Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 juli 1995

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Door de inwerkingtreding van de Wet limitering alimentatie is de
rechtspositie van gescheiden vrouwen aanmerkelijk verslechterd. De wet
gaat er ten onrechte vanuit dat vrouwen binnen twaalf jaar na de
scheiding economisch zelfstandig zijn. Dit is een te rooskleurige
voorstelling van zaken gezien de huidige arbeidsmarktpositie van
gescheiden vrouwen, aldus eiseressen. De rechtszekerheid van vrouwen
wordt geschaad. Er is strijd met de bepalingen uit het EVRM,
BuPo-verdrag en het VN-vrouwenverdrag. De rechtbank heeft alle eisen
afgewezen. Eiseressen hebben sprongcassatie ingesteld.

Volledige tekst

Procesverloop

Partijen hebben geconcludeerd voor eis, overeenkomstig de dagvaarding
d.d. 23 september 1994, en voor antwoord. Vervolgens is de zaak op 22
mei 1995 bepleit door de advocaten van partijen aan de hand van hun
pleitnota’s. De inhoud van voormelde stukken, door partijen ter
vonniswijzing overgelegd geldt als hier overgenomen.

Rechtsoverwegingen:

1. In het onderhavige geding komen eiseressen op tegen de twee wetten
van 28 april 1994 (Stb. 324 en 325) inzake de limitering van
alimentatie. Laatstbedoelde wet (Stb. 1994, 325) zal hierna
afzonderlijk worden aangeduid als “de Novelle” gezamenlijk zullen beide
wetten in dit vonnis worden aangeduid als: de WLA. Voordat deze
wetgeving op 1 juli 1994 van kracht werd hebben eiseressen daartegen
herhaaldelijk bij de leden van de Eerste en Tweede Kamer protest
aangetekend en geattendeerd op de gevolgen van alimentatielimitering
voor vrouwen.

2. Kort samengevat houdt de WLA o.m. het volgende in:
a. Is op of na 1 juli 1994 bij rechterlijke uitspraak of bij convenant
een alimentatie vastgesteld en heeft het huwelijk langer geduurd dan
vijf jaren en/of zijn er kinderen uit het huwelijk geboren, dan eindigt
de alimentatieverplichting na het verstrijken van een termijn van 12
jaren (art. 157 lid 4 Boek 1 BW). Heeft het huwelijk minder dan vijf
jaren geduurd en zijn er geen kinderen uit het huwelijk geboren, dan
eindigt de op of na 1 juli 1994 vastgestelde alimentatieverplichting na
het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de beeindiging van de
uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in de wet genoemde
c.q. omschreven termijn (12 jaar c.q. de duur van het huwelijk) van zo
ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar
maatstaven van de redelijkheid en billijkheid niet van de
alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, dan kan de rechter op diens
verzoek alsnog een termijn vaststellen (art. 157 lid 5 en de laatste
-bij de Novelle aan dit lid toegevoegde- volzin van art. 157 lid 6 Boek
1 BW).

b. Voor gevallen waarin voor 1 juli 1994 bij rechterlijke uitspraak of
bij convenant een alimentatie is vastgesteld geeft de Novelle de
volgende regeling. De alimentatieplichtige kan dan de rechter verzoeken
de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot
levensonderhoud te beeindigen, indien deze verplichting 15 of meer
jaren heeft geduurd. Als de rechter van oordeel is dat de beeindiging
in redelijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd,
stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een
termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder
geval rekening met de volgende -in art. II lid 2 genoemde-
omstandigheden: (1) de leeftijd van de alimentatiegerechtigde; (2) de
omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren; (3) de datum
en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulke de
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beinvloed; (4) de
omstandigheid dat de alimentatiegerechtigde geen recht heeft op
uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de
alimentatieplichtige. Overigens kan toewijzing van het
beeindigingsverzoek niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt
binnen drie jaren na inwerkingtreding van de WLA.

3. Eiseressen vorderen I. te verklaren voor recht dat gedaagde (hierna
te noemen: de Staat) onrechtmatig jegens eiseressen alsmede jegens de
vrouwen voor wie eiseressen optreden, heeft gehandeld door invoering
van de WLA, alsmede door te weigeren deze wetgeving in te trekken; II.
de Staat te gelasten passende maatregelen te nemen teneinde te
bewerkstelligen dat de Staten-Generaal de onderhavige wetgeving in
zullen trekken, onder verbeurte van de dwangsom van ƒ 250.000,- per
dag; e.e.a. met kostenveroordeling.

