Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De NS sluiten – bij het verlenen van kortingen op privé-reizen buiten de
Benelux aan hun werknemers en hun partners – ongehuwde partners uit. Bij
binnenlandse reizen en reizen binnen de Benelux gelden deze kortingen zowel
voor gehuwde als ongehuwde partners van NS-werknemers.
De kortingen op deze buitenlandse reizen vallen volgens de Commissie onder de
arbeidsvoorwaarden. Het gaat feitelijk om een beloning in natura in de vorm
van een personeelskorting. Dat die personeelskorting tot stand komt door
afspraken tussen de NS en buitenlandse spoorwegmaatschappijen doet hier niets
aan af.
De Commissie oordeelt dat dit een direct onderscheid vormt op grond van
burgerlijke staat en in strijd is met de AWGB.
De Commissie oordeelt verder dat door het uitsluiten van ongehuwde partners
homoseksuele werknemers onevenredig worden getroffen. De Commissie onderzoekt
deze discriminatiegrond echter niet verder, nu het uitsluiten rechtstreeks
voortvloeit uit de burgerlijke staat van de samenwonende homoseksuelen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 25 augustus 1995 verzochten de heren (…) (werknemer bij de
wederpartij) en (…) (zijn partner) te Amsterdam (hierna: verzoekers c.q.
verzoeker 1 respectievelijk verzoeker 2) de Commissie gelijke behandeling
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever van eerstgenoemde,
de Nederlandse Spoorwegen te Utrecht (hierna: de wederpartij) bij de
arbeidsvoorwaarden onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid maakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna:
AWGB).
1.2. Verzoekers zijn ongehuwd en leven duurzaam samen. De partner van
verzoeker 1 kan – in tegenstelling tot de echtgenoten van gehuwde werknemers
– geen beroep doen op de vervoersfaciliteiten van de wederpartij voor
privé-reizen in de landen buiten de Benelux. Verzoekers menen dat de
wederpartij hiermee een ongeoorloofd onderscheid op grond van burgerlijke
staat maakt. Aangezien verzoekers van gelijk geslacht zijn menen zij dat de
wederpartij tevens ongeoorloofd onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid maakt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht en
zijn opgeroepen voor een zitting op 15 mei 1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekers
– dhr. (…)
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (hoofd Sociale Regelingen wederpartij)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker 1 is sedert 1987 in dienst bij de wederpartij.
Op deze arbeidsverhouding is de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse
Spoorwegen (hierna: de CAO) van toepassing, welke liep van 1 april 1994 tot
en met 31 maart 1996 alsmede het Voorschrift Vervoersfaciliteiten januari
1994 (hierna: VVF).
3.2. In hoofdstuk 11 van de CAO wordt bepaald dat de werkgever onder bepaalde
voorwaarden vervoersbewijzen beschikbaar stelt aan door de werkgever aan te
wijzen categorieën werknemers en hun gezinsleden. Artikel 11.2 van de CAO
bepaalt dat de voorwaarden zijn neergelegd in het VVF. In artikel 11.3 wordt
bepaald dat tot het gezin onder andere de partners van de betreffende
werknemers worden gerekend.
3.3. De CAO bevat sinds 1982 een bepaling die gelijkstelling van gehuwden en
ongehuwden in de arbeidsvoorwaarden gebiedt. Deze gelijkstelling is
neergelegd in artikel 10.1, eerste lid van de CAO. Het tweede lid van het
betreffende artikel bevat een uitzondering met betrekking tot deze
gelijkstelling voor wat betreft wettelijke verplichtingen en door de
wederpartij met derden gesloten overeenkomsten. De uitzondering luidt: `Door
het erkennen worden rechten en faciliteiten die voor gehuwden gelden ook
toegekend aan hen die aan bovengenoemde voorwaarden voldoen, voor zover de
wet en de door de werkgever met derden gesloten overeenkomsten dat toelaten’.
De uitzondering is onder meer in verband met de buitenlandse
vervoersfaciliteiten in de CAO opgenomen.
Het samenlevingsverband van verzoekers is door de wederpartij erkend conform
artikel 10.1, eerste lid, van de CAO.
