Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was werkzaam bij de wederpartij. De arbeidsovereenkomst is per 1
oktober 1995 ontbonden. Verzoeker is van mening dat hem op de werkplek zowel
verbaal als fysiek geweld is aangedaan vanwege zijn etnische afkomst. Hij
voelt zich door deze gebeurtenissen beledigd, gekwetst en gediscrimineerd.
Er heeft zich een conflict voorgedaan omtrent pauzering. Dit is de aanleiding
voor een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er hebben zich
volgens getuigen nog meer conflicten voorgedaan. Het is volgens de Commissie
onbetwist dat deze conflicten hebben geleid tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst.
De Commissie acht het standpunt van verzoeker aannemelijk dat werknemers van
niet-Nederlandse afkomst van een dergelijke bejegening meer nadeel
ondervinden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de
werkloosheid onder allochtonen aanzienlijk hoger is dan onder autochtonen.
Zij hebben derhalve een meer kwetsbare positie als werknemer op de
arbeidsmarkt dan hun Nederlandse collega’s.
Daardoor is het voor hen moeilijker zich aan een dergelijke bejegening te
onttrekken door ontslag te nemen.
De Commissie stelt voorts op grond van de hiervoor genoemde verklaringen vast
dat bovendien tegen verzoeker uitlatingen werden gedaan over zijn afkomst die
hij als discriminerend kon ervaren.
De Commissie is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel
dat er zodanige samenhang bestaat tussen de grove en discriminerende
bejegening en de conflicten die met verzoeker zijn ontstaan dat geconcludeerd
moet worden dat bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met verzoeker
onderscheid op grond van ras mede een rol heeft gespeeld.
Het verweer van de wederpartij dat zij niet verantwoordelijk kan worden
gehouden voor discriminerende opmerkingen van medewerkers in het bedrijf
wijst de Commissie af. De Commissie is van oordeel dat de verplichting van de
werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid
met zich brengt, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover
hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij jegens verzoeker bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden onderscheid naar ras heeft
gemaakt.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 oktober 1995 verzocht de heer (…) te Den Haag (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
de firma (…) te Haarlem (hierna: de wederpartij) jegens hem een door de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) verboden onderscheid heeft gemaakt.

1.2. Verzoeker was werkzaam bij de wederpartij. De arbeidsovereenkomst is per
1 oktober 1995 ontbonden. Verzoeker is van mening dat hem op de werkplek
zowel verbaal als fysiek geweld is aangedaan vanwege zijn etnische afkomst.
Hij voelt zich door deze gebeurtenissen beledigd, gekwetst en
gediscrimineerd.
Verzoeker is van mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd is
met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting op 27
februari 1996. Tijdens deze zitting hebben partijen hun standpunten nader
toegelicht.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
dhr. (…) (verzoeker)
mw. (…) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
dhr. (…) (namens de directie)
dhr. (…) (getuige)

van de kant van de Commissie
mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)

2.3. De Commissie heeft naar aanleiding van het onderzoek ter zitting nadere
inlichtingen gevraagd en de volgende stukken van verzoeker ontvangen:
– de arbeidsovereenkomst van verzoeker;
– de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de
Kantonrechter te Haarlem van 29 september 1995;
– het verzoekschrift van de wederpartij en het verweerschrift van verzoeker
ter zake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
– een brief van de door verzoeker geraadpleegde bedrijfsarts.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 Verzoeker is van Egyptische afkomst.
Hij werkte sinds 6 december 1993 bij de wederpartij als productiemedewerker.
Medio augustus 1994 kreeg hij een vaste aanstelling. Verzoeker veranderde
vervolgens van afdeling. Hierna zijn er problemen ontstaan tussen verzoeker
en de leidinggevende van deze afdeling (hierna te noemen: het
afdelingshoofd).

3.2. Op 4 september 1995 vond tussen verzoeker en het afdelingshoofd een
escalatie plaats naar aanleiding van een geschil over het tijdstip van
pauzeren.
Verzoeker heeft op de dag waarop dit incident heeft plaatsgevonden aangifte
gedaan van geweldpleging bij de politie van de Regio Kennemerland/Haarlem.

3.3. Verzoeker heeft zich op dezelfde dag gewend tot de bedrijfsarts. Deze
heeft aan de Commissie bevestigd dat verzoeker zich tot hem heeft gewend
terzake van mishandeling op de werkplek. Bij dit bezoek heeft verzoeker
tevens ter sprake gebracht dat hij door de werkgever werd gediscrimineerd.
Voorts heeft de bedrijfsarts verzoeker vanaf genoemde datum arbeidsongeschikt
verklaard.

