situatie als de
hiervoor geschetste verzeild zou raken.
Dit heeft zij thans echter wel gedaan.
10. Het hof is van oordeel dat – zoals B terecht aanvoert – van een
ziekenhuis verwacht mag worden dat zodanige maatregelen worden getroffen dat
ongewenste seksuele contacten tussen patiënten zoveel mogelijk worden
voorkomen, zeker wanneer zoals in het onderhavige geval psychotische en/of
ontremde patiënten gezamenlijk in een gesloten afdeling verblijven. Zij
moeten er dan op kunnen rekenen dat seksueel misbruik niet gemakkelijk kan
plaatsvinden.
B noemt in hoger beroep als mogelijke concrete maatregelen:
– het afzonderlijk verplegen van mannen en vrouwen;
– het afzonderlijk verplegen van seksueel ontremde personen;
– het verbieden van het betreden van elkaars slaapkamers;
– het organiseren van een voller dagprogramma waardoor patiënten minder tijd
hebben om rond te hangen of elkaar lastig te vallen.
11. Zoals B zelf al stelt is het volledig afzonderlijk verplegen van mannen
en vrouwen niet passend in de huidige opvattingen omtrent omgang tussen
mannen en vrouwen. De overige door B genoemde maatregelen acht het hof echter
op zichzelf niet onmogelijk en/of onwerkbaar. Het hof acht het – alvorens te
beslissen of die maatregelen in casu genomen hadden moeten worden –
noodzakelijk dat het ziekenhuis inlichtingen verstrekt omtrent de wijze
waarop het destijds toezicht hield op de veiligheid en lichamelijke
integriteit van de opgenomen patiënten en welk beleid er werd gevoerd ten
aanzien van de seksuele relaties tussen patiënten. Tevens zal het hof
ingelicht moeten worden over de mate van bezwaarlijkheid van de genoemde
maatregelen, waardoor die maatregelen mogelijk naar redelijkheid niet van het
ziekenhuis konden worden gevergd.
12. Voor zover het hof tot het oordeel zou komen dat het ziekenhuis is
tekortgeschoten in het nemen van adequate maatregelen blijft nog de vraag in
hoeverre B tengevolge daarvan schade heeft geleden. In eerste aanleg werd
uitsluitend vergoeding van immateriële schade gevorderd, terwijl thans ook
vergoeding van materiële schade wordt gevorderd, nader op te maken bij staat.
13. Voor toewijzing van de schadevergoeding is noodzakelijk dat komt vast te
staan dat er schade is geleden tengevolge van het tekortschieten van het
ziekenhuis. Dat er in dat geval sprake is van immateriële schade is zonder
meer aannemelijk. Deze zou dan door het hof begroot kunnen worden. Dat B
thans arbeidsongeschikt is tengevolge van de hetgeen in het ziekenhuis is
voorgevallen is door haar niet met concrete feiten en omstandigheden
gestaafd. Dit onderdeel van de vordering zal daarom in elk geval moeten
worden afgewezen.
14. Ten slotte stelt B het ziekenhuis ook aansprakelijk wegens het ontbreken
van adekwate nazorg. Niet gesteld of gebleken is dat de melding van het
voorgevallene aan de behandelend psychiater zodanig duidelijk is geweest dat
deze daaruit kon afleiden wat er volgens B was gebeurd en te minder dat B
wenste te doen. Uit de overgelegde verklaringen van haar zuster en uit haar
eigen aangifte bij de politie komt slechts naar voren dat hierover in vage
termen tegenover de psychiater is gesproken.
15. Wel wenst het hof nadere inlichtingen te ontvangen van De Stichting op
welke wijze de arbeidstherapeut heeft gereageerd toen B met hem over haar
seksuele ervaringen in het ziekenhuis heeft gesproken. Voorshands acht het hof
het ook wat dat betreft echter niet aannemelijk dat B tengevolge van zijn
optreden op zichzelf schade heeft geleden.
16. Het hof zal een comparitie van partijen bepalen voor het inwinnen van
inlichtingen. Het hof verzoekt het ziekenhuis om uiterlijk twee weken voor de
te bepalen comparitiedatum de hiervoor gevraagde inlichtingen reeds
schriftelijk aan het hof en de wederpartij toe te zenden. De comparitie kan
tevens worden benut om te onderzoeken of partijen het alsnog op een of meer
punten eens kunnen worden. Tevens kan daar tussen partijen nog eens over de
gebeurtenissen worden gesproken die tot deze procedure hebben geleid. Zoals
de directeur van het ziekenhuis bij brief van 12 november 1992 al aan de
advocaat van B heeft geschreven zijn deze van dien aard dat een gesprek
daarover tussen partijen wellicht beter is dan een schriftelijke afhandeling.
17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep,
Alvorens verder te beslissen:
bepaalt, dat partijen (partij B in persoon en De Stichting rechtsgeldig
vertegenwoordigd), vergezeld door de advocaten, voor het verstrekken van
inlichtingen en voor onderzoek of partijen het op een of meer punten eens
kunnen worden zullen verschijnen voor het lid van het hof mevrouw mr. M. Pel,
hierbij benoemd tot raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in
het gerechtsgebouw, Walburgstraat 2-4 te Arnhem op door deze nader te bepalen
maandag in de maand september of oktober;
bepaalt dat De Stichting de in r.o. 16 en 11 bedoelde inlichtingen twee weken
voor de comparitiedatum aan de wederpartij en het hof schriftelijk zal doen
toekomen;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 augustus 1996 om partijen in de
gelegenheid te stellen verhinderingen op te geven en stelt partijen daartoe
ambtshalve peremptoir.

Rechters

Mrs. Pel, Fokker, Katz-Soeterboek