In totaal zijn ongeveer 2.000 samenlevingsverbanden van ongehuwd samenwonende
werknemers erkend door de wederpartij.
3.4. Het VVF bevat de voorschriften die de wederpartij hanteert ten aanzien
van de vervoersfaciliteiten voor privé-reizen in het binnenland en ten
aanzien van de vervoersfaciliteiten voor privé-reizen in het buitenland. Met
betrekking tot de vrije vervoersfaciliteiten binnenland hebben de echtgenoten
respectievelijk partners waarmee de gehuwde en de ongehuwde werknemers
duurzaam samenwonen gelijke aanspraken (deel B, par. 2.6.2. VVF).
De werknemers die in aanmerking komen voor vrije vervoersfaciliteiten
binnenland kunnen ook in aanmerking komen voor de vrije vervoersfaciliteiten
buitenland.
De voorschriften van het VVF geven recht op faciliteiten die gebaseerd zijn
op afspraken met buitenlandse maatschappijen die zijn aangesloten bij de
zogenaamde FIP (Groupement pour les Facilites de circulation Internationales
du Personnel des Chemins de Fer) alsmede met buitenlandse maatschappijen die
niet zijn aangesloten bij de FIP.
In paragraaf 2.2. van deel C van het VVF is onder meer bepaald dat partners
niet in aanmerking komen voor internationale vervoersfaciliteiten bij
buitenlandse maatschappijen die zijn aangesloten bij de FIP.
In paragraaf 2.2. van deel D van het VVF is onder meer bepaald dat partners
niet in aanmerking komen voor niet-FIP vervoersfaciliteiten.
De internationale vrije vervoersfaciliteiten bestaan onder meer uit
internationale vrije vervoersbewijzen, internationale reductiebewijzen van
50% en vrij reizen met bijvoorbeeld autoslaaptreinen en een aantal
veerdiensten.
3.5. De werknemers zijn terzake van de vervoersfaciliteiten een eigen
bijdrage verschuldigd aan de werkgever, die in overeenstemming met de fiscus
is vastgesteld en waarover geen loon- of inkomstenbelasting meer afgedragen
hoeft te worden. De hoogte van de eigen bijdrage van werknemers met recht op
vervoersfaciliteiten binnenland en Benelux-kaart enerzijds en werknemers die
de volledige beschikking over de buitenlandse faciliteiten hebben anderzijds,
is gelijk.
3.6. Bij brief van 17 april 1996 heeft de wederpartij verklaard dat bij de
totstandkoming van de nieuwe CAO per 1 april 1996 ten aanzien van deze
bepalingen noch in de CAO, noch in het VVF wijzigingen zijn opgetreden.
De standpunten van partijen
Verzoekers brengen het volgende naar voren.
3.7. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Verzoekers betogen dat verzoeker 1 een arbeidsrechtelijke relatie heeft met
de wederpartij en niet met een van de buitenlandse vervoersmaatschappijen die
de vervoersfaciliteiten leveren aan het personeel van de wederpartij. Het is
de wederpartij die uit hoofde van die arbeidsrelatie beide verzoekers anders
behandelt dan gehuwden.
Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij, dat deze slechts een
`doorgeefluik’ is tussen de buitenlandse contractpartners en verzoekers,
stellen verzoekers dat zij slechts een contractuele band hebben met de
wederpartij.
Het is niet relevant hoe de wederpartij de vervoersrechten verwerft. Wanneer
vaststaat dat de partner van de werknemer nadeel ondervindt, kan deze volgens
verzoekers een beroep op de AWGB doen.
3.8. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
Verzoekers stellen dat de vervoersfaciliteiten die de wederpartij aanbiedt,
onderdeel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden. Het gaat volgens verzoekers om
een arbeidsvoorwaarde die de netto bestedingsruimte van een werknemer
substantieel beïnvloedt.
De status van het VVF wordt bepaald door de CAO, waarin de rechten op vrij
vervoer in het algemeen geregeld zijn.
Het betoog van de wederpartij dat alleen de vervoersfaciliteiten binnenland
onderdeel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden is niet steekhoudend. Het
Algemeen deel VVF bepaalt dat de wederpartij vervoersfaciliteiten in binnen-
en buitenland verleent (deel A, par. 1.5 VVF) en zowel het hoofdstuk waarin
de vervoersfaciliteiten binnenland worden toegekend als de hoofdstukken
waarin de vervoersfaciliteiten buitenland worden toegekend, maken deel uit
van een reglement.