3.4. Op verzoek van de wederpartij is de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 1995 door de Kantonrechter te
Haarlem ontbonden.
De arbeidsovereenkomst is ontbonden wegens `gewichtige redenen’. De redenen
zijn door partijen als volgt omschreven: `Tijdens de loop van de
dienstbetrekking zijn tussen verzoeker en verweerder moeilijkheden gerezen.
Deze betreffen een verschil van mening omtrent de aard en wijze waarop de
functie door verweerder zou moeten worden vervuld, zonder dat is aan te geven
dat aan een van de betrokken partijen in overwegende mate een verwijt kan
worden gemaakt’.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.
Aanvankelijk had verzoeker geen problemen op het werk. Vanaf het moment dat
hij een vaste aanstelling heeft gekregen en hij onder andere leiding kwam,
werd hij anders behandeld. Het afdelingshoofd stelde zich uitermate
autoritair op en sprak hem aan met: `Stomme buitenlander’ en bezigde andere
scheldwoorden van meer algemene aard.
Het kwam tot een uitbarsting op 4 september 1995. Na een discussie over de
pauze werd hij door het afdelingshoofd uitgescholden en mishandeld. Verzoeker
heeft daarvan aangifte gedaan bij de politie.
Het proces-verbaal vermeldt, voor zover relevant, het volgende over voornoemd
incident:
`[ … ]. De pauze is altijd om acht uur. [ … ]. Op een gegeven moment kwam
(…) en hij zei dat ik geen recht had op pauze. [ … ]. Hij zei mij, dat ik
terug aan het werk moest en om 08.45 uur pauze mocht houden. Ik zei, dat dat
goed was, maar dat ik om 08.45 uur dan wel pauze zou nemen. Hij schold mij
toen uit voor klootzak en hij zei, dat ik de hele dag aan het “trutten” was.
Hij pakte vervolgens een plastic vuilnisbak en sloeg die omgekeerd tegen mijn
hoofd. [ …]. Ik voelde direct een warmte op mijn linker wang en wat pijn. [
…]. Ik heb vervolgens mijn kleding aangedaan en ik was voornemens naar huis
te gaan. (…) kwam naar mij toe en vroeg mij wat ik ging doen. Ik zei, dat
ik ziek was en naar huis ging. Hij zei vervolgens: `sodemieter maar op en kom
maar niet meer terug’.
In het proces-verbaal stelt verzoeker tevens:
`[ …]. Niet alleen ik, maar ook mijn collega’s behandelt hij vaak slecht.
Hij scheldt ons vaak uit en wij moeten precies doen wat hij zegt, anders
moeten wij bij het bedrijf weg. [ …]’.
Verzoeker geeft aan dat de werksfeer voor niemand erg plezierig is. Er is dan
ook sprake van een groot verloop van werknemers.
Verzoeker stelt dat de wederpartij alleen maar buitenlanders in dienst wil
hebben, omdat Nederlanders scheldwoorden niet accepteren. Voor buitenlanders
ligt dit anders: buitenlanders hebben dit werk nodig, omdat zij niet
makkelijk ander werk kunnen vinden. Verzoeker stelt dat hij wel moest
blijven. Hij is 33 jaar en vindt geen ander werk.
Volgens hem worden mensen van niet-Nederlandse afkomst regelrecht beledigd en
discriminatoir bejegend. In zijn geval werd zelfs geweld niet geschuwd.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij is van mening dat zij buitenlanders niet op hun afkomst
aanspreekt. Als dit het geval zou zijn, zou zij verzoeker geen vaste
aanstelling hebben gegeven en zou het personeelsbestand niet voor 70% uit
allochtonen bestaan.
De wederpartij stelt dat er inderdaad vervelende situaties zijn ontstaan met
verzoeker, maar dat verzoeker deze zelf heeft veroorzaakt. Toen verzoeker een
vast contract kreeg dacht hij waarschijnlijk dat hij er de kantjes af kon
lopen. Hij ging zich ook autoritair gedragen.
Regels die in de fabriek gelden zijn verzoeker van begin af aan duidelijk
geweest, echter verzoeker trok zich na zijn vaste aanstelling hier heel
weinig van aan. Hij ging zijn eigen gang en deed zijn werk niet meer zoals
het hoorde.
De wederpartij stelt dat hij niets anders heeft gedaan dan verzoeker steeds
weer op de regels wijzen. Verzoeker probeerde steeds weer om onder de regels
uit te komen.
Er zullen best harde woorden gevallen zijn tijdens deze terecht- wijzingen,
maar er was nooit een plastic vuilnisbak tegen iemands hoofd gegooid. De
wederpartij heeft dit eerder onderzocht daar verzoeker dit ook bij hem heeft
aangekaart. Er was niemand bij en het desbetreffende afdelingshoofd weet
niets van dit incident.
De wederpartij stelt ter zitting dat er hardere woorden in de `vleeswereld’
vallen dan op een kantoor. Hij ontkent dat hij of de andere leidinggevenden
deze gebruiken. Hij is van mening dat hij niet verantwoordelijk gehouden kan
worden voor wat anderen binnen het bedrijf zeggen.
Er is overigens bij hem nooit geklaagd over discriminatie.

De verklaringen van getuigen

3.7. Een allochtone collega van verzoeker heeft op 11 oktober 1995 aangifte
van discriminatie door de wederpartij bij de politie van de Regio
Kennemerland/Haarlem gedaan.
Het proces-verbaal vermeldt, voorzover relevant, het volgende:
`[ …]. In de periode dat ik daar gewerkt heb, werkten daar ongeveer 40
personen in dit bedrijf. Er waren meer buitenlanders dan Nederlanders aan het
werk. In de afdeling waar ik werkte waren uitsluitend buitenlanders aan het
werk. [ …].
Ik kan u over een voorval verklaren dat zich in het voorjaar van 1995 heeft
afgespeeld. Er had zich een grapje voorgedaan met een Nederlandse werknemer.
Die ging hierop naar de directeur meneer (…). Ik zag toen dat meneer (…)
vanuit zijn kantoor kwam en ik hoorde toen dat hij zei: “jullie zijn allemaal
hetzelfde, die kut buitenlanders. Wat doen jullie hier. Jullie zijn dom en
jullie maken er een rommeltje van. Jullie zijn alleen maar domme krachten” of
woorden van gelijke strekking. Ik zag toen ook dat hij met een hamer in zijn
hand op de mij bekende meneer (…) [… ] afkwam en hem hiermee bedreigde.
Ik hoorde dat meneer (…) aan meneer (…) vroeg: “waarom scheld je nou zo”
of woorden van gelijke strekking. Ik zag toen dat meneer (…) zeer kwaad
werd en het schuim op zijn mond had. Dit soort gevallen deden zich haast
dagelijks voor. [ …].
Het is mij ook eens overkomen dat ik op een normale werkdag om 15.30 uur
wilde stoppen met werken. [ …]. Toen ik dus te kennen gaf om 15.30 uur te
willen stoppen kwam meneer (…) met een stok in zijn hand op mij af. Hij
dreigde mij toen in elkaar te slaan. Ook een zoon van meneer (…) kwam toen
op mij af met een stok in zijn hand. Ik kreeg toen ook te horen dat ik op
staande voet ontslagen zou worden als ik niet zou overwerken. Ik ben toen
maar gebleven en heb tot 16.30 uur gewerkt die dag. Het is mij vaak overkomen
dat als ik niet direct deed wat meneer (…) wilde, dat ik slecht werk te
doen kreeg zoals het werken in een diepvriesruimte van zeker min 20 graden
celcius.[ …]. Ik vind meneer (…) een vreselijke man om als werkgever te
hebben. Hij scheldt mij veel uit en nog wel waar anderen bij zijn. Hierdoor
voel ik mij in mijn goede naam en eer aangetast. Dit is ook de reden geweest
dat ik op 14 juli 1995 ontslag heb genomen. Ik kon er niet meer tegen. Ik
wens dan ook dat er tegen hem een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld.
[ …]”.

3.8. Door de getuige van de wederpartij is op de zitting naar voren gebracht
dat een incident heeft plaats gevonden. Hij heeft gehoord dat er ruzie was
over de pauze. Hij heeft niets gezien.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij het beëindigen van de arbeidsverhouding zoals
verboden in artikel 5 lid 1 sub b van de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid tussen personen onder meer op
grond van ras is verboden.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad ruim moet worden uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of
nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22.014, nummer 3, p. 13, vergaderjaar 1990-1991).

4.3. Naar het oordeel van de Commissie is niet alleen sprake van een door de
wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige aanleiding vormt
voor een ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond mede aanleiding
tot een ongelijke behandeling is.

4.4. De vraag die voorligt is, of aannemelijk is geworden dat de etnische
afstamming van verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst.
Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden stelt de Commissie op
grond van de overgelegde processtukken, de verklaringen van partijen en de
processen-verbaal het volgende vast.
De arbeidsovereenkomst met verzoeker werd ontbonden op grond van gewichtige
redenen, die op zich geen rechtstreeks verband houden met discriminatie op
grond van ras.
Voorts is bij het incident op 4 september 1995 geen sprake geweest van een
discriminerende bejegening door de wederpartij van verzoeker op grond van
diens afkomst.
Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de Commissie
het volgende.

