Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is in 1985 bij de wederpartij in dienst getreden als leraar
Nederlands. Met ingang van 1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst
beëindigd. Verzoeker is van oordeel dat de wederpartij jegens hem onderscheid
heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie, bij de
arbeidsvoorwaarden en bij het beëindigen van de arbeidsrelatie.
Verzoeker heeft problemen met lesgeven in het VBO, en deze problemen staan
niet los van reacties op verzoekers homoseksuele gerichtheid. De Commissie
concludeert dat de wederpartij, door te besluiten dat verzoeker niet
permanent vrijgesteld zou worden van lesgeven in het VBO, geen direct of
indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij
de promotie dan wel bij de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de AWGB.
De Commissie concludeert tevens dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de
wederpartij door het niet inroosteren in de bovenbouw van verzoeker direct of
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt,
daargelaten de vraag of het in deze een door verzoeker gesteld onderscheid
bij de promotie betreft dan wel een eveneens door de AWGB verboden
onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden.
De Commissie is van oordeel, dat hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien
van het – mede door de veranderlijke opstelling van verzoeker wisselend
verlopen – reïntegratie-/onderhandelingsproces voorafgaande aan het ontslag,
onvoldoende grond biedt om te kunnen concluderen dat in deze sprake is van
een door de wet verboden onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 10 augustus 1995 verzocht de heer (…) te Edam (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
de (…) te Volendam (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (hierna AWGB).
Verzoeker is in 1985 bij de wederpartij in dienst getreden als leraar
Nederlands. Met ingang van 1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst
beëindigd. Verzoeker is van oordeel dat de wederpartij jegens hem onderscheid
heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie, bij de
arbeidsvoorwaarden en bij het beëindigen van de arbeidsrelatie, en aldus in
strijd met de AWGB heeft gehandeld.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft om versnelde behandeling
gevraagd. Dit verzoek is door de Commissie afgewezen.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 12 maart 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. mr. A.S.M. van der Zanden (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (rector Don Bosco college)
– dhr. (…) (voormalig rector Don Bosco College)
– dhr. (…) (administrateur bij de wederpartij)
– mw. mr. G.J. Spaans (gemachtigde, juridisch medewerker bij Vereniging
Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Verzoeker heeft aanvankelijk de Commissie verzocht om een besloten
zitting, zoals bedoeld in artikel 17 van het Besluit werkwijze Commissie
gelijke behandeling (Staatsblad 1994, 606). Bij de aanvang van de zitting is
dit verzoek ingetrokken.
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is in 1985 in dienst getreden van de wederpartij als leraar
Nederlands op het onder het bevoegd gezag van de wederpartij ressorterende te
Volendam. Dit is een scholengemeenschap bestaande uit de onderwijssoorten
IVBO, VBO, MAVO, HAVO en Atheneum. Verzoeker heeft een eerste graads
bevoegdheid. Dit houdt in dat hij bevoegd is les te geven aan HAVO-4 en -5 en
Atheneum-4, -5 en -6, de zogenaamde bovenbouw.
3.2. De wederpartij kent voor docenten twee functies:
– docenten met een schaal 10-functie: dit zijn docenten met een 1e of 2e
graads bevoegdheid, die zijn benoemd om in het 2e graads gebied les te geven.
– docenten met een schaal 12-functie: dit zijn docenten met een 1e graads
bevoegdheid, die recht hebben om in het 1e graads gebied les te geven en zijn
benoemd om daar bij voorrang les te geven.
Daarnaast zijn er docenten met een schaal 10+-functie. Deze zijn benoemd in
het 2e graads lesgebied, maar hebben een hogere salarisschaal. Verzoeker
behoort tot deze categorie.
3.3. Verzoeker heeft twee maal schriftelijk gesolliciteerd naar een schaal
12-functie. De eerste sollicitatie vond plaats in 1989 en had betrekking op
de functie van decaan. De tweede sollicitatie, die in 1992 plaatsvond, had
betrekking op de functie van docent dyslexie. Deze sollicitaties hebben niet
tot een voor verzoeker positief resultaat geleid.
