Instantie: Rechtbank Dordrecht, 29 november 1995

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Na een huwelijk van 29 jaar is 22 jaar alimentatie betaald. Die bedraagt ƒ
200. Uit het huwelijk zijn kinderen geboren. De vrouw was ten tijde van de
echtscheiding 47 jaar oud en is thans 69 jaar oud. De vrouw heeft geen
arbeidsverleden. Beide partijen ontvangen een AOW-uitkering, terwijl de man
daarnaast een tweetal pensioenen ontvangt.
De rechtbank motiveert en beslist:
`Een vergelijking van beider draagkracht, de genoemde alimentatie in
aanmerking genomen, laat zien dat de vrouw dan nog steeds minder
bestedingsruimte heeft dan de man. (…) Nu ook uit de omstandigheden kan
worden afgeleid dat de vrouw, na, en ook ten gevolge van, het langdurig
huwelijk van partijen niet de mogelijkheid heeft gehad nadien door eigen
arbeid in haar levensonderhoud te voorzien, komt het de rechtbank op gronden
van redelijkheid en billijkheid juist voor om – zoals de vrouw vraagt – te
bepalen dat de alimentatie zal voortduren tot 1 juli 2006, op welke datum de
man 29 jaar alimentatie heeft betaald.

Volledige tekst

; Het procesverloop
Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 15 november 1976 werd tussen de
man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken.
Bij dat vonnis werd de man een alimentatieverplichting opgelegd ten behoeve
van de vrouw van ƒ 200 per maand.
De man verzoekt in zijn op 31 mei 1995 ingekomen verzoekschrift op grond van
gewijzigde omstandigheden de opgelegde verplichting te wijzigen en met ingang
van 1 april 1995 te bepalen op nihil, en voordien op hetgeen feitelijk is
betaald.
Tevens verzoekt de man de alimentatieplicht te limiteren en per 1 juli 1997
te laten beëindigen.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man.
Partijen hebben bescheiden overgelegd.
Het verzoek is op 10 november 1995 in raadkamer behandeld.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor is gebleken, dat de
omstandigheden van de man en de vrouw sedert het vonnis van de rechtbank te
Rotterdam van 15 november 1976 zijn gewijzigd, nu zij beiden de 65-jarige
leeftijd hebben bereikt. De rechtbank zal derhalve dienen te bezien of, gelet
op de omvang van die wijziging de opgelegde alimentatieverplichting nog immer
aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Nu de echtscheiding is uitgesproken voor 1981 is niet uitgesloten dat de
vrouw ook op grond van art 12 lid 2 van de wet pensioenverevening (d.d. 28
april 1994, Stb. 342) aanspraken op het pensioen van de man heeft. Nu de
vrouw daarover niets gezegd heeft, zal de rechtbank bij het navolgende er van
uit gaan dat zij aanspraken, voorzover aanwezig, niet geldend maakt.
De behoefte van de vrouw aan alimentatie staat tussen partijen ter discussie.
Ten aanzien daarvan is de rechtbank het volgende gebleken:
– De vrouw geniet een netto AOW-uitkering van ƒ 1273,29 per maand. Dit is
exclusief 5% vakantie toeslag.
– De vrouw heeft tevens inkomsten uit kamerverhuur van ƒ 400 per maand.
– De vrouw is alleenstaand.
– De huur, minus de ontvangen huursubsidie, van de vrouw bedraagt ƒ 564 per
maand.
– De vrouw voert aan autokosten op een bedrag van ƒ 580 per maand. Zij
beschikt over een invalidenparkeerkaart. Uit een verklaring van haar huisarts
kan worden opgemaakt dat vervoer per auto voor de vrouw weliswaar niet
onmisbaar, maar wel zeer gewenst is. De rechtbank zal daarom in redelijkheid
met de helft van deze kosten – ƒ 290 per maand – rekening houden bij de
berekening van de draagkracht.
Zelfs indien de rechtbank geen rekening houdt met de verdere door de vrouw
opgevoerde kosten, zoals ten behoeve van een darmdieet en huishoudelijke
hulp, komt de vrouw op een negatieve draagkracht uit.
Haar behoefte staat daarmee vast.
Uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor is voorts gebleken dat
voor de bepaling van de draagkracht van de man de navolgende omstandigheden
aan zijn zijde van belang zijn:
– De man geniet een netto AOW-uitkering van ƒ 1273,29 per maand.
– Tevens ontvangt de man een uitkering van het bedrijfspensioenfonds voor het
bakkersbedrijf van ƒ 283,61 netto per maand.
Deze bedragen zijn exclusief 5% vakantietoeslag.
– Daarnaast ontvangt de man een pensioenuitkering van ƒ 100 per maand uit
Engeland. Hij stelt dat bedrag jaarlijks te reserveren voor een
begrafenisvoorziening. Aangezien de man inmiddels een voldoende voorziening
kan hebben opgebouwd uit die uitkering, zal de rechtbank deze thans volledig
tot zijn inkomen rekenen.
– De man is alleenstaand.
– De kale huur, minus ontvangen huursubsidie, bedraagt ƒ 426 per maand.
Op basis van bovenstaande gegevens is de man in staat een alimentatie van ƒ
200 per maand ten behoeve van de vrouw te voldoen. De bestedingsruimte van de
vrouw blijft, ook na betaling van die alimentatie, lager dan die van de man.
Een vergelijking van beider draagkracht, de genoemde alimentatie in
aanmerking genomen, laat zien dat de vrouw dan nog steeds minder
bestedingsruimte heeft dan de man.
De destijds opgelegde alimentatieverplichting voldoet daarmee nog immer aan
de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal derhalve het verzoek van de man de alimentatie per 1 april
1995 op nihil te stellen afwijzen.
Door de vrouw is sinds 1977 nimmer aanspraak gemaakt op indexering. Het
verzoek van de man de alimentatie voor het verleden te stellen op hetgeen de
facto is voldaan is niet weersproken. Het zal worden toegewezen.
De man verzoekt voorts limitering van de alimentatieplicht. Hij verzoekt
beëindiging van zijn verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud met
ingang van 1 juli 1997.
Nu beide partijen de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wijziging
van hun financiële omstandigheden niet aannemelijk is, is er voldoende reden
om reeds thans op het limiteringsverzoek per 1 juli 1997 te beslissen.
Het huwelijk van partijen heeft 29 jaren geduurd. De vrouw heeft steeds de
zorg voor de kinderen gehad; zij was 47 jaar oud ten tijde van de scheiding.
De man betaalt inmiddels ruim 18 jaar alimentatie ten behoeve van de vrouw.
Nu uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de vrouw, na, en ook ten
gevolge van, het langdurig huwelijk van partijen niet de mogelijkheid heeft
gehad nadien door eigen arbeid in haar levensonderhoud te voorzien, komt het
de rechtbank op gronden van redelijkheid en billijkheid juist voor om – zoals
de vrouw vraagt – te bepalen dat de alimentatie zal voortduren tot 1 juli
2006, op welke datum de man 29 jaar alimentatie heeft betaald.
De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (voormalige echtelieden)
compenseren.
De beslissing
De rechtbank:
Bepaalt de door de man verschuldigde alimentatie over de periode tot 1 maart
1995 op het bedrag dat feitelijk is voldaan;
Bepaalt dat de verplichting van de man alimentatie te betalen – ongewijzigd ƒ
200 per maand – eindigt op 1 juli 2006;
Wijst af het meer of anders verzochte;
Bepaalt dat partijen aan elkaar geen proceskosten behoeven te betalen.

Rechters

Mr. A.M. van Schaijck-Hijmans