4. Zij stellen kort samengevat dat de WLA toetsing aan hierna te
vermelden algemene rechtsbeginselen en verdragsbepalingen niet kan
doorstaan – wat de Staat gemotiveerd betwist en wel in verband met een
aantal sociaal-economische factoren, die in het kort op het volgende
neerkomen. Het zijn in grote meerderheid gescheiden vrouwen die
alimentatie van hun gescheiden echtgenoot ontvangen. Dit is ook
begrijpelijk, want tot ver in de jaren vijftig was het maatschappelijk
patroon aldus dat getrouwde vrouwen hun opleiding op beroepsarbeid
beeindigden zodra zij in het huwelijk traden of zich daarin kinderen
aandienden. In diverse wetten is dat gezinsbeschermende patroon
gedurende ongeveer een eeuw lang ook neergelegd geweest. In het
bijzonder vrouwen die in de jaren vijftig en zestig in het huwelijk
zijn getreden alsook vrouwen die gehandicapte kinderen te verzorgen
hebben en houden, worden als gevolg van de WLA in geval van
echtscheiding benadeeld. Zij zullen nl. veelal niet (meer) in staat
zijn om door arbeid inkomen te verwerven. Zij zullen hun levenspeil op
basis van alimentatie als gevolg van de limitering na 12 of 15 jaar
verliezen. Daarna zijn zij aangewezen op bijstand c.q. AOW. Aldus
worden zij, na jarenlang een inspanning voor de samenleving te hebben
gegeven, in geval van echtscheiding als gevolg van de WLA uiteindelijke
tot de bedelstaf gebracht, zeker als zij buiten gemeenschap van
goederen zijn getrouwd en nog meer als zij afgezien van de AOW (ook)
geen recht hebben op door hun voormalige echtgenoot opgebouwd
ouderdomspensioen.

Als zij er wel in slagen om een werkkring te vinden of deze
voortzetten, is de werking van de WLA in zoverre nog discriminerend
voor de betrokken vrouwen dat zij een aanzienlijke carriereachterstand
hebben opgelopen, terwijl die (op termijn) niet meer door alimentatie
zal worden gecompenseerd. Het hiervoor genoemde maatschappelijk patroon
is pas in de loop van de jaren zeventig gaan veranderen en bij vrouwen
die toen zijn opgevoed, zou kunnen worden verwacht dat zij wel
doordrongen zijn van het feit dat het huwelijk geen levensverzekering
meer is. Die verwachting blijkt in de praktijk echter niet uit te
komen, omdat ook bij zeer veel van die vrouwen nog steeds het
traditionele rolpatroon leeft.

5. Eiseressen stellen nu in de eerste plaats dat de Staat met de WLA
het gerechtvaardigd vertrouwen van vrouwen heeft geschonden en dat hun
rechtszekerheid door de wet ernstig wordt aangetast: niet alleen
verwachtte de maatschappij destijds dat gehuwde vrouwen zich volledig
zouden overgeven aan verzorgende en opvoedende taken, maar was ook de
wetgeving daarop toegesneden. Deze maakte o.m. het werken door gehuwde
vrouwen onaantrekkelijk c.q. onmogelijk.

6. Aldus beroepen eiseressen zich op een algemeen rechtsbeginsel ten
betoge dat de WLA niet had mogen worden ingevoerd en alsnog moet worden
ingetrokken. In wezen houdt dit betoog in dat de WLA aan het
vertrouwensbeginsel dient te worden getoetst, zo niet in algemene zin
dan toch in ieder geval voor wat betreft de onder 4. bedoelde vrouwen
die in de jaren vijftig of zestig zijn gehuwd of vrouwen die als gevolg
van hun opvoedende en/of verzorgende taken carriereachterstand hebben
opgelopen. De situatie waarin deze vrouwen kunnen geraken, is echter
bij de totstandkoming van de WLA onder ogen gezien en is in de afweging
van regering en parlement als wetgevende macht zijn betrokken. In dat
verband is immers aandacht besteed aan een grotere groep oudere
gescheiden vrouwen, wier mogelijkheden tot het komen tot economische
zelfstandigheid zeer beperkt tot nihil zijn, en eveneens aan vrouwen
die kinderen moeten verzorgen alsmede aan de categorie vrouwen die
langdurig gehuwd zijn geweest. In het bijzonder de Eerste Kamer heeft
aan deze problematiek veel aandacht besteed, hetgeen heeft geleid tot
de Novelle waarmee aan de positie van bedoelde vrouwen tegemoet is
gekomen.