Voorts wijzen verzoekers erop dat uit de bewoordingen van de CAO niet kan
worden afgeleid dat zij slechts van toepassing is op de vervoersfaciliteiten
binnenland. Ook in de bijlagen behorend bij de arbeidsovereenkomst van
verzoeker 1 wordt slechts in zijn algemeenheid verwezen naar de
vervoersfaciliteiten die de wederpartij verstrekt.
Ten aanzien van de door de wederpartij gestelde afzijdigheid van de vakbonden
met betrekking tot de vervoersfaciliteiten buitenland is door de vakbonden de
bij de jongste CAO-besprekingen door de wederpartij voorgestelde aanpassing
van de CAO van de hand gewezen. Deze aanpassing betrof een explicitering in
de CAO dat deze alleen van toepassing is op de binnenlandse
vervoersfaciliteiten.
3.9. Verzoekers menen tenslotte dat wanneer de wederpartij niet in staat is
om in internationaal verband afspraken te maken die vrij zijn van onderscheid
op grond van burgerlijke staat, zij op grond van het nationale recht op zijn
minst gehouden is de ongehuwd samenwonende werknemers compensatie in de vorm
van een vergelijkbare prestatie als die aan gehuwde paren aan te bieden.
De wederpartij brengt het volgende naar voren.
3.10. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
De wederpartij stelt dat de AWGB niet van toepassing is op de onderhavige
regeling, aangezien de AWGB onderscheid binnen arbeidsverhoudingen verbiedt.
Aangezien het de partner van de werknemer is die het nadeel ondervindt van de
houding van buitenlandse spoorwegmaatschappijen, speelt het geheel zich
buiten de werkingssfeer van de AWGB af en daarmee buiten de competentie van
de Commissie gelijke behandeling.
3.11. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
De wederpartij voert vervolgens aan dat er geen sprake is van een
arbeidsvoorwaarde. In fiscale zin is in casu weliswaar sprake van loon in
natura, maar noch in arbeidsrechtelijke zin noch in de zin van de AWGB is
sprake van een arbeidsvoorwaarde.
De wederpartij kan deze faciliteiten slechts namens buitenlandse
maatschappijen aan het personeel ter beschikking stellen, op basis van
overeenkomsten, waarbij maatschappijen aan elkaars personeel faciliteiten ter
beschikking stellen.
Gelet op de wijze van totstandkoming moeten de vervoersfaciliteiten
buitenland worden gezien als een extraatje, dat toegekend wordt zolang de
buitenlandse maatschappijen het overeengekomene wensen voort te zetten. De
wederpartij sluit om deze redenen terzake van de vervoersfaciliteiten
buitenland geen individuele noch collectieve arbeidsovereenkomsten af.
De buitenlandse vervoersfaciliteiten maken geen onderdeel uit van de CAO.
Tussen de wederpartij en de vakbonden staat van oudsher vast dat de vakbonden
slechts invloed hebben op het binnenlands vrij vervoer. CAO-partijen hebben
nooit de intentie gehad de buitenlandse vervoersfaciliteiten in de CAO te
regelen.
Bij de binnenlandse vervoersfaciliteiten – die de wederpartij in eigen hand
heeft – wordt dan ook geen onderscheid op grond van burgerlijke staat
gemaakt.
De wederpartij erkent dat tijdens de laatste CAO-besprekingen een
verduidelijking van de CAO zoals door verzoekers gesteld aan de orde is
geweest. Het betreffende voorstel van de wederpartij werd ingegeven door het
onderhavige verzoek om een oordeel bij de Commissie gelijke behandeling. De
vakbonden stelden dat het wijzigen van de tekst ertoe zou leiden dat bij
werknemers de vrees zou ontstaan dat de wederpartij ernaar streeft de
zogenaamde Benelux-kaart af te schaffen. Het voorstel is weer ingetrokken.
