Instantie: Commissie gelijke behandeling, 6 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Zij heeft zich bij een uitzendbureau aangemeld
om tijdelijk werk te verrichten bij verschillende bedrijven. Ook de
wederpartij verzocht het uitzendbureau om een chauffeur te leveren.
Toen echter bleek dat het uitzendbureau een vrouwelijke chauffeur
(verzoekster) wilde leveren, werd dit aanbod geweigerd omdat de
wederpartij slechte ervaringen had met vrouwelijke chauffeurs. Het
uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.

Verzoekster is van mening dat zowel de wederpartij als het
uitzendbureau door deze handelwijze in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelen. Verzoekster heeft het verzoek tegen het
uitzendbureau naderhand ingetrokken. De Commissie stelt zich op het
standpunt dat het uitzendbureau, en dus niet de wederpartij, als
potentiele werkgever van verzoekster moet worden aangemerkt. Aangezien
geen van de wettelijke uitzonderingsgronden van toepassing is, staat
hiermee vast dat de wederpartij in strijd met artikel 3 WGB heeft
gehandeld door verzoekster niet in aanmerking te laten komen voor de
functie van vrachtwagenchauffeur.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 september 1994 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Zij heeft zich bij een uitzendbureau aangemeld
om tijdelijk werk te verrichten bij verschillende bedrijven. Ook de
wederpartij verzocht het uitzendbureau om een chauffeur te leveren.
Toen echter bleek dat het uitzendbureau een vrouwelijke chauffeur
(verzoekster) wilde leveren, werd dit aanbod geweigerd omdat de
wederpartij slechte ervaringen had met vrouwelijke chauffeurs. Het
uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.
Verzoekster is van mening dat zowel de wederpartij als het
uitzendbureau door deze handelwijze in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelen. Verzoekster heeft het verzoek tegen het
uitzendbureau naderhand ingetrokken.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek tegen zowel de wederpartij als het
uitzendbureau in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunt schriftelijk
toe te lichten.

2.2. De zaak tegen het uitzendbureau is ingetrokken nadat deze aan
verzoekster excuses heeft aangeboden voor het gebeurde en heeft
toegezegd dat indien zich onverhoopt wederom een dergelijke gebeurtenis
zou voordoen, op dat moment ad hoc een commissie gevormd zal worden
bestaande uit directie, uitvoerders en ondernemingsraad. Eveneens is
afgesproken dat alle vestigingsmedewerkers opnieuw gewezen zullen
worden op de antidiscriminatie bepaling in de leveringsvoorwaarden en
de ABU gedragsregels ter voorkoming van discriminatie, zodat in de
toekomst dergelijke gebeurtenissen voorkomen kunnen worden.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunt
mondeling nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(manager distributie)

van de kant van de Commissie – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – mw mr drs M.G. Nicolai (lid Kamer) – dhr drs B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Omdat zij eind juli 1994 werkloos was geraakt,
heeft zij zich bij een uitzendbureau aangemeld om tijdelijk werk te
verrichten bij verschillende bedrijven. Dit uitzendbureau is op grond
van afspraken tussen werkgeversorganisaties en vakbonden in de
bedrijfstak als enige gerechtigd om vrachtwagenchauffeurs te leveren
aan bedrijven in het beroepsgoederenvervoer.

De wederpartij is een transportbedrijf dat gespecialiseerd is in
‘door-to-door’-distributie van hoofdzakelijk luxegebruiksartikelen.
Afhankelijk van het soort goederen en soort zendingen, levert een
chauffeur 20 tot 70 zendingen per dag af. De zendingen bestaan
enerzijds uit losse collies, zoals televisies, computersystemen of
magnetrons en anderzijds uit palletzendingen met variabele gewichten
van 250 kilogram tot 1100 kilogram.

3.2. Verzoekster heeft na haar aanmelding bij het uitzendbureau een
aantal dagen voor een bedrijf gereden. Ook de wederpartij had het
uitzendbureau verzocht om tijdelijk een chauffeur te leveren.
Verzoekster werd op een avond gebeld door een medewerkster van het
uitzendbureau. Deze vroeg verzoekster of zij de volgende dag voor de
wederpartij wilde rijden, wat verzoekster wel wilde. Zij sprak met de
medewerkster van het uitzendbureau af dat zij de wederpartij zou
bellen. Even later werd verzoekster echter door diezelfde medewerkster
van het uitzendbureau gebeld die meedeelde, dat de wederpartij haar
intussen had verteld dat het bedrijf als beleid had om geen vrouwelijke
chauffeur te laten rijden vanwege slechte ervaringen in het verleden
met vrouwelijke chauffeurs. Verzoekster had nog nimmer voor de
wederpartij gereden.