Nu een en ander bij de parlementaire behandeling onder ogen is gezien,
is toetsing door de rechter van de WLA – d.w.z. van wetten in formele
zin – aan het vertrouwensbeginsel met een beroep op diezelfde
omstandigheden naar Nederlands staatsrecht niet mogelijk (HR 14-4-1989
NJ 469, rechtsoverweging 3.9.). 7. Ten overvloede zij nog het volgende
opgemerkt. – Voor gevallen waarin limitering volgens de WLA een
onredelijke uitkomst zou kunnen hebben, heeft de wetgever verschillende
“hardheidsclausules” gecreeerd, te weten in artikel 157, lid 5, BW Boek
1 alsook in de, bij de Novelle gewijzigde, artikelen 157, lid 6, Boek 1
BW en II, lid 2, die hierboven onder 2. zijn weergegeven. – De wetgever
codificeert en modificeert: tegenover de wet in formele zin kan men
zich niet licht op ‘verkregen rechten’ beroepen.

8. Verder stellen eiseressen dat de Staat in strijd handelt met artikel
3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en wel op de volgende grond. Sommige
vrouwen zullen na jarenlang een bijdrage aan de opbouw van de
samenleving te hebben geleverd, na afloop van de alimentatietermijn op
een bijstandsuitkering zijn aangewezen. Dit is voor hen vernederend en
onmenselijk. Een vrouw die jarenlang een stand heeft kunnen ophouden
zal door de gang naar de sociale dienst psychisch gekleineerd worden.

9. De rechtbank kan eiseressen in hun beroep op dit artikel niet
volgen. Het luidt:” Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of
aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” het
gaat hier veeleer om mensonwaardige behandelingen van bijv. gevangenen
en niet om personen wier inkomen terugvalt, doch die nog wel in
aanmerking komen voor bijstand hoe onaangenaam het ook kan zijn om die
te moeten vragen.

10. Voorts hebben eiseressen de volgende argumenten aangevoerd die in
de kern alle een beroep op discriminatie inhouden.

a. De WLA vormt voor bepaalde groepen vrouwen een inbreuk op het hen
krachtens artikel 23 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR) en 8 EVRM toekomende recht op een
gezinsleven. De uitoefening van dit recht wordt voor die vrouwen
hierdoor belemmerd dat zij dit recht in wezen alleen maar kunnen
uitoefenen door zich niet te conformeren aan de traditionele
rolpatronen: alleen dan kunnen zij de reeds geschetste financiele
nadelen bij echtscheiding ontgaan. Aldus wordt echter het recht d.w.z.
de vrijheid om op persoonlijke wijze invulling te geven aan het
gezinsleven miskend. Bovendien weigeren de echtgenoten van de vrouwen
die wel tot een dergelijke invulling willen overgaan, vaak om
huishoudelijke of verzorgingstaken op zich te nemen en is een
dergelijke invulling in veel gevallen eenvoudig niet realistisch. Ter
opheffing van die inbreuk dient de wetgever passende maatregelen te
nemen tot verwezenlijking van gelijke rechten van man en vrouw in en
bij de ontbinding van het huwelijk.

b. De WLA is ook in strijd met artikel 26 IVBPR, aangezien er sprake is
van (indirecte) discriminatie. De WLA is in haar effect discriminerend
voor bepaalde groepen vrouwen. Dezen genieten geen gelijke rechten na
de beeindiging van hun huwelijk. Een en ander is het gevolg van de
destijds en voor vele vrouwen nog steeds geldende maatschappelijke
normen.

c. Op dezelfde gronden is de WLA in strijd met artikel 5 van het 7e
Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op gelijkheid tijdens het
huwelijk en bij ontbinding daarvan, met artikel 14 EVRM – volgens die
bepaling moet het genot van de in het EVRM vermelde rechten worden
toegekend zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht –
en met artikel 2 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag).

