Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw vordert dat de man alsnog wordt veroordeeld tot voldoening aan
haar van de helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde
bruto ouderdomspensioen. Het Hof ziet hiertoe geen reden en bevestigt het
vonnis waartegen beroep is ingesteld.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij dagvaarding van 16 april 1993 is de vrouw in hoger beroep gekomen
van een door de rechtbank te Utrecht onder rolnummer 4500 FAZA 95-520
tussen partijen gewezen en op 3 februari 1993 uitgesproken vonnis.

1.2. De vrouw heeft bij memorie twee grieven tegen het vonnis aangevoerd
en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw
rechtdoende, de man alsnog zal veroordelen tot voldoening aan haar van de
helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde bruto
ouderdomspensioen met veroordeling van de man in de kosten van de
procedure.

1.3. De man heeft bij memorie van antwoord onder overlegging van een
produktie de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis, zonodig onder aanvulling en/of verbetering
van de gronden, met verwijzing van de vrouw in de kosten gevallen in beide
instanties.

1.4. Tenslotte hebben partijen onder overlegging van de stukken van het
geding in beide instanties arrest gevraagd. De inhoud van deze stukken
geldt als hier overgenomen.

2. De grieven

Deze luiden als volgt:

Grief I Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheden
die door de vrouw zijn genoemd onvoldoende zijn om de tussen partijen
overeengekomen huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en
billijkheid als onaanvaardbaar te beschouwen.

Grief II Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat in casu geen plaats
zou zijn voor een anticipatie op de Wet Verevening Pensioenrechten bij
scheiding.

3. De feiten en omstandigheden

3.1. Geen grief is aangevoerd tegen de vaststelling van feiten in
rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep, zodat van die feiten
uitgegaan zal worden.

3.2. Daaraan wordt toegevoegd dat artikel 5 van de huwelijksevoorwaarden
van partijen als volgt luidt: “De kosten der huishouding zullen door de
man alleen worden gedragen en betaald. De vrouw zal daartoe niets
bijdragen….”

4. Beoordeling

4.1. Uitgangspunt is dat de tussen partijen overeengekomen uitsluiting van
iedere gemeenschap van goederen zich er tegen verzet dat de vrouw
aanspraak kan maken op een deel van het ouderdomspensioen waarop de man
rechthebbende is. Dit beginsel lijdt uitzondering in het geval dat zich
zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat toepassing van de tussen
partijen geldende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2. Grief I stelt de vraag aan de orde, of de door de vrouw gestelde -en
deels door de man betwiste- omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen
dat hier sprake is van een uitzonderingsgeval als onder 4.1. bedoeld.

4.3. De vrouw heeft in dit verband de navolgende omstandigheden genoemd:
a. beide partijen hebben tijdens het huwelijk (betaalde) arbeid verricht;
de vrouw heeft daarnaast de volledige huishouding gedaan en de kinderen
opgevoed; b. alleen de man heeft pensioenrechten opgebouwd; de vrouw had
niet de gelegenheid zelf pensioenrechten op te bouwen; c. de door de man
opgebouwde pensioenrechten waren bedoeld als oudedagsvoorziening voor
beide partijen; d. de pensioenopbouw is ten laste van de gezamenlijke
huishouding gekomen; e. gedurende het huwelijk is in afwijking van artikel
5 van de huwelijksvoorwaarden het inkomen van de vrouw besteed aan de
huishouding en aan de betaling van alimentatie ten behoeve van de kinderen
van de man uit een vorig huwelijk; f. de duur van het huwelijk.

4.4. De onder 4.3. onder a tot en met d en f genoemde omstandigheden zijn,
op zichzelf en in hun onderlinge samenhang beschouwd, niet zeer afwijkend
van de zich veel voordoende gevallen, waarin de vrouw de zorg voor de
dagelijkse gang van de huishouding en de opvoeding van de kinderen op zich
genomen heeft en niet in de gelegenheid is geweest om een pensioen op te
bouwen. Daaraan kan in het onderhavige geval niet afdoen dat de vrouw zelf
inkomen heeft gehad, te minder nu de vrouw geen enkel nader gegeven heeft
verstrekt over de omvang van haar werkzaamheden en daaruit voortvloeiende
verdiensten.

4.5. De vrouw heeft de in 4.3. onder e weergegeven omstandigheid, die door
de man wordt betwist, op geen enkele wijze feitelijk geadstrueerd. Ook
echter indien de juistheid van de door de vrouw genoemde omstandigheid zou
moeten worden aangenomen, brengt zulks, al dan niet bezien in samenhang
met de overige onder 4.3. genoemde omstandigheden, niet met zich dat
sprake is van een als in 4.1. bedoeld uitzonderingsgeval. Daarbij is mede
van belang dat de vrouw de ten onrechte door haar gefourneerde gelden in
beginsel van de man zou kunnen terugvorderen. Grief I faalt dus.

4.6. Grief II faalt reeds daarom nu volgens artikel 12 lid 1 van de
-inmiddels op 1 mei 1995 in werking getreden- Wet Verevening
Pensioenrechten die wet niet van toepassing is op een scheiding die -zoals
in dit geval- heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1995 en de
uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12 lid 2 van genoemde wet
zich hier niet voordoet.

4.7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. Nu partijen gewezen
echtelieden zijn zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze
gecompenseerd worden.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Yland-van Veen, De Vreeze-Oostvogel en Streefkerk