Het uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ondanks haar verzoek
daartoe, was de intercedent van het uitzendbureau, niet bereid om een
schriftelijke verklaring af te leggen over de discriminerende eis van
de wederpartij.

3.3. Een paar weken later was verzoekster wederom bij het uitzendbureau
om naar werk te informeren, toen er, bij toeval, weer door de
wederpartij werd gebeld met het verzoek om een vrachtwagenchauffeur te
leveren. Een andere intercedent van het uitzendbureau deelde mee dat
verzoekster beschikbaar was. Wederom weigerde de wederpartij om
verzoekster te laten rijden op grond van hetzelfde argument. De
intercedent heeft getracht de wederpartij te overtuigen door de
wederpartij mee te delen dat verzoekster een uitstekende chauffeur was,
doch dit mocht niet baten. Aan verzoekster vertelde de intercedent dat
hij ook ongelukkig was met de situatie, maar dat hij uit
bedrijfseconomische overwegingen toch zou toegeven aan de eis van de
wederpartij. Hoewel verzoekster opnieuw heftig bezwaar maakte tegen
deze handelwijze bood de intercedent de wederpartij even later een
mannelijke chauffeur aan, die eveneens onbekend was bij de wederpartij.
Deze man is aangenomen.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door haar vanwege haar
geslacht niet voor de functie van vrachtwagenchauffeur in aanmerking te
laten komen.

Verzoekster stelt dat zij een goede chauffeur is en hetzelfde werk doet
als een mannelijke chauffeur. Verzoekster stelt voorts dat het beleid
van de wederpartij om geen vrouwelijke chauffeurs aan te nemen vanwege
de werkdruk en fysieke belasting, berust op een vooroordeel dat vrouwen
altijd stressgevoeliger en fysiek minder krachtig zouden zijn dan
mannen. Er zijn ook mannen die niet geschikt zijn voor de functie van
vrachtwagenchauffeur. Zij heeft bij een groot bedrijf gewerkt waar zij
de enige vrouwelijke vrachtwagenchauffeur was. Daar heeft men gezegd
dat zij niet hadden verwacht dat zij het zo goed zou doen. Er zijn
altijd genoeg hulpmiddelen aanwezig om het werk te kunnen doen. Er zijn
ook tengere mannen die dit werk doen. Over hen worden echter geen
problemen gemaakt.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Als functie-eis
wordt gesteld dat een chauffeur de werkdruk en de fysieke belasting aan
kan. Bij een sollicitatieprocedure worden kandidaten met name op deze
onderdelen geselecteerd. Dit is van elementair belang gebleken naar
aanleiding van een aantal probleemgevallen in het verleden. In de
periode 1989-1991 waren er zeven vrouwen als chauffeur in dienst. De
arbeidsovereenkomsten werden in alle gevallen vroegtijdig verbroken
waarbij de fysieke belasting een bepalende rol speelde, hetgeen zijn
weerslag had op de werkdruk. Dit vertaalde zich in ziekteverzuim wegens
rugklachten en in een geval raakte zelfs een chauffeuse overspannen. In
hoeverre de gezinssituatie daarbij bepalend is geweest, is niet direct
te meten, maar men heeft wel ondervonden dat deze problematiek bij de
chauffeuses wel tijdsdrukverhogend werkte.

Daarnaast -vermoedelijk vanwege deze spanningen- liep ook het aantal
verkeersongevallen bij de chauffeuses onevenredig hoog op. Toen een
chauffeuse een door haar veroorzaakt ongeval overkwam waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk was en de bedrijfswagen ‘total loss’ werd
verklaard, werd het onverantwoord geacht om op deze wijze verder te
gaan. Het beleid werd om geen vrouwelijke chauffeurs in dienst te
nemen, zolang er geen passende werkzaamheden aangeboden kunnen worden.
Passende werkzaamheden zouden kunnen zijn: transporten over langere
afstand met slechts een enkel los- of laadadres waarbij de fysieke
belasting minimaal is zoals bij tank- of bulkvrachten of situaties
waarbij los- of laadploegen of heftrucks aanwezig zijn. Op dergelijke
transporten kan op verantwoorde wijze een chauffeuse worden ingezet.

Aan chauffeurs via het uitzendbureau worden dezelfde eisen gesteld,
waarbij het uitzendbureau een voorselectie maakt. Het is overigens al
een extra belasting om onvoorbereid bij dit bedrijf in te vallen
vanwege de specialisatie. Wanneer het uitzendbureau een niet bij haar
bekende of passende chauffeur in kan zetten, wordt er naar andere
oplossingen gezocht.