11. Deze argumentatie kan, afgezien van de vraag of genoemde
Verdragsbepalingen alle rechtstreekse werking hebben slechts van belang
zijn in verband met indirecte of feitelijke discriminatie d.w.z. op
basis van het feit dat de alimentatiegerechtigden in (grote)
meerderheid vrouwen zijn. Wat de WLA in feite heeft veranderd, is het
automatisch doorlopen van alimentatie totdat de alimentatieplichtige
met een succes een verzoek tot opheffing heeft gedaan. Buiten de
gevallen van artikel II, lid 2, van de Novelle is het initiatief
verlegd en ook het ‘bewijsrisico’, dit laatste in die zin dat degene
die, ondanks het verloop van de tijd waartoe de alimentatie was
gelimiteerd, daarvan voortzetting wenst, aannemelijk dient te maken dat
daarvoor – ondanks dat tijdsverloop grond bestaat, meer nauwkeurig
gezegd: dat de beeindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is
dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de
uitkeringsgerechtigde kan worden gevergd. Voor de (‘oude’) gevallen
bedoeld in artikel II van de Novelle blijft de situatie ten aanzien van
het initiatief ongewijzigd: degene die alimentatie verschuldigd is, kan
daarvan aan de rechter opheffing vragen indien de verplichting vijftien
jaar heeft geduurd. Ook hier geldt dan echter wel dat de
alimentatiegerechtigde aannemelijk kan maken dat er ondanks dat
tijdsverloop nog wel degelijk gronden voor ondersteuning bestaan, zoals
zojuist gepreciseerd.

12. De enkele onder 11. omschreven verlegging van het initiatief
respectievelijk van het ‘bewijsrisico’ kan niet worden gezien als een
vorm van (feitelijke) discriminatie. Bedoelde Verdragsbepalingen zijn
immers geen ‘stand still’ bepalingen. Niet goed is nog in te schatten
in hoeverre in bepaalde gevallen, waarin volgens het voor 1 juli 1994
geldende recht door de rechter geen beeindiging zou zijn uitgesproken;
dit onder genoemde WLA-maatstaf (… van zo ingrijpende aard dat …) wel zal
gebeuren. Ook dat feit
leidt echter – noch op zich zelf noch in combinatie met eerder vermelde
verlegging van initiatief resp. ‘bewijsrisico’ – tot de slotsom dat de
WLA discriminerend ten opzichte van vrouwen zou zijn, in de zin van
genoemde Verdragsbepalingen.

13. Ook anderszins ziet de rechtbank geen gronden waaruit zou volgen
dat het invoeren of niet intrekken van de WLA onrechtmatig zou zijn.

14. Derhalve dienen de vorderingen van eiseressen te worden afgewezen
en dienen zij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden
veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt
eiseressen in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde
van de Staat begroot op ƒ 350,= aan verschotten en ƒ 2.130,= aan
salaris procureur.

Noot

Rechtenvrouw en Divortium hebben geprobeerd de rechter te bewegen de
Wet Limitering Alimentatie (WLA) onrechtmatig te laten verklaren. Het
is hen niet gelukt. Dat wekt geen verbazing. De rechter is niet snel
geneigd een moeizaam tot stand gekomen wet het predikaat ‘onrechtmatig’
te geven. Daarbij komt dat de staatsrechtelijke structuur van de trias
politica barrieres opwerpt voor de rechter om de werking van een wet in
formele zin ongedaan te maken.

Gezien deze beperkte ruimte en de te verwachten rechterlijke
terughoudendheid om van deze ruimte gebruik te maken, zal de
aangedragen redenering overtuigend moeten zijn. Dat vereist onder meer
een retorisch goed ingeklede en sterke juridische argumentatie. De
argumentatie zal creatief moeten zijn en aansluiten bij geaccepteerde
rechtswaarden en gangbare juridische interpretaties en zal aanvaardbare
implicaties moeten hebben. Deze argumentatie-eisen maken het geen
gemakkelijke opgave om de pro- blematiek van de onderwaardering en
ongelijke verdeling van feitelijke zorg in het kader van een rechtszaak
over de onrechtmatigheid van alimentatie- wetgeving aan de orde te
stellen. Zorg als fundamentele waarde stelt immers juist de huidige
juridische structuur ter discussie en heeft bij erkenning daarvan
enorme implicaties, niet alleen op het gebied van het alimentatie-
recht.

Niettemin volharden Rechtenvrouw en Divortium in hun poging.
Sprongcassatie wordt voorbereid.