3.4. Verzoeker heeft, evenals de andere docenten, in het schooljaar 1993-1994
ook les gegeven in het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO). Dit was voor
verzoeker problematisch. Onder andere werden er door leerlingen opmerkingen
gemaakt over zijn homoseksuele gerichtheid. Verzoeker is hierdoor gedurende
zes weken arbeidsongeschikt geweest. Het lesrooster is vervolgens aangepast
in die zin dat zijn VBO-lessen door collega’s werden overgenomen. In het
najaar van 1994 werd op basis van een advies van de Bedrijfsgezondheidsdienst
besloten dat verzoeker ook in het schooljaar 1995-1996 geen VBO-lessen hoefde
te geven.
3.5. Op 2 februari 1995 heeft verzoeker zich ziek gemeld. Hij heeft de rector
meegedeeld dat hij niet naar school terug wilde keren, maar voorkeur gaf aan
afkeuring. Naar aanleiding daarvan is een afkeuringsprocedure bij het
Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds gestart. Nadien heeft verzoeker aangegeven
af te zien van de afkeuringsprocedure en de weg van het ontslag te willen
bewandelen. Op 4 mei 1995 gaf de bedrijfsarts te kennen dat verzoeker met
ingang van 8 mei volledig arbeidsgeschikt verklaard zou worden. Verzoeker
heeft tegen die beslissing beroep aangetekend. Tijdens een gesprek op 16 mei
1995 is afgesproken dat de ontslagprocedure opgeschort zou worden en dat
verzoeker zijn beroep tegen de arbeidsgeschiktverklaring zou intrekken. In
een volgend gesprek is afgesproken dat in gezamenlijk overleg een
ontslagbesluit opgesteld zou worden, verzoeker wachtgeld zou aanvragen en hem
een vergoeding toegekend zou worden. Op 23 juni 1995 liet verzoeker
telefonisch weten niet met het ontslag in te stemmen en naar school terug te
willen keren.
Naar aanleiding daarvan heeft op 6 juli 1995 opnieuw een reïntegratiegesprek
plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is verzoeker meegedeeld dat hij
uitsluitend lessen in de onderbouw zou kunnen geven. Wel werd verzoeker
toegezegd dat hij het komende schooljaar geen lessen aan het VBO hoefde te
geven. Vervolgens meldde verzoeker zich ziek. Bij brief van 19 juli 1995 gaf
de bedrijfsarts te kennen dat verzoeker met ingang van 1 augustus 1995
volledig arbeidsgeschikt verklaard zou worden. Verzoeker heeft tegen deze
beschikking op 24 juli 1995 bezwaar gemaakt. Hierop is op 5 september 1995
afwijzend beslist.
Vervolgens werd afgesproken dat verzoeker met ingang van 2 oktober 1995 met
de reïntegratie zou starten. Op 28 september 1995 gaf verzoeker telefonisch
te kennen toch de voorkeur te geven aan een ontslagprocedure. Met ingang van
1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst beëindigd.
De standpunten van partijen
3.6. Verzoeker stelt het volgende.
Hij bestrijdt de opvatting van de wederpartij dat hij geen belang meer heeft
bij zijn verzoek om een oordeel van de Commissie nu de arbeidsovereenkomst is
beëindigd. Deze omstandigheid is voor de beoordeling van de vraag of de
wederpartij in de dienstbetrekking onderscheid heeft gemaakt naar
homoseksuele gerichtheid niet relevant.
3.7. Verzoeker stelt allereerst dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
als bedoeld in de wet bij de bevordering en promotie.
Verzoeker is destijds vanwege zijn ervaring in de bovenbouw en zijn goede
reputatie uitgenodigd te solliciteren bij de wederpartij. Hij ambieerde een
schaal 12-functie aangezien deze recht geeft op een bepaald aantal uren in de
bovenbouw.
Verzoeker heeft na zijn aanstelling niet alleen tweemaal schriftelijk, maar
ook diverse malen mondeling naar een dergelijke functie gesolliciteerd. Dit
vond plaats voor het najaar van 1994. Mondelinge toezeggingen dat hij een
dergelijke functie zou krijgen zijn echter nimmer gestand gedaan.
