Instantie: Rechtbank Alkmaar, 24 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde valt eiseres lastig, sinds zij zijn gescheiden. De man is sinds kort
in dezelfde plaats komen wonen als de vrouw. De vrouw vordert een
straatverbod en een verhuisgebod.
De rechter wijst het verhuisgebod af en het straatverbod toe.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 18 augustus 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien
verstande dat eiseres haar vordering in na te melden zin heeft vermeerderd.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De beoordeling van het gevorderde

De uitgangspunten:
1. In dit Kort Geding vordert eiseres, kort gezegd, om aan gedaagde een
sectorverbod op te leggen voor de gemeente Den Helder, alsmede een
contactverbod. Ter zitting heeft eiseres haar vordering vermeerderd met, kort
gezegd, een aan gedaagde op te leggen verhuisgebod. Zij grondt deze
vorderingen op haar stelling dat gedaagde, van wie eiseres onlangs is
gescheiden, zich sedert eind maart 1995 schuldig maakt aan het lastig vallen
van eiseres en haar gezin, bestaande uit onder andere het posten voor de deur
van het huis van eiseres, het trachten binnen te komen van dit huis, het
achter volgen op straat, het aanspreken in winkels en het dreigen met
brandstichting en doodslag. Al deze activiteiten vinden plaats in Den Helder,
waar de vrouw met haar gezin woont. Gedaagde woonde tot voor kort in
Amersfoort, maar heeft inmiddels een kamer in Den Helder betrokken. Gedaagde
heeft in de echtscheidingsprocedure een omgangsregeling verzocht, doch dit
verzoek is afgewezen. Gedaagde heeft tegen die beslissing hoger beroep
ingesteld.

2. Gedaagde heeft bij monde van zijn raadsman de stellingen van de vrouw niet
weersproken. Die stellingen worden bovendien gestaafd door een veelheid van
overgelegde verklaringen en politiemutaties en kunnen mitsdien als
vaststaande feiten worden aangemerkt. Gedaagde stelt dat hij geen werk meer
heeft en zijn huis in Amersfoort heeft moeten ontruimen. Hij woont nu in Den
Helder en wordt zeer intensief begeleid door een maatschappelijk werker
aldaar. Gedaagde verzoekt om het sectorverbod zodanig te beperken dat hij op
zijn huidige adres in Den Helder kan blijven wonen en de maatschappelijk
werker kan blijven bezoeken.

De gronden van de beslissing
3. Uit de vaststaande feiten als hiervoor vermeld blijkt dat gedaagde bij
voortduring ernstig inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van eiseres
en haar gezin, waarmee zijn onrechtmatig handelen vaststaat. Voorts is
gebleken, dat gedaagde zich niets aantrekt van verzoeken van eiseres en de
politie om zijn handelwijze te staken. Er is derhalve sprake van dreigend
verder onrechtmatig handelen van de zijde van gedaagde. Een en ander speelt
zich af rond de woning van eiseres in Den Helder en op die plaatsen in
genoemde gemeente waar de vrouw en de kinderen vaak verblijven in verband met
school, cursus of boodschappen. Mitsdiens komt het gevorderde in beginsel
voor toewijzing in aanmerking. Evenwel zal de president om na te melden
redenen het verhuisgebod afwijzen en het sectorverbod aldus in kleden, dat
dit beperkt is tot het gebied waar eiseres met haar gezin woont of in de
verband met voornoemde activiteiten verblijft, terwijl de duur van het
gevorderde sector- en contactverbod gesteld zal worden op een half jaar.
Immers, het gevorderd grijpt diep in in de fundamentele vrijheden van
gedaagde, die bovendien een zwaarwegend belang heeft bij voortzetting van
zijn bezoeken aan het maatschappelijk werk in Den Helder, terwijl voorts bij
onverhoopt nieuwe dreigende activiteiten van de zijde van gedaagde na
betekening van het vonnis, eiseres ten alle tijde de mogelijkheid heeft om
alsnog in kort geding verdergaande voorzieningen te vorderen.

4. De president acht tenslotte termen aanwezig om de gevorderde dwangsom in
na te melden zin te matigen en de proceskosten op na te melden wijze te
compenseren.

De beslissing
De president:
– verbiedt gedaagde voor de duur van een half jaar ingaande onmiddellijk na
betekening van dit vonnis zich te begeven in dat gedeelte van Den Helder dat
zowel gelegen is ten zuiden van de Huisduinerweg, Timorlaan en Javastraat als
ten westen van de spoorlijn.
– verbiedt gedaagde voor de duur van een half jaar na betekening van dit
vonnis mondeling, schriftelijk of op welke wijze van communicatie dan ook
contact te zoeken met eiseres of haar lastig te vallen, daaronder begrepen
posten, opwachten, aanspreken en hinderlijk volgen buiten het hiervoor
aangegeven gebied, daaronder begrepen het benaderen van familie, vrienden en
bekende van eiseres of de kinderen teneinde met haar of hen in contact te
komen, en voorts daaronder begrepen het op enige wijze bevorderen van
dergelijke gedragingen door derden, althans in te stemmen met deze
gedragingen;
– een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 100 voor iedere
overtreding van een der bovenstaande verboden na betekening van dit vonnis,
tot een maximum van ƒ 10 000;
– machtigt eiseres om het ten deze te wijzen vonnis voorzover nodig en
mogelijk met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te
leggen;
– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen haar eigen
kosten draagt;
– weigert de anders of meer gevraagde voorzieningen.
Gewezen door mr J.C. van Dijk, president van de Arrondissementsrechtbank te
Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 18995 in
tegenwoordigheid van mr L. Janse, griffier.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk