Instantie: Kantonrechter Zaandam, 12 februari 1996

Instantie

Kantonrechter Zaandam

Samenvatting


Na een relatie te hebben gehad met werkneemster, gevolgd door de geboorte van
een kind trouwt deze werknemer met de telefoniste. De werkgeefster wil graag
het dienstverband met de werknemer voortzetten en vraagt om ontbinding van de
arbeidsovereenkomst met werkneemster. Deze verzet zich niet, maar wil een
hogere vergoeding dan de aangeboden ƒ 11 000.
De kantonrechter is van mening dat een goede samenwerking niet meer mogelijk
is. Zij vindt het redelijk dat de keuze op werkneemster is gevallen. Hoewel
de werkgeefster geen schuld heeft aan de situatie, heeft zij wel de
verplichting zich de ontstane situatie van werkneemster, die haar geliefde,
de vader van haar kind en haar baan verliest, bijzonder aan te trekken. Van
werkgeefster mag een extra zorgplicht worden geëist. Het aanbieden van een
andere baan of een vergoeding van ƒ 11 000 is in dit verband niet voldoende.
De rechter bepaalt de vergoeding op ƒ 44 000. Er is geen grond voor een
materiële en/of immateriële schadevergoeding.

Volledige tekst

De procedure
1. Op 2 januari 1996 is ter griffie van het Kantongerecht een verzoekschrift
ontvangen van Ordina, strekkende tot ontbinding van de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst. F heeft daarop een verweerschrift ingediend,
welk verweerschrift begin februari jl. ter griffie is binnengekomen.
2. Op 5 februari 1996 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats
gehad. Partijen hebben aldaar hun standpunten nader toegelicht en/of door hun
gemachtigden doen toelichten.
Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Door de griffier is
van het ter zitting verhandelde aantekening gehouden.
3. Ter zitting is de uitspraak bepaald op heden.
4. De Kantonrechter heeft kennis genomen van voormelde stukken, de inhoud
daarvan moet als hier herhaald worden beschouwd.

De feiten
5. F is op 22 juli 1993 bij Ordina Automatisering in dienst getreden. Sedert
1 februari 1995 is F in dienst van Ordina Finance (nader te noemen Ordina).
Het bruto maandsalaris bedraagt thans ƒ 5500.
6. F heeft een relatie gehad met S, een andere werknemer van Ordina. Uit de
relatie is vorig jaar zomer een zoon geboren. Inmiddels is de relatie met S
verbroken en is S een relatie aangegaan met een bij Ordina werkzame
telefoniste. Met deze telefoniste is S inmiddels getrouwd.
7. Ordina geeft aan het handhaven van het dienstverband met S de voorkeur
boven het voortzetten van de arbeidsrelatie met F. Het dienstverband met de
echtgenote van S is inmiddels beëindigd.
8. Partijen zijn het er over eens dat hun arbeidsrelatie zodanig fundamenteel
is verstoord dat voortzetting daarvan niet meer kan leiden tot een vruchtbare
samenwerking, reden waarom volgens partijen hun arbeidsovereenkomst dient te
worden ontbonden.

Het verzoek
9. Ordina grondt haar verzoek op veranderingen in omstandigheden die van dien
aard zijn dat de dienstbetrekking tussen partijen billijkheidshalve dadelijk
of na korte tijd behoort te eindigen. Naast de in het verzoekschrift genoemde
gronden baseert Ordina haar vordering thans ook op een verstoorde
arbeidsrelatie.

Het verweer
10. F heeft de door Ordina verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst –
voorzover gebaseerd op een verstoring in de arbeidsrelatie – niet bestreden.
F wenst echter wel een vergoeding te ontvangen als bedoeld in art. 7A:1639w,
lid 8 BW.

De beoordeling
11. De kantonrechter is op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd van
oordeel dat er te dezen sprake is van gewijzigde omstandigheden die van dien
aard zijn dat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking billijkheidshalve
op korte termijn behoort te worden ontbonden.
De kantonrechter stelt zich voor dat te doen met ingang van 15 februari 1996.