Het eerste argument van Rechtenvrouw en Divortium is dat de WLA een
schending betekent van de rechtszekerheid en het gerechtvaardigde
vertrouwen van vrouwen, met name die van oudere vrouwen. Sinds het
arrest inzake de Harmonisatiewet (Hoge Raad 14 april 1989, NJ 1989,
469) weet elke jurist dat het de rechter verboden is de verbindende
kracht van een wet in formele zin aan te tasten op grond van strijd met
een fundamenteel rechtsbeginsel, dat niet in een ieder verbindende
verdragsbepaling tot uitdrukking komt. Weliswaar eisen Rechtenvrouw en
Divortium niet de onverbindendheid of het buiten toepassing laten van
de wet, maar het door hen wel geeiste – de veroordeling van de Staat
tot het bewerkstelligen dat het parlement de WLA zal intrekken – heeft
het zelfde effect.

Bovendien doet zich hier het geval voor dat in het
Harmonisatiewet-arrest wordt genoemd: de rechter mag aan strijdigheid
van een wet met een fundamenteel rechtsbeginsel geen consequenties
verbinden ‘op grond van omstandigheden welke bij haar tot stand komen
in de afweging zijn betrokken, dus in gevallen waarvoor zij nu juist is
geschreven’. Er is ten tijde van de parlementaire behandeling uitvoerig
gesproken over de rechtszekerheid en gewekte verwachtingen van vrouwen.
Dit is afgewogen tegen een notie van onafhankelijkheid (‘het feit dat
het thans in het algemeen als onredelijk wordt gevoeld dat voormalige
echtgenoten levenslang door een alimentatieplicht aan elkaar gebonden
zijn’). Deze afweging heeft geresulteerd in drie wettelijke
limiteringsregimes van alimentatie (van maximaal vijf jaar voor korte
kinderloze huwelijken, van maximaal twaalf jaar voor nieuwe gevallen en
van maximaal vijftien jaar voor oude gevallen), elk aangevuld met
hardheidsclausules, waarop de vrouw een beroep moet doen.

Het is duidelijk dat eiseressen de gemaakte afweging onbevredigend
vinden. De retorische middelen die zij gebruiken om dit naar voren te
brengen, zijn echter zwak. Zij herhalen in de pleitnota argumenten die
al bij de tot- standkoming van de WLA aan de orde zijn geweest, voegen
het zoveelste schrijnende voorbeeld daaraan toe en constateren
verongelijkt dat vrouwe- lijke kamerleden ‘tegenover de overmacht aan
mannen, waarvan velen zelf ‘gedupeerde’ ex-echtgenoot, niet duidelijk
[hebben] kunnen maken dat een grote groep gescheiden vrouwen in grote
financiele nood zou komen te verkeren’.

Het beroep op het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel
als argument voor onrechtmatigheid van de WLA is dus retorisch zwak en
sluit niet aan bij de sinds het Harmonisatiewet-arrest gangbare
interpretatie van art. 120 GW. Een interpretatie die overigens is
ingegeven door de in het algemeen ongewenste implicatie, dat een
rechter de afweging gemaakt door de democratisch gelegitimeerde
wetgever te voortvarend terzijde stelt. Deze implicatie doet zich ook
bij de WLA voelen. Deze wet in formele zin kan niet als onzorgvuldige
wet worden bestempeld. De principiele vraag is dan ook of men gezien de
democratische totstandkoming van de WLA, waarin eiseressen bovendien
hun inbreng hebben gehad, het resultaat van zo’n tien jaar parlementair
debat, moet aanvechten voor de rechter.

Het tweede argument van eiseressen houdt in dat de WLA in strijd is met
het verbod (van art. 3 EVRM) op onmenselijke of vernederende
behandeling. Dit argument is zonder meer creatief, maar te ver
verwijderd van de gangbare juridische interpretatie. Het mensenrecht
ziet op zeer ernstige situaties van fysieke en psychische
vernederingen. Men kan toch niet serieus volhouden dat vrouwen die na
afloop van de termijn van alimen- tatiebetaling op een minimumuitkering
zijn aangewezen hieronder vallen. De vrouwen die het aangaat kunnen dit
onaangenaam vinden en als vernederend ervaren. Het betekent echter nog
niet dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin
van art. 3 EVRM worden blootgesteld. De keuze om dit argument voor een
rechter aan te voeren is dus niet sterk. Bovendien geldt ook hier dat
de onderbouwing van dit argument weinig overtuigingskracht heeft. In de
pleitnota wordt een beeld van vrouwen als luxe-poppetjes geschetst die
slaafs de instructies van Libelle en Margriet volgen en nu ‘door hun
vriendinnen met de rug (nek?JT) worden aangekeken [omdat] ze de clubs
en winkels die ze jaren bezochten, niet meer [kunnen] betalen’. Zowel
het argument als de onderbouwing van de onmenselijke en vernederende
behandeling leverde bij mij gefrons op en naar verwachting ook bij de
rechter, degene die overtuigd moest worden.