De wederpartij heeft verzoeker niet alleen ten onrechte niet in een
schaal-12-functie aangesteld, maar tevens getracht een degradatie tot stand
te brengen door verzoeker in het VBO in te zetten. Verzoeker heeft weliswaar
vanwege zijn problemen met VBO-leerlingen een tijdlang geen les in dat
onderwijsgebied hoeven geven, maar heeft niet de garantie gekregen dat dit zo
kan blijven. De door de wederpartij voorgestelde cursussen en begeleiding om
verzoeker voor dit onderwijsgebied bij te scholen en weerbaar te maken zijn
een lege huls. Door verzoeker uiteindelijk in het VBO terug te willen
plaatsen wordt door de wederpartij onderscheid bij de promotie gemaakt.
3.8. In de tweede plaats stelt verzoeker dat de wederpartij onderscheid maakt
bij de arbeidsvoorwaarden doordat niet adequaat is gereageerd op
discriminerende signalen van leerlingen en collega’s. De wederpartij dient
zorg te dragen voor een discriminatievrije werkomgeving.
In de periode van 1985-1987 werd verzoeker lastig gevallen door
discriminerende telefoontjes van leerlingen, waarin zij zich negatief
uitlieten over verzoekers homoseksuele gerichtheid. Door de toenmalige rector
is nagelaten hierop adequaat te reageren.
Verzoeker stelt ook te worden gebruikt als kop van jut. In 1992 werd hij naar
aanleiding van een klacht met betrekking tot een eindexamencijfer door de
rector ter verantwoording geroepen ten overstaan van de secties wiskunde en
Nederlands. Verzoeker werd na een onderzoek weliswaar in het gelijk gesteld,
maar voelde zich door de gang van zaken gekrenkt.
In 1993 is verzoeker uit een VBO-klas weggelopen vanwege opmerkingen van
leerlingen betreffende zijn homoseksuele gerichtheid. De wederpartij heeft
hierop niet gereageerd. Van de schoolleiding kreeg hij geen enkele steun en
van collega’s evenmin. Na een conflict in februari 1995 heeft verzoeker zich
ziek gemeld. Dit conflict betrof onenigheid tussen verzoeker en een collega
enerzijds en de rector anderzijds. Verzoeker en zijn collega werd de les
gelezen in een korte pauze, waarin onvoldoende tijd was voor een weerwoord.
3.9. In de derde plaats stelt verzoeker dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door hem onder druk te
zetten. Onder invloed van stress en op een moment dat hij zich feitelijk niet
met zijn raadsman kon verstaan heeft verzoeker een voor hem ongunstige
beëindigingsovereenkomst getekend. De gesprekken, die medio 1995 hebben
plaatsgevonden, heeft de wederpartij uitsluitend gevoerd om tot een
beëindiging van de arbeidsverhouding te komen en zodoende een lastige leraar
kwijt te raken.
Verzoeker betwist dat hij slecht gefunctioneerd zou hebben. De wederpartij
dient die stelling aan de hand van gespreksverslagen te onderbouwen. De
wederpartij is evenals de controlerende medische dienst, die hem telkens
arbeidsgeschikt verklaart, volledig voorbij gegaan aan het feit dat
verzoekers arbeidsongeschiktheid situatief is bepaald en verband hield met
zijn homoseksuele gerichtheid. Verzoeker stelt dat het jegens hem gemaakte
onderscheid moet worden gezien tegen de achtergrond van een hechte Volendamse
gemeenschap die voor hem op school tot een `homovijandige omgeving’ werd. De
vorm van discriminatie, die hij onderging, was veeleer impliciet dan
expliciet en loopt via kleine gebeurtenissen, die moeilijk aanwijsbaar zijn,
uit op een langzame afbraak van zijn functioneren. Zijns inziens is sprake
geweest van jarenlange `mobbing’, die in een organisatie met een slechte
sfeer toch al niet erg opvalt.
3.10. De wederpartij stelt het volgende.
Aangezien de arbeidsrelatie inmiddels is beëindigd, heeft verzoeker geen
belang meer bij de onderhavige procedure. Het verzoek hoeft om die reden niet
verder in behandeling te worden genomen.
Het is niet juist dat verzoeker met het oog op de bovenbouw benoemd zou zijn.
De wederpartij is ook niet bekend met toezeggingen door de toenmalige rector
aan verzoeker betreffende een benoeming in een schaal 12-functie. De reden om
een collega wel en verzoeker niet in bedoelde functie te benoemen was dat de
collega beter presteerde en verzoeker in de bovenbouw niet naar tevredenheid
functioneerde. Dit laatste blijkt onder andere uit het schriftelijke verslag
van een vergadering d.d. 1 april 1988 over de volgorde van personen die in
aanmerking komen voor een schaal 12-functie.