4.5. De Commissie constateert dat het conflict omtrent het tijdstip van
pauzeren op 4 september 1995, de directe aanleiding was voor verzoeker om de
bijstand van derden in te roepen. Dit conflict heeft zodanige vorm aangenomen
dat verzoeker nog diezelfde dag door de bedrijfsarts arbeidsongeschikt werd
verklaard. Voorts heeft kort daarna de gemachtigde van verzoeker stappen
ondernomen om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te geraken.
Geconcludeerd wordt dat genoemd conflict de directe aanleiding vormde tot de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.6. De Commissie stelt vast dat dit conflict niet op zichzelf stond. Hieraan
voorafgaand hebben zich, vanaf augustus 1994, meer problemen tussen verzoeker
en de wederpartij voorgedaan.
Dit wordt bevestigd door de verklaringen van partijen ter zitting, de
processen-verbaal zoals weergegeven onder 3.5 en 3.7.
en de overgelegde correspondentie.

4.7. Het is onbetwist dat deze conflicten hebben geleid tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst.
De vraag is of bij deze conflicten onderscheid naar ras mede een rol heeft
gespeeld, zodat geconcludeerd moet worden dat ook bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, die het gevolg is geweest van deze conflicten, sprake is
van verboden onderscheid op grond van ras.

4.8. De Commissie stelt vast dat binnen het bedrijf van de wederpartij grove
taal wordt gebezigd. Dit werd ook bevestigd door de wederpartij. Voorts is er
ook sprake van bedreiging en fysiek geweld. Dit beeld wordt bevestigd door de
eerder genoemde processen-verbaal van verzoeker en zijn collega van
niet-Nederlandse afkomst.

4.9. Verzoeker en ook de allochtone collega hebben verklaard dat allochtone
werknemers door de grove bejegening van de wederpartij meer worden gehinderd
dan hun Nederlandse collega’s. Nederlandse collega’s accepteren dat gedrag
niet en nemen hun ontslag. Allochtone werknemers moeten zich deze gedragingen
vaak laten welgevallen. Zij kunnen immers moeilijker aan werk komen dan de
autochtone collega’s.
Uit de verklaringen blijkt voorts dat zowel verzoeker als de allochtone
collega op een bepaald moment niet meer tegen deze bejegening konden, hetgeen
in beide gevallen heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.10. De Commissie acht het hiervoor omschreven standpunt van verzoeker
aannemelijk dat werknemers van niet-Nederlandse afkomst van een dergelijke
bejegening meer nadeel ondervinden. Het is immers een feit van algemene
bekendheid dat de werkloosheid onder allochtonen aanzienlijk hoger is dan
onder autochtonen. Zij hebben derhalve een meer kwetsbare positie als
werknemer op de arbeidsmarkt dan hun Nederlandse collega’s.
Daardoor is het voor hen moeilijker zich aan een dergelijke bejegening te
onttrekken door ontslag te nemen.

4.11. De Commissie stelt voorts op grond van de hiervoor genoemde
verklaringen vast dat bovendien tegen verzoeker uitlatingen werden gedaan
over zijn afkomst die hij als discriminerend kon ervaren.

4.12. De Commissie is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden van
oordeel dat er zodanige samenhang bestaat tussen de grove en discriminerende
bejegening en de conflicten die met verzoeker zijn ontstaan dat geconcludeerd
moet worden dat bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met verzoeker
onderscheid op grond van ras mede een rol heeft gespeeld.

4.13. Het verweer van de wederpartij dat er in haar bedrijf meer allochtonen
dan autochtonen werkzaam zijn verklaart niet dat in het bedrijf niet wordt
gediscrimineerd. Dat kan met verschillende factoren te maken hebben zoals de
hoge graad van werkloosheid onder allochtonen, waardoor in het algemeen ook
minder aantrekkelijk werk moet worden aangenomen en vastgehouden.
Het standpunt van de wederpartij dat verzoeker zijn werkzaamheden niet (meer)
naar behoren uitvoerde, acht de Commissie niet overtuigend. Het is de
Commissie niet gebleken dat de wederpartij tijdens de arbeidsverhouding
verzoeker in kennis heeft gesteld van zijn negatieve oordeel over diens
functioneren. Voorts is er als reden voor de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst weliswaar gegeven dat er verschil van inzicht bestond
over de aard en wijze waarop de functie door verzoeker zou moeten worden
vervuld. Daarbij is echter tevens vermeld dat niet is aan te geven dat zulks
in overwegende mate aan een der partijen is te verwijten.
Het verweer van de wederpartij dat zij niet verantwoordelijk kan worden
gehouden voor discriminerende opmerkingen van medewerkers in het bedrijf
wijst de Commissie af. De Commissie is van oordeel dat de verplichting van de
werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid
met zich brengt, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover
hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.

4.14. De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij jegens verzoeker
bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden onderscheid naar ras
heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) en (…) jegens de
heer (…) te Den Haag onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de beëindiging
van de arbeidsovereenkomst, zoals verboden in artikel 5 lid 1 onder b van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)