Het derde argument houdt in dat de WLA in strijd is met het recht op
gelijke behandeling c.q. het discriminatieverbod neergelegd in
verschillende VN-verdragen en in het EVRM. Art. 14 EVRM wordt in
verband gebracht met het recht op gezinsleven (art. 8 EVRM). Deze
derde redenering had naar mijn mening nog de meeste kans van slagen.
Het appelleert aan geaccepteerde waarden van gelijkheid en gezinsleven.
Met bescherming van het gezinsleven kunnen noch de staat noch de
rechter uit de voeten. Dus concentreren zij zich op het beroep op
gelijkheidsbeginsel c.q. het discriminatieverbod. Hun tegenargumenten
waren te voorzien. De overwegingen van de staat geven blijk van een
bedroevend karikaturale klassieke visie op het gelijkheidsbeginsel. Het
gelijkheidsbeginsel wordt door de Staat strikt formeel opgevat als een
verbod van willekeur. Voorzover alimentatie in de context van ongelijke
gevallen wordt betrokken, verwordt alimentatie bijna tot
niet-verplichte positieve discriminatie.

Het tegenargument van de rechter is sterker. Hij ontleent deze aan het
gegeven dat in de WLA rekening is gehouden met de positie van
gescheiden vrouwen. Zijn impliciete vooronderstelling is dat
alimentatie gerechtvaardigd is als compensatie voor de ongelijke
positie van (behoeftige) gescheiden vrouwen ten opzichte van die van
(draagkrachtige) gescheiden mannen. Deze vooronderstelling lijken
eiseressen te delen. Vervolgens stelt de rechter dat de WLA weinig
verandering brengt in de rechtspositie van alimentatiegerechtigde
vrouwen. Het automatisch doorlopen van de alimentatie geldt niet meer
en het initiatief en ‘bewijsrisico’ is verlegd.

Bovendien stelt de rechter dat het onduidelijk is in hoeverre de ‘oude
gevallen’ feitelijk last zullen hebben van het geldende
limiteringsregime. Er is immers een hardheidsclausule. De rechter
betoogt dus dat de compensatie niet dermate ernstig wordt aangetast dat
er sprake is van ongerechtvaardigde gelijke behandeling van ongelijke
gevallen. Uiteraard kan men van mening verschillen over de mate van
aantasting van de compensatie. Het punt is echter dat men dit (nog)
niet hard kan maken. Toegewezen beeindigingsverzoeken van
alimentatieplichtigen voor de ‘oude gevallen’ hebben pas drie jaar na
inwerkingtreding van de WLA effect. En we weten nog niet hoe rechters
de hardheidsclausules interpreteren. Men kan hier sombere verwachtingen
over hebben, maar dat is geen argument dat voldoende sterk is om de WLA
als onrechtmatig aan te merken. In individuele gevallen kan de
ongerechtvaardigde aantasting van alimentatie beter worden aangetoond.
Maar in die gevallen kan de hardheidsclausule als pleister op de wond
fungeren. Hier wreekt zich dus het feit dat eiseressen de hardheid van
algemene regels aanvechten, terwijl diezelfde regels voorzien in een
clausulering in geval de toepassing van die regels van zo ingrijpende
aard is dat zij in strijd komen met de redelijkheid en billijkheid.