Het beleid van de wederpartij is erop gericht is dat alle docenten breed
inzetbaar zijn, dat wil zeggen dat alle docenten in de verschillende
onderwijssoorten werkzaam dienen te zijn. Ook mensen in een schaal 12-functie
geven les in de onderbouw.
Verzoeker heeft een tweedegraads functie en dient dus in eerste instantie in
het tweede graads-lesgebied onderwijs te geven. Het VBO valt daar ook onder.
Om verzoeker terwille te zijn heeft de wederpartij hem na zijn ziekte in 1994
geen VBO-lessen meer gegeven. Hij zou de tijd krijgen zich met behulp van
cursussen weerbaar te maken. Collega’s van verzoeker moesten die lessen in
het VBO voor hem opvangen. Er is dus voor verzoeker juist een positief
onderscheid gemaakt.
De wederpartij had verzoeker voor het schooljaar 1995-1996 alleen
ingeroosterd in de onderbouw vanwege zijn regelmatige uitval. Vanwege dit
discontinuïteitsrisico is voor het belang van de leerlingen gekozen.
Ook waren er problemen met de inroostering omdat, nadat op 16 mei 1995
overeenstemming was bereikt over de (wijze van) beëindiging van de
arbeidsovereenkomst met verzoeker, deze op 22 juni weer stelde daarvan af te
willen zien. Op 12 juli 1995 heeft de wederpartij verzoeker onder meer
schriftelijk laten weten deze beslissing te willen respecteren, maar door de
hierdoor ontstane problemen met inroostering verzoeker alleen in de onderbouw
te kunnen plaatsen, althans voor het desbetreffende schooljaar.
De wederpartij merkt bovendien op, dat zich de afgelopen jaren problemen
hebben voorgedaan met betrekking tot het functioneren van verzoeker. Er zijn
talloze klachten geweest van leerlingen en ouders. De klachten zijn vanaf 1
augustus 1992 bijgehouden. In het schooljaar 1993-1994 is een aantal
gesprekken gevoerd. Daarin is ook aan de orde geweest wat verzoeker in de
toekomst zou willen doen. Hij gaf aan een eigen bedrijfje te willen.
Aangeboden is zijn uren te verminderen; ook is outplacement aangeboden.
Verzoeker stelde de gesprekken op prijs. Zijn homoseksuele gerichtheid is in
die gesprekken niet ter sprake geweest.
3.11. Ten aanzien van het mogelijk onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden
stelt de wederpartij er bekend mee te zijn dat in 1985 (in de tijd van de
toenmalige rector) een aantal leerlingen discriminerende opmerkingen heeft
gemaakt.
In 1993 is verzoeker om dezelfde reden een keer tijdens een les in het VBO
weggelopen. Daarop heeft de directie ingegrepen. De leerlingen van de bewuste
klas zijn door de rector en de conrector zowel individueel als klassikaal
uitvoerig onderhouden over het voorval en in de loop van het schooljaar
begeleid. Het effect hiervan is niet te meten omdat verzoeker niet meer is
teruggekeerd.
Het is de wederpartij niet bekend welk conflict er in februari 1995 zou
hebben plaatsgevonden.
3.12. Aangaande mogelijk onderscheid bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst stelt de wederpartij dat, indien verzoeker zelf niet had
weggewild, er geen ontslag had plaatsgevonden. De klachten van leerlingen en
ouders zijn dan ook niet aan de Commissie overgelegd.
Aan de beëindiging van de arbeidsverhouding is een lang traject vooraf
gegaan. Allereerst is gesproken over reïntegratie. Daarna wisselde verzoeker
steeds van opvatting over het al dan niet terugkeren naar school. Na de
laatste afspraak dat hij weer zou beginnen wilde hij weer weg, hetgeen
slechts enkele dagen bericht werd voordat de reïntegratie van start zou gaan.
Toen heeft de wederpartij bij het tot een einde brengen van de
arbeidsverhouding spoed betracht.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op
grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt in strijd met de AWGB bij:
– de bevordering
– de arbeidsvoorwaarden
– het beëindigen van de arbeidsverhouding.