Onlangs is nog bevestigd dat haar beleid gerechtvaardigd is, toen een
nieuwe manager een vrouwelijke chauffeur geselecteerd had uit een
aantal kandidaten voor een van de landelijke vestigingen. Na een
gedegen inwerkperiode, diende deze chauffeuse met onmiddellijke ingang
haar ontslag in, wegens de te grote fysieke druk van de werkzaamheden.
Desgevraagd deelt de wederpartij mee dat er niet in alle situaties
hulpmiddelen voor handen zijn die de fysieke last verminderen voor de
chauffeurs. Dat zij geen vrouw-onvriendelijk beleid voert, blijkt uit
het feit dat zij een chauffeuse een administratieve baan heeft
aangeboden, nadat ook zij te kennen had gegeven met haar werkzaamheden
als chauffeuse te willen stoppen.

De wederpartij betreurt het voorval, maar vertrouwt er op hiermee de
indruk weggenomen te hebben dat zij ten opzichte van vrouwen
discriminerend handelt. Ook vertrouwt zij er op dat zij heeft laten
blijken zich juist verantwoordelijk te voelen voor het welzijn van haar
personeel, waarbij in sommige situaties, gebaseerd op praktijkervaring,
beschermend opgetreden moet worden.

De wederpartij stelt dat verzoekster niet de enige kandidaat is die
voor deze klus niet is geaccepteerd. Ook enkele mannelijke kandidaten
voldeden niet aan de gestelde eisen. De wederpartij betreurt het dat
deze situatie zo hoog is opgelopen. Zij zal in de toekomst het ontstaan
van dergelijke situaties voorkomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling, door verzoekster niet voor de functie van
vrachtwagenchauffeur in aanmerking te laten komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegestaan bij
de aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen.

4.3 Voor wat de juridische relatie betreft tussen de wederpartij en
verzoekster en tussen het uitzendbureau en verzoekster overweegt de
Commissie als volgt. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid (hierna: de Commissie m/v) heeft eerder (Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 28
februari 1990, oordeelnummers 3-90-6 en 3-90-7) uitgesproken dat indien
een uitzendbureau voor iemand bemiddelt die door een inlener in dienst
wordt genomen, zij als uitgangspunt neemt dat bij normale
uitzendsituaties, er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen het
uitzendbureau en de uitzendkracht. Er ontstaat naar het oordeel van de
Commissie m/v in dit soort situaties dus niet een arbeidsovereenkomst
tussen de uitzendkracht en de inlener. De Commissie m/v baseerde zich
hierbij op rechtspraak en literatuur waarin dit standpunt vrij algemeen
wordt aanvaard. De Commissie deelt dit standpunt dat het uitzendbureau,
en dus niet de wederpartij, als potentiele werkgever van verzoekster
moet worden aangemerkt.

4.4. Voor wat betreft de relatie tussen uitzendkracht, in dit geval
verzoekster, en inlener, de wederpartij, overweegt de Commissie als
volgt. In artikel 3 WGB staat niet uitdrukkelijk vermeld tot wie de
norm in dit artikel is gericht. Hieruit concludeert de Commissie dat
artikel 3 WGB zich richt tot een ieder die op enige wijze bij de
werving en selectie van personeel betrokken is. Al eerder heeft de
Commissie m/v geoordeeld dat deze norm in ieder geval is gericht tot de
werkgever en tot een derde die door deze werkgever wordt betrokken in
de wervings- en selectieprocedure.

De Commissie m/v leidde dit af uit de tekst van artikel 3 WGB en uit de
Memorie van Toelichting op dit artikel (Tweede Kamer, vergaderjaar
1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 11 oktober 1993,
oordeelnummers 523-93-38 en 523-93-39). In beginsel is de werkgever
verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor het geheel van de
wervings-, selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast richt artikel 3
zich ook op inleners. Dit zijn bedrijven of instellingen die aan
uitzendbureaus opdracht geven arbeidskrachten voor hen te werven en/of
te selecteren. De verantwoordelijkheid van het uitzendbureau, als
potentiele werkgever om de WGB na te leven, heft de eigen
verantwoordelijkheid van de inlener dan ook niet op.

