Instantie: Hof Amsterdam, 14 december 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 26 jaar getrouwd geweest. De man meent dat hij geen alimentatie
hoeft te betalen omdat hij in verband met zijn ziekte extra kosten moet maken
om een zelfstandig leven te leiden. Daarnaast meent de man dat de
levensverwachting en het levensgenot, dat door zijn ziekte aanzienlijk is
verminderd, bij de beoordeling in aanmerking dient te worden genomen. Het hof
verwerpt dit betoog. Zij meent dat niet uit het oog moet worden verloren dat
de vrouw de man lang heeft verzorgd en dat zij daarbij de belangen van de man
geheel voor heeft laten gaan ten koste van haar eigen belangen. Het zou
onterecht zijn als de vrouw op de bijstand zou worden aangewezen.
Volgens het hof heeft de rechtbank voldoende rekening met de bijzondere
situatie gehouden door naast een bedrag van ƒ 100 per maand aan extra kosten,
tevens rekening te houden met de kosten van een huishoudelijke hulp en met de
kosten van zeven warme maaltijden per week. Mede gezien de duur van het
huwelijk is het hof van mening dat de rechtbank de alimentatie terecht op ƒ
850 heeft vastgesteld.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De man is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een beschikking
van 17 mei 1995 van de rechtbank te Utrecht, nummer 31214 FA RK 94-2184.

1.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op 1 november 1995 behandeld door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in 1969 gehuwd. Het huwelijk is op 8 september 1995
ontbonden.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft
gehouden met de extra kosten die hij in verband met zijn ziekte moet maken om
een zelfstandig leven te leiden. Daarnaast dient de levensverwachting en het
levensgenot, dat door zijn ziekte aanzienlijk is verminderd, bij de
beoordeling in aanmerking worden genomen. Op grond daarvan dienen de kosten
die normaal in de bijstandsnorm vallen als extra kosten te worden aangemerkt
en blijft er voor hem geen ruimte over om voor de vrouw alimentatie te
betalen. De man heeft de behoefte van de vrouw aan de bij de beschikking
waarvan beroep bepaalde alimentatie niet bestreden.
Hij heeft echter gesteld dat zijn belangen, gezien zijn omstandigheden,
prevaleren boven de belangen van de vrouw.

3.2. Dit betoog wordt verworpen. Aannemelijk is dat de verzorging van de man
door de vrouw voor haar, zowel in lichamelijke als in geestelijk opzicht, een
grote belasting is geweest. Door de belangen van de man geheel voor te laten
gaan boven de belangen van de vrouw, zou aan de inspanningen die de vrouw
zich in het verleden jarenlang ten behoeve van de man heeft getroost
onvoldoende recht worden gedaan, zeker als dit zou betekenen dat de vrouw
daardoor op bijstand aangewezen zou worden. Wel is het redelijk dat aan de
kant van de man de financiële lasten die het gevolg zijn van zijn ziekte bij
de bepaling van zijn draagkracht worden betrokken. De rechtbank heeft daarmee
voldoende rekening gehouden door, naast een bedrag van ƒ 100 per maand aan
extra kosten, tevens rekening te houden met de kosten van een huishoudelijke
hulp en met de kosten van zeven warme maaltijden per week. Het is niet
redelijk om aan de omstandigheden van de man zoveel gewicht toe te kennen dat
alle omstandigheden van de man zoveel gewicht toe te kennen dat alle
financiële middelen alleen ten dienste van hem mogen staan, te minder nu het
huwelijk van partijen meer dan 25 jaar heeft geduurd en de vrouw de man
verzorgde.

3.3. op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en
van hetgeen hiervoor is overwogen, is de bij de beschikking waarvan beroep
bepaalde uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw ƒ 850 per maand in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het
hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Verspyck, Mijnssen, De Vreeze-Oostvogel en Streefkerk