Artikel 5 AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid bij het beëindigen van een arbeidsverhouding (lid 1
sub b), bij de arbeidsvoorwaarden (lid 1 sub d) en bij bevordering (lid 1 sub
f).
De in de artikel 5 lid 2-6 AWGB genoemde uitzonderingen op bedoeld verbod
zijn in deze zaak niet van toepassing.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid direct en indirect onderscheid wordt begrepen.
Onder indirect onderscheid moet volgens laatstgenoemd wetsartikel worden
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan
homoseksuele gerichtheid, dat direct onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid tot gevolg heeft. Krachtens artikel 2 AWGB is indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid niet verboden indien dat
objectief gerechtvaardigd is.
Artikel 14 lid 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat de Commissie geen
onderzoek instelt indien het belang van de verzoeker kennelijk onvoldoende
is.
4.2. Het belang van verzoeker
De stelling van de wederpartij dat, nu de arbeidsverhouding met verzoeker is
beëindigd, verzoeker geen belang meer heeft bij een onderzoek door en een
oordeel van de Commissie kan niet worden onderschreven. De Commissie is van
oordeel dat het feit dat de arbeidsverhouding inmiddels beëindigd is niet
wegneemt, dat bij deze beëindiging en/of tijdens de arbeidsverhouding sprake
kan zijn geweest van een door de wet verboden onderscheid. Het belang van
verzoeker vervalt mitsdien niet bij het einde van de rechtsverhouding.
Derhalve kan niet worden gesteld dat het belang van verzoeker kennelijk
onvoldoende is zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 sub b AWGB.
4.3. Het gestelde onderscheid bij de bevordering
De Commissie stelt vast dat de sollicitaties van verzoeker naar schaal
12-functies alle hebben plaatsgevonden voor 1 september 1994, de dag waarop
de AWGB in werking trad.
Aangezien de AWGB geen terugwerkende kracht heeft, kan dit handelen van de
wederpartij niet worden getoetst aan deze wet.
Derhalve kan niet tot strijd met de AWGB worden geconcludeerd, daargelaten de
vraag of in deze sprake zou zijn van onderscheid bij promotie, zoals
verzoeker stelt, danwel van – eveneens door de AWGB verboden – onderscheid
bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst.
Het les geven in het VBO heeft plaatsgevonden in het schooljaar 1993-1994,
derhalve voor de inwerkingtreding van de AWGB. Wat dit betreft kan het
handelen van de wederpartij evenmin aan de AWGB worden getoetst.
De klacht richt zich tevens tegen het besluit van de wederpartij dat
verzoeker na zijn reïntegratie uiteindelijk weer in het VBO-lesgebied zou
moeten functioneren. Deze beslissing dateert na de inwerkingtreding van de
AWGB en kan derhalve wel worden getoetst.
De Commissie constateert enerzijds dat de wederpartij rekening heeft willen
houden met verzoeker door hem vooralsnog geen VBO-klassen te geven, doch
sluit anderzijds niet uit dat die beslissing is ingegeven door de verwachting
dat de problemen die verzoeker in het verleden in het VBO heeft ondervonden,
zich wederom zouden voordoen. De Commissie overweegt dat de problemen in het
VBO niet los staan van reacties op verzoekers homoseksuele gerichtheid. Voor
zover deze problemen op de school te maken hebben met de homoseksuele
gerichtheid van verzoeker, acht de Commissie het tot de verantwoordelijkheid
van de wederpartij horen om in de richting van alle betrokkenen adequate
maatregelen te nemen.
Het lesgeven aan VBO-klassen maakt deel uit van verzoekers functie. Van de
wederpartij kan dan ook niet zonder meer worden verwacht dat zij verzoeker
voor dit deel van zijn functie blijft vrijstellen. Van de wederpartij kan wel
worden verwacht dat zij rekening houdt met verzoekers problemen in dit
lesgebied. De wederpartij heeft dit in zoverre gedaan dat zij hem begeleiding
heeft aangeboden, die er op was gericht hem weerbaarder te maken ten opzichte
van VBO-leerlingen. De vraag of deze inspanningen gelet op de omstandigheden
toereikend waren geweest kan niet worden beantwoord. Doordat de
arbeidsovereenkomst voortijdig is beëindigd, is deze begeleiding immers niet
tot stand gekomen. Wat de inhoud en het resultaat van deze begeleiding zouden
zijn geweest valt dan ook niet te voorspellen. Evenmin is bekend wanneer en
onder welke voorwaarden of omstandigheden onderwijs in het VBO voor verzoeker
weer aan de orde zou zijn. De Commissie concludeert derhalve dat de
wederpartij, door te besluiten dat verzoeker niet permanent vrijgesteld zou
worden van lesgeven in het VBO, geen direct of indirect onderscheid heeft
gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie dan wel bij de
arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de AWGB.