De redenering van Rechtenvrouw en Divortium heeft de rechter er niet
van kunnen overtuigen dat het invoeren of niet intrekken van de WLA
onrechtmatig is. Gezien de eisen te stellen aan de juridische aan-
vaardbaarheid van argumentatie om de structuur van het
(alimentatie)recht ter discussie te stellen leek de overtuigingspoging
bij voorbaat tot mislukken gedoemd. De gangbare interpretaties van
rechtsnormen, de dominantie van een eenzijdige invulling van de waarde
van onafhankelijkheid in de WLA en de in het algemeen onaanvaardbaar
geachte implicaties van de argumentaties vormden een schild voor de
rechter, waarop de redenering van eiseressen konden afketsen. Dit
betekent niet dat de aangespannen procedure geen enkel nut heeft gehad.
De rechter heeft de rechtstreekse werking van de ingeroepen
verdragsbepalingen niet ontkend. Hij zet er alleen een vraagteken bij.
Bovendien geeft publiciteit over deze zaak de mogelijkheid een breder
publiek te attenderen op de verslechtering van de positie van
gescheiden vrouwen en met name die van oudere vrouwen. Ook al hebben
eiseressen de rechtszaak verloren, zij hebben wel ‘gelijk’. Dit
‘gelijk’ wordt in de conclusie van eis treffend verwoord: ‘vrouwen
dragen (…) onevenredig grote nadelen voor hun keus voor een rol in
het gezinsleven (…)’. Zorg in het gezinsleven behoort blijkbaar niet
tot de vrijheid van het individu om naar eigen opvatting een invulling
te geven aan het goede leven. Zorgen mag wel, maar alleen als men zelf
economisch zelfstandig is of tot een huishouden behoort dat als
economisch zelfstandige eenheid wordt beschouwd. Als dit niet lukt,
wordt het niet alleen als een persoonlijk probleem opgevat, maar ook
als strijdig met het burgerschapsideaal van het rationeel autonome
individu (lees: de burger die voldoende inkomen heeft om in eigen
inkomen te voorzien). De ontkenning van zorg als zelfstandige
fundamentele waarde en als maatschappelijke zinvolle bijdrage
diskwalificeert vrouwen die zorgen of hebben gezorgd als burgers. Dat
dit vernederend is staat buiten kijf.

Dit ‘gelijk’ heeft geleid tot de argumenten van gerechtvaardigd
vertrouwen en zekerheid, onmenselijke en vernederende behandeling en
het recht op materiele gelijkheid en bescherming van het gezinsleven.
Deze argumenten stellen de legitimiteit van de WLA ter discussie. Het
probleem is echter dat dit morele argumenten zijn, die nauwelijks
herkend worden als rechtvaardigheidsargumenten, laat staan dat zij
vertaald kunnen worden in rechtmatigheidsargumenten. Het probleem van
herkenning kan zelfs leiden tot ontkenning. Dit wordt pijnlijk
duidelijk in het betoog van de (gedaagde) Staat. In de conclusie van
antwoord en de pleitnotitie worden grenzen zo getrokken dat vrouwen op
klassieke wijze worden uitgesloten. Volgens de Staat heeft het
vertrouwensbeginsel in casu geen juridische maar sociaal-culturele
dimensie, die niet juridisch maar politiek relevant is. Verder houdt de
Staat vol dat het feit dat een deel van de vrouwen aangewezen zullen
zijn op een bijstandsuitkering, niet het gevolg is van de WLA, maar van
de echtscheiding. Tenslotte is de wijze waarop echtgenoten hun huwelijk
feitelijk invullen een zaak van de echtgenoten zelf. Hierdoor lijkt de
Staat zich te ontslaan van elke plicht die verder gaat dan gelijke
toepassing van sekse-neutraal geformuleerde wetgeving.

Het oude alimentatierecht kon feitelijke zorg al nauwelijks begrijpen
vanwege het behoeftigheidscriterium dat was afgeleid van de publieke
norm dat elke volwassene in staat wordt geacht in eigen levensonderhoud
te voorzien. Het nieuwe alimentatierecht versterkt dit onbegrip door
het criterium van behoeftigheid in tijd te fixeren en de reeds
bestaande morele bewijslast van de alimentatiegerechtigde vrouw te
vertalen in een juridische bewijslast ten aanzien van de
onrechtvaardigheid van beeindiging van alimentatie. De context van een
rechtszaak over wetgeving biedt beperkte mogelijkheden om structurele
onrechtvaardigheid in concrete onrechtmatigheid te vangen. De vorming
van algemene rechtsnormen op wetgevingsniveau biedt hiervoor meer
mogelijkheden, ook al geldt ook daar dat: ‘Those who perpetuates acts
of discrimination consistent with the value system are not aware that
they are victimizing others. For such people have a blind spot caused
by the interposition of the value systems between themselves and the
experiences of others. Attempts to communicate the reality of injustice
to them is but another source of frustration and depression to minority
group members’. (Kennedy, Values and Victims, aangehaald door
J.Tronto, Moral boundaries, A political argument for an ethic of care,
p. 74)

Jet Tigchelaar

Rechters

Mrs Punt, Tjebbes, Dedel-van Walbeek