4.5. Van het verbod in artikel 3 WGB mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden. In artikel
5 lid 2 WGB wordt een uitzonderingsgrond op artikel 3 WGB genoemd: bij
de toegang tot beroepsactiviteiten mag onderscheid tussen mannen en
vrouwen worden gemaakt in die gevallen waarin vanwege de aard of de
voorwaarden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit het geslacht
bepalend is. Aan deze uitzondering is nadere uitwerking gegeven in lid
3 en de daarop gebaseerde Algemene maatregel van bestuur (hierna: AMVB)
inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn. De
wederpartij doet geen expliciet beroep op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. Uit het verweer kan echter wel afgeleid worden
dat de wederpartij de functie ofwel geslachtsbepaald acht, ofwel geen
vrouwen toelaat vanwege bescherming van vrouwen. Zij geeft immers aan,
dat gebleken is dat het werk van een chauffeur in haar bedrijf fysiek
en mentaal te zwaar is voor vrouwen, waarbij zij ook de gezinssituatie
als mogelijk verzwarende factor voor vrouwen ziet. Aangezien zij zich
verantwoordelijk acht voor het welzijn van haar personeel, zou zij ook
beschermend moeten optreden.

4.6. Voor wat betreft de vraag of hier sprake is van een
geslachtsbepaalde functie overweegt de Commissie als volgt. In artikel
5 lid 3 WGB en in het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht
bepalend kan zijn (Stb. 1989,207), is limitatief opgesomd welke
beroepsactiviteiten als zodanig aangemerkt kunnen worden. Artikel 1
onder a van het Besluit bepaalt dat de beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld, geslachtsbepaald zijn. Indien het gaat om
fysieke kracht, kan echter niet volgehouden worden dat fysiek zware
werkzaamheden uitsluitend door mannen verricht kunnen worden. Mannen
onderling en vrouwen onderling kunnen immers grote verschillen in
lichaamsbouw en lichaamskracht vertonen (zie ook de Nota van
Toelichting bij de AMVB). Op grond hiervan, kan de bewuste functie van
vrachtwagenchauffeur niet als geslachtsbepaald beschouwd worden (Zie
onder andere oordeel 317-90-124 van de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid).

4.7 Voor wat betreft de beoordeling van de vraag of een beroep op de
‘bescherming van de vrouw’ in deze toelaatbaar is overweegt de
Commissie als volgt. In artikel 5 WGB is bepaald dat van het verbod in
onder andere artikel 3 WGB mag worden afgeweken in geval van een
voorkeursbeleid voor vrouwen en in geval van een geslachtsbepaalde
functie /opleiding. In artikel 5 WGB is niet bepaald dat van het verbod
in artikel 3 WGB mag worden afgeweken ingeval van ‘bescherming van de
vrouw’. De Commissie m/v heeft hieruit in verscheidene oordelen (Zie
onder andere oordeel 40-90- 135 van de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid) afgeleid dat vrouwen niet de
toegang tot de arbeid mag worden ontzegd (in de selectiefase) op grond
van beschermende bepalingen. De Commissie is in navolging van de
Commissie m/v van oordeel dat, voorzover de wederpartij derhalve op
deze uitzonderingsgrond een beroep doet, dit beroep niet kan slagen.

4.8. Aangezien geen van de wettelijke uitzonderingsgronden van
toepassing is, staat hiermee vast dat de wederpartij in strijd met
artikel 3 WGB heeft gehandeld door verzoekster niet in aanmerking te
laten komen voor de functie van vrachtwagenchauffeur.

4.9. De Commissie spreekt tenslotte haar waardering uit dat zowel de
wederpartij als het uitzendbureau aan verzoekster hun excuses hebben
aangeboden en hebben toegezegd dat zij maatregelen zullen treffen dat
dergelijke situaties zich in de toekomst niet meer zullen voordoen.
Wellicht is het mogelijk dat de wederpartij en het uitzendbureau
richtlijnen opstellen zodat -voorzover fysieke kracht voor bepaalde
werkzaamheden is vereist- zulks op objectieve wijze kan worden
vastgesteld. Voorzover het situaties betreft waarbij met spoed in een
plotseling ontstane vacature dient te worden voorzien valt te denken
aan een vragenlijst waarbij aan de desbetreffende kandidaat wordt
gevraagd naar ervaring met werkzaamheden van ongeveer dezelfde fysieke
zwaarte of waaruit af te leiden valt of betrokkene redelijkerwijs in
staat moet worden geacht de desbetreffende werkzaamheden te verrichten.
Daarbij dienen zowel bij mannen als bij vrouwen dezelfde
selectiecriteria te gelden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Amsterdam jegens mevrouw te Amsterdam in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw mr drsM.G. Nicolai (lid Kamer), dhr drs B. van Schijndel (lid Kamer), mw A.C.van Doornen (secretaris Kamer)