De vergoeding
12. Nu de kantonrechter er toe zal overgaan de dienstbetrekking tussen
partijen te beëindigen, ligt de vraag voor of F ten laste van Ordina een
vergoeding toegekend dient te worden.
13. Voor het toekennen van een dergelijke vergoeding ziet de kantonrechter
ingevolge art. 7A:1939w, lid 8 BW aanleiding. Ordina is ook bereid een
vergoeding te betalen. De kantonrechter stelt de toe te kennen vergoeding op
bruto ƒ 44 000.
14. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding houdt de kantonrechter
onder meer rekening met de leeftijd van F, de duur van het dienstverband met
Ordina en de hoogte van het salaris dat F bij Ordina heeft verdiend.
15. Daarnaast dient ook gewicht toegekend te worden aan de speciale
omstandigheden van deze zaak.
Vooropgesteld dat Ordina (uiteraard) niet verantwoordelijk is voor de
moeilijke privé-situatie waar F in terecht is gekomen. Wel is de
kantonrechter van oordeel dat die situatie op Ordina een morele plicht legt
zich de situatie van F in het bijzonder aan te trekken. De compassie waar
Ordina van spreekt dient in dat verband een financiële component in zich te
bergen.
Dat Ordina niet zowel S als F in dienst kan houden, S en F staan daarvoor te
vijandig tegenover elkaar en Ordina’s organisatie is daarvoor niet groot
genoeg, is te begrijpen en dat bij een keuze de voorkeur naar S uitgaat is te
billijken, maar door de hele affaire die zich voor een groot deel binnen
Ordina heeft afgespeeld, is F wel én haar vriend, de vader van haar kind én
haar baan kwijt geraakt, waarbij komt dat F, naar zij betoogt: als gevolg van
alles, thans arbeidsongeschikt is.
Als werkgever van de drie dramatis personae mag ten opzichte van F dan ook
een extra zorgplicht verwacht worden.
Op zich heeft Ordina correct gehandeld door te onderzoeken of binnen de
Ordina Groep een andere betrekking voor F te vinden was, maar waar dat
onderzoek geen succes had. F heeft een aanbod van Altair Automation BV om
haar moverende redenen verworpen, kon Ordina daarmede niet volstaan. Waar
gesteld noch gebleken is dat er van obstructie aan de kant van F sprake is
had Ordina na het afslaan van het aanbod van Altair niet direct op de
onderhavige ontbindingsprocedure, daarbij een vergoeding aanbiedende van
slechts ƒ 11 000 mogen afsturen.
16. Voor een vergoeding van immateriële schadevergoeding is geen rechtsgrond
aanwezig, aan de vereisten die de wet in dat verband stelt is niet voldaan.
Evenmin kan materiële schadevergoeding aan de orde zijn nu het hier niet gaat
om een vergoeding van schade maar om een billijke vergoeding.

Intrekken van het verzoek
17. Ordina dient in de gelegenheid te worden gesteld haar verzoek tot
ontbinding in te trekken.

De kosten
18. Maakt Ordina gebruik van de haar onder 17 geboden gelegenheid, dan wordt
zij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de kant van
F begroot op ƒ 750 aan salaris gemachtigde. Voor het geval Ordina afziet van
het recht als bedoeld onder 17 ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van
deze procedure te compenseren, in dier voege dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Beschikking:
Ordina wordt in de gelegenheid gesteld haar verzoek in te trekken binnen 10
dagen na uitspraak van deze beschikking.
Maakt Ordina van deze geboden gelegenheid gebruik dan wordt zij veroordeeld
in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de kant van F begroot op ƒ
750.
Wordt het verzoek niet ingetrokken, dan wordt als volgt beslist:
De tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wordt met ingang van 15
februari 1996 ontbonden.
Ter zake van die ontbinding wordt F ten laste van Ordina een vergoeding
toegekend als hiervoor onder 13. aangeduid .
Ordina wordt veroordeeld voormeld bedrag aan F te betalen.
De proceskosten worden gecompenseerd, in dier voege dat iedere partij de
eigen kosten draagt.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Rechters

Mr. S.R. Mellema