In de bijlagen die behoren bij de individuele arbeidsovereenkomsten wordt
niet verwezen naar de vervoersfaciliteiten buitenland. De verwijzingen kunnen
naar hun aard en inhoud slechts betrekking hebben op de vervoersfaciliteiten
binnenland.
3.12. Voor zover in het VVF wordt gesproken over `rechten’ of `aanspraken’
moet dit ten aanzien van de buitenlandse vervoersfaciliteiten aldus begrepen
worden dat deze rechten niet voortkomen uit het arbeidsvoorwaardenpakket,
maar gebaseerd zijn op de huidige stand van afspraken die de wederpartij met
buitenlandse partners heeft kunnen maken.
Uit de CAO en het VVF blijkt dat werknemers geen recht hebben op
internationale vervoersfaciliteiten, aangezien er staat dat de wederpartij
vervoerbewijzen ter beschikking kan stellen.
Bovendien staat in artikel 1, deel C VVF dat het FIP-reglement maatgevend is
voor de aanspraken van het personeel.
Onderdeel C van het VVF is, in tegenstelling tot onderdeel B (vervoer
binnenland) niet gebaseerd op de CAO. Hoofdstuk 11 van de CAO heeft ondanks
een expliciete vermelding daarvan slechts betrekking op binnenlandse
vervoersfaciliteiten. Dat blijkt uit de artikelen 11.3 t/m 11.5 die naar hun
aard en inhoud slechts betrekking kunnen hebben op de vervoersfaciliteiten
binnenland.
3.13. De wederpartij streeft er in internationaal verband wel naar om
gelijkstelling van gehuwden en ongehuwden te bereiken, maar respecteert de
normen en waarden in andere landen. Nederland loopt voor wat betreft
gelijkstelling van gehuwden en ongehuwden voorop. Het gaat om
maatschappelijke ontwikkelingen die in het buitenland nog moeten rijpen.
Daarnaast bestaan bij sommige buitenlandse vervoersmaatschappijen ook
economische motieven om gelijke behandeling van de partners van gehuwde en
ongehuwde werknemers tegen te houden.
Er zijn wel onderhandelingen gaande met buitenlandse vervoersmaatschappijen
teneinde de aanspraken van de partners van ongehuwde werknemers uit te
breiden. Daarbij stuit de wederpartij overigens ook op de praktische
belemmeringen.
3.14. De door verzoekers gestelde compensatie is niet aan de orde.
De waarde van de buitenlandse vervoersfaciliteiten kan voor een individuele
werknemer variëren van nul tot honderden guldens per jaar. Aangezien de
faciliteiten met gesloten beurzen worden geleverd, levert dit voor de NS geen
meerkosten op. Als er gecompenseerd zou moeten worden, schat de wederpartij
dat dit zou kunnen oplopen tot 1,25 miljoen per jaar, hetgeen een
onoverkomelijke kostenpost zou betekenen.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoeker 2 overweegt de Commissie
dat de CAO in artikel 11.3 van de CAO bepaalt dat tot het gezin onder meer de
partners van de werknemers worden gerekend. In artikel 10.1 wordt de wijze
van erkenning van een samenlevingsverband van een werknemer van de
wederpartij geregeld, terwijl in het VVF nadere voorwaarden worden gesteld
met betrekking tot het verlenen van vervoersfaciliteiten aan
(huwelijks)partners van de werknemers van de wederpartij. Hierbij is sprake
van bedingen waarbij door de wederpartij rechten worden toegekend aan de
(huwelijks)partners van werknemers, die als gevolg daarvan rechten kunnen
ontlenen aan deze regelingen. Aangezien ingevolge artikel 12 tweede lid sub a
AWGB degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid wordt gemaakt als
bedoeld in de wet een beroep op de bescherming van de AWGB kan doen en een
verzoek tot een oordeel kan indienen, oordeelt de Commissie dat verzoeker 2
ontvankelijk is in zijn verzoek.
4.2. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de artikelen 1
en 5, eerste lid, sub d AWGB bij de toekenning van vervoersfaciliteiten
buitenland aan de (huwelijks)partners van zijn duurzaam samenwonende
werknemers.
4.3. De artikelen 1 en 5, eerste lid, sub d AWGB verbieden zowel direct als
indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat en op grond van
homoseksuele gerichtheid bij de arbeidsvoorwaarden.
