Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 december 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Geïntimeerde vorderde in eerste aanleg een voorschot op de schadevergoeding
wegens seksueel misbruik toen zij minderjarig was door H. De rechtbank heeft ƒ
2000 toegewezen. In hoger beroep wordt deze uitspraak bevestigd met
uitvoerige verwijzing naar de aspecten die van belang zijn voor de
beoordeling van de omstandigheden.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant, T is bij exploit van 14 december 1994 in hoger beroep gekomen
van de vonnissen die door de arrondissementsrechtbank te Almaar onder
rolnummer 200/1991 zijn gewezen en die zijn uitgesproken op 13 mei en op 6
oktober 1994, met dagvaarding van geïntimeerde, E, voor dit hof.

1.2. Appellant heeft bij memorie drie grieven tegen het vonnis van 6 oktober
1994 aangevoerd met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis
van 6 oktober 1994 zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende de vordering van
E alsnog zal afwijzen, althans zal toewijzen tot een in goede justitie vast
te stellen bedrag, en haar te veroordelen in de kosten in beide instanties.

1.3. Geïntimeerde heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden
met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof:
primair: T niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen;
subsidiair: het vonnis van 6 oktober 1994 zal bekrachtigen,
met veroordeling van T in de kosten van -naar het hof begrijpt- het hoger
beroep.

1.4. Tenslotte zijn de gedingstukken in eerste aanleg en in hoger beroep,
waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, voor het wijzen van arrest aan het
hof overgelegd.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het vonnis van 1 oktober 1992, onder 1, 2 en 3, eerste
vier zinnen, een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is
niet in het geding, zodat ook het hof van dat een en ander zal uitgaan.

4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu T geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van 13 mei 1993 waarvan
beroep is hij in zijn hoger beroep daartegen niet ontvankelijk.

5. Behandeling van het hoger beroep

5.1. In dit geding gaat het om het navolgende. T heeft met E -geboren op 15
augustus 1967- in het tijdvak 1967-1978 gedurende vijftien logeerpartijen van
E bij T, ontuchtige handelingen gepleegd en gemeenschap gehad. Door dat
onrechtmatig handelen van T heeft E materiële en immateriële schade geleden.
Partijen verschillen van mening omtrent de omvang van de schadevergoeding.

5.2. Uitgangspunt van het ten dezen toepasselijke artikel 1407 lid 2 (oud) BW
is dat het aan E toekomende bedrag tot vergoeding van de schade door de
rechter wordt vastgesteld naar gelang van de wederzijdse stand en de fortuin
der partijen, en naar de omstandigheden.

5.3. De grieven hebben betrekking op de toepassing van het criterium van ‘de
wederzijdse stand en de fortuin der personen’. Voorts is volgens T van belang
de ‘omstandigheid’ dat E van een andere persoon die haar tijdens haar
minderjarigheid seksueel heeft misbruikt slechts ƒ 1500 heeft gevorderd
omdat uit het deskundigenrapport niet blijkt in welke mate de handelingen van
T hebben bijgedragen tot de door de deskundige vastgestelde psychische schade
bij E in verhouding tot de handelingen van die andere persoon.

5.4. E bestrijdt de omvang van de inkomsten en de schulden van T niet, zodat
het hof daarvan zal uitgaan. Mitsdien staat vast dat zowel E als T slechts
over geringe financiële middelen beschikken.

5.5. Bij de beoordeling van de omstandigheden zijn voorts de navolgende
aspecten van belang:
1. de duur van en de wijze waarop het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden;
2. de leeftijd van het slachtoffer van het seksueel misbruik;
3. de verhouding tussen de pleger en het slachtoffer van het seksueel
misbruik;
4. de aard en de ernst van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
5. de te verwachten duur van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
6. de mate van schuld van de pleger van het seksueel misbruik;
7. de houding van de pleger van het seksueel misbruik nadien.

5.6. Nu de grieven zich niet richten tegen de inhoud van het psychiatrisch
rapport van 26 juli 1993 van de deskundige J. Hage, noch tegen het overnemen
door de rechtbank van zijn bevindingen en de conclusie zal het hof bij de
beoordeling van die omstandigheden ook daarvan uitgaan.

5.7. Ad 1 en 2. Het seksueel misbruik heeft zich uitgestrekt over een tijdvak
van ongeveer twee jaren, te weten vanaf het negende tot het elfde levensjaar
van E, terwijl zij, op uitnodiging van T, bij deze logeerde. Er is daarbij
sprake geweest van zowel ontuchtige handelingen als van volledige
gemeenschap.
Ad 3. T heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij, als kennis van de
ouders van E en als meer dan twintig jaar oudere man, op E had. T heeft
daardoor ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat E en haar ouders in T
hadden.
Ad 4 en 5. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat E zeer ernstige,
vooral psychische, schade heeft ondervonden en thans nog ondervindt, alsmede
dat niet valt te voorzien of zij daarvan zal kunnen herstellen, en zo ja,
wanneer.
Ad 6. Niet is gebleken dat de onrechtmatige gedragingen van T jegens E niet
geheel aan hem kunnen worden toegekend. Het door T te betalen bedrag dient
derhalve alleen ter vergoeding voor de handelingen die door hem zijn
gepleegd.
Ad 7. T heeft weliswaar het door hem gepleegde misbruik van E erkend, doch
uit de verklaringen door T tegenover de politie afgelegd en uit hetgeen in
dit geding door hem wordt aangevoerd blijkt evenwel dat zijn houding niet
bijdraagt tot verwerking van het gebeurde door E.

5.8. De wederzijdse stand en de fortuin der partijen en alle omstandigheden
in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het door de rechtbank
vastgestelde bedrag van ƒ 15 000 aan immateriële schadevergoeding juist is.
Mede gelet op het voor beslag gevrijwaarde deel van het inkomen van T blijkt
niet dat hij daardoor in financiële nood komt te verkeren. Ook het bedrag van
ƒ 348 wegens materiële schade is toewijsbaar. T heeft daartegen geen
specifieke grief aangevoerd.

5.9. Aan het vorenstaande zij nog toegevoegd dat Grief I, voor zover het
vonnis van 6 oktober 1994 spreekt van een WAO-uitkering, terecht is
opgeworpen, maar dat zulks niet leidt tot vernietiging van dat vonnis, nu de
hoogte van de uitkeringen die T ontvangt -aanvankelijk WWV en thans bijstand-
niet minder is dan de hoogte van de door de rechtbank aangenomen
WAO-uitkering.

5.10. Grief III richt zich tevens tegen het door de rechtbank vastgestelde
griffierecht en de procureurskosten. Anders dan T stelt zijn deze juist
berekend. Nu T slechts bereid was een bedrag van ƒ 1500 als
schadevergoeding aan E te voldoen was deze genoodzaakt tot het aanspannen van
het geding in eerste aanleg. Het is onder die omstandigheden terecht dat T
als in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij in de kosten van die
procedure wordt veroordeeld.

5.11. Op grond van het hiervoor overwogene treft geen der opgeworpenen
grieven doel.

6. Samenvatting en slotsom

Nu alle grieven falen moet het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het
oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd. De kosten in het hoger
beroep komen voor T nu hij aldaar in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld.

7. Beslissing

Het Hof:

a. verklaart T niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 13
mei 1993;

b. bekrachtigt het vonnis van 6 oktober 1994;

c. veroordeelt T in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde
van E tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1585 (eenduizend vijfhonderd
vijfentachtig gulden).

Rechters

Mrs Cremers, Stille en Van Hartingsveldt