Ten aanzien van de klacht van verzoeker dat de wederpartij hem bij diens
aanvankelijk voorgenomen terugkeer niet heeft ingeroosterd in de bovenbouw
voor het schooljaar 1995-1996 overweegt de Commissie allereerst dat zij niet
de taak heeft te oordelen over de inroostering van verzoeker als zodanig,
maar over mogelijk onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid jegens
verzoeker door de inroostering in de onderbouw. Verzoeker heeft naar het
oordeel van de Commissie, ook desgevraagd ter zitting, niet voldoende
concreet aangegeven dat zijn homoseksuele gerichtheid een rol heeft gespeeld
bij de inroostering, terwijl de argumenten van de wederpartij niet dermate
onvoldoende steekhoudend zijn dat een vermoeden van een verboden onderscheid
ontstaat. De Commissie concludeert derhalve dat onvoldoende aannemelijk is
gemaakt dat de wederpartij door het niet inroosteren in de bovenbouw van
verzoeker direct of indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid heeft gemaakt, daargelaten de vraag of het in deze een door
verzoeker gesteld onderscheid bij de promotie betreft dan wel een eveneens
door de AWGB verboden onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden.
4.4. Het onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden
De discriminerende telefoontjes van leerlingen en het voorgevallene ten
aanzien van het eindexamencijfer, waarbij verzoeker door de rector ter
verantwoording werd geroepen, hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding
van de AWGB. De Commissie kan derhalve het handelen van de wederpartij te
dien aanzien niet aan deze wet toetsen.
De wederpartij stelt niet bekend te zijn met het in 3.8. aangeduide conflict
in februari 1995, waarbij verzoeker en een collega de les zou zijn gelezen
door de rector. Verzoeker heeft ten aanzien van hetgeen naar zijn mening is
voorgevallen geen concrete informatie gegeven, die aannemelijk zou kunnen
maken dat het incident verband hield met verzoekers homoseksuele gerichtheid.
Op grond van het voorgaande kan niet tot de conclusie worden gekomen dat de
wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden jegens verzoeker direct of indirect
onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid als bedoeld
in de AWGB.
4.5. Het onderscheid bij de beëindiging van de arbeidsverhouding
De Commissie merkt allereerst op dat het haar taak is te oordelen over de
vraag of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding de homoseksuele
gerichtheid van verzoeker een rol heeft gespeeld.
De Commissie is van oordeel, dat hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien
van het – mede door de veranderlijke opstelling van verzoeker wisselend
verlopen – reïntegratie-/onderhandelingsproces voorafgaande aan het ontslag,
onvoldoende grond biedt om te kunnen concluderen dat in deze sprake is van
een door de wet verboden onderscheid.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij, in tegenstelling tot medische
verklaringen over zijn arbeidsgeschiktheid, geconfronteerd wordt met een
arbeidsongeschiktheid die situatief is bepaald. Aan die omstandigheid mag
naar zijn mening niet voorbij worden gegaan. De Commissie overweegt
dienaangaande dat factoren, die van belang zijn voor verzoekers functioneren
tijdens de dienstbetrekking, meegewogen moeten worden bij de vraag of bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst een door de wet verboden onderscheid
is gemaakt. Dergelijke factoren, die mede betrekking kunnen hebben op de
arbeidsomstandigheden en de algehele werksfeer, dienen dan wel duidelijk te
worden gemaakt.
Dienaangaande heeft de Commissie geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is
geworden dat sprake was van onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid.
De Commissie concludeert derhalve dat ook met meeweging van de situatie,
waarin verzoeker op school verkeerde voorafgaande aan het reïntegratieproces,
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de wederpartij bij de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond
van homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de AWGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Volendam jegens de
heer (…) te Edam geen onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele
gerichtheid als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Algemene wet gelijke
behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).