Van direct onderscheid op genoemde gronden bij arbeidsvoorwaarden is sprake
wanneer rechtstreeks wordt verwezen naar burgerlijke staat of homoseksuele
gerichtheid.
Van indirect onderscheid in de zin van artikel 1 sub c AWGB is sprake wanneer
onderscheid op grond van een bepaalde hoedanigheid of gedraging een nadelig
effect heeft voor overwegend personen met een van de door de AWGB bestreken
persoonskenmerken. In artikel 2, eerste lid AWGB is bepaald dat het verbod
van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
Niet gesteld of gebleken is dat een van de in de AWGB opgenomen
uitzonderingen op het verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat
en homoseksuele gerichtheid in casu van toepassing zou zijn.
4.4. De Commissie toetst vervolgens of er sprake is van arbeidsvoorwaarden in
de zin van artikel 5, eerste lid, onder d AWGB.
Uit de toelichting op de AWGB blijkt dat het begrip arbeidsvoorwaarden ruim
is en dat daar in ieder geval de beloning onder valt. (Zie de toelichting op
de AWGB, o.a. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3. p. 17.
Overigens is het vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJ EG) dat onder het begrip
beloning van artikel 119 EEG-Verdrag (gelijke behandeling van mannen en
vrouwen) alle huidige of toekomstige voordelen in geld of natura vallen, mits
deze, zij het ook indirect, door de werkgever uit hoofde van de
dienstbetrekking worden toegekend, ongeacht of dit ingevolge een
arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig
gebeurt en dat deze beloning op alle onderdelen gelijk moet zijn.
(recentelijk weer bevestigd in Kuratorium für Dialyse und
Nierentransplantation e.V. versus J.
ewark, 6 februari 1996 zaak C-457/93, JAR 1996, 45). In de zaak E. Garland
versus British Rail Engineering Ltd., 9 februari 1982 heeft het HvJ EG
geoordeeld dat het verstrekken van reisfaciliteiten door een werkgever onder
het begrip beloning vallen, zolang deze voordelen uit hoofde van de
dienstbetrekking worden toegekend (zaak 12/81. Jur. 1982, P. 359 e.v.).
Bij beloning in de zin van de AWGB gaat het zowel om beloning in geld als in
natura.
In casu is sprake van loon in natura ofwel een personeelskorting die de
hoogte van het netto loon direct beïnvloedt. Onbetwist is dat de werknemers
van de wederpartij voor de vervoersfaciliteiten in aanmerking komen uit
hoofde van hun dienstbetrekking. De Commissie oordeelt dan ook dat er sprake
is van arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 5, eerste lid, sub d AWGB.
4.5. Vast staat – door partijen niet betwist – dat zowel in artikel 10.1
tweede lid van de CAO alsmede in de bepalingen met betrekking tot
buitenlandse vervoersfaciliteiten in deel C en D van de VVF onderscheid wordt
gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden. Dergelijk onderscheid levert
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de zin van de AWGB op.
4.6. De Commissie oordeelt dan ook dat de wederpartij ten opzichte van
verzoekers direct onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt
als bedoeld in de artikelen 1 en 5, eerste lid, sub d AWGB.
Aangezien ingeval van direct onderscheid op een van de gronden van de AWGB
geen rechtvaardigingsgronden aangevoerd kunnen worden en de wettelijke
uitzonderingen in casu niet van toepassing zijn, staat daarmee vast dat de
wederpartij in strijd met de AWGB heeft gehandeld.
4.7. Ten aanzien van de door de wederpartij naar voren gebrachte overige
weren merkt de Commissie het volgende op. Dat de wijze van totstandkoming van
de vervoersfaciliteiten binnenland (verstrekken van eigen faciliteiten door
wederpartij) verschilt van de wijze waarop de vervoersfaciliteiten buitenland
totstandkomen (contracten met buitenlandse partijen) doet niet af aan het
juridische karakter ervan.
Ook is de vraag of er sprake is van arbeidsvoorwaarden in de zin van de AWGB
niet afhankelijk van de vraag of de betreffende toekenning voorwerp is van
overleg door de sociale partners. Ten aanzien van de opmerkingen van de
wederpartij over de tekstuele uitleg van de CAO en het VVF constateert de
Commissie dat de wederpartij erkent dat de CAO noch het VVF een voorbehoud
ten aanzien van het arbeidsvoorwaardelijke karakter van de
vervoersfaciliteiten buitenland bevat. De Commissie wijst erop dat uit de
jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat in een geschil tussen een
werknemer en een werkgever over de uitleg van de bepalingen van een CAO aan
de bewoordingen daarvan bijzonder hoge eisen van duidelijkheid mogen worden
gesteld.(HR 17 september 1993, NJ 1994, 173.)
4.8. Ten aanzien van het door verzoekers tevens gestelde onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid overweegt de Commissie het volgende. In de in
het geding zijnde bepalingen wordt op generlei wijze rechtstreeks verwezen
naar de homoseksuele gerichtheid van samenwonende werknemers. Van direct
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is dan ook geen sprake.
Het onderscheid dat de wederpartij bij de toekenning van de
vervoersfaciliteiten buitenland maakt tussen gehuwd en ongehuwd samenwonende
werknemers zou evenwel tevens indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid kunnen opleveren.
De Commissie heeft eerder geoordeeld dat direct onderscheid op grond van een
wettelijke discriminatiegrond tevens indirect onderscheid op grond van een
andere wettelijke discriminatiegrond kan opleveren. (Zie onder andere
Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordeelnummer: 95-50).
Van indirect onderscheid is sprake indien homoseksueel gerichte werknemers
met een samenlevingsverband in de zin van de CAO relatief zwaarder getroffen
worden dan heteroseksueel gerichte werknemers met een duurzaam
samenlevingsverband.
De Commissie stelt vast dat in dit geval van de homoseksueel gerichte
werknemers met een duurzaam samenlevingsverband een ieder wordt getroffen.
Van de heteroseksueel gerichte werknemers met een duurzaam
samenlevingsverband wordt niet een ieder getroffen. Immers, gelet op het
huwelijksbeletsel tussen personen van hetzelfde geslacht, wonen alle
homoseksueel gerichte werknemers met een samenlevingsverband in de zin van de
CAO, ongehuwd samen. Uit dien hoofde komen zij niet in aanmerking voor de
buitenlandse vervoersfaciliteiten. De heteroseksueel gerichte werknemers met
een samenlevingsverband in de zin van de CAO kunnen zowel gehuwd als ongehuwd
samenwonen en uit dien hoofde wel of respectievelijk niet in aanmerking komen
voor de vervoersfaciliteiten buitenland. Door voornoemd onderscheid worden
homoseksueel gerichte samenwonende werknemers dan ook onevenredig getroffen.
Bij de toekenning van vervoersfaciliteiten buitenland rijst derhalve een
vermoeden van indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.
Vervolgens rijst de vraag of in casu objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn. De Commissie overweegt dat zij hiervoor onder 4.6. reeds heeft
geoordeeld dat sprake is van direct onderscheid op grond van burgerlijke
staat als bedoeld in de AWGB. Aangezien het vermoeden van indirect
onderscheid in casu is gelegen in de burgerlijke staat van verzoekers en
degenen die door het geconstateerde vermoeden van indirect onderscheid worden
getroffen zich dientengevolge kunnen beroepen op het hiervoor geconstateerde
onderscheid op grond van burgerlijke staat, kan een nader onderzoek naar een
objectieve rechtvaardigingsgrond achterwege blijven.
4.9. De Commissie heeft tenslotte kennis genomen van het bedrag dat volgens
de wederpartij gemoeid zou kunnen zijn bij het op enigerlei wijze compenseren
van het geconstateerde onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. Een
mogelijkheid zou wellicht gelegen kunnen zijn in het spreiden van een deel
van de hiermee gemoeide kosten over al degenen die dan gebruik maken van de
vervoersfaciliteiten buitenland.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse Spoorwegen
te Utrecht jegens de heren (…) en (…) te Amsterdam onderscheid op grond
van burgerlijke staat heeft gemaakt bij de toekenning van
vervoersfaciliteiten buitenland.

Rechters

Mrs. Timmerman-Buck, Dierx, Rodrigues, Jongsma