Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 bij de weder- partij in
dienst geweest. Zij is per 1 januari 1987 tot het pensioenfonds van de
wederpartij toegetreden. In april 1992 is het pensioenreglement
gewijzigd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze
wijziging onderscheid naar burgelijke staat heeft gemaakt, zoals
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, terwijl tevens indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

De wederpartij is van mening dat er sprake moet zijn van een
misverstand. Volgens de wederpartij gaat verzoekster er van uit dat de
regeling als beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement bij
ongehuwden in de plaats komt van de regeling, zoals vervat in artikel 4
van het pensioenreglement. Dat is niet juist. De regeling als
beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement betreft een
aanvulling op het oudedagspensioen voor personen die ongehuwd zijn. Ook
in artikel 4, dat van kracht is na 1 april 1992, staat dat naast het
aanvullend oudedagspensioen, als bedoeld in artikel 4a, ook nog
aanspraak bestaat op het gewone oudedagspensioen. De Commissie is van
mening dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de regeling, zoals
vervat in de artikelen 4 en 4a van het gewijzigde pensioenreglement,
niet uitsluitend beoogt een aanvulling te geven op de in artikel 4 van
het reglement neergelegde aanspraken. De Commissie heeft niet kunnen
vaststellen dat door de wijziging van het pensioenreglement per 1 april
1992, in het bijzonder door de toevoeging van artikel 4a van het
pensioenreglement, voor verzoekster enig nadeel is ontstaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 juni 1994 verzocht mevrouw te
‘s-Hertogenbosch (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of haar ex-werkgever te
‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 bij de weder-partij
in dienst geweest. Zij is per 1 januari 1987 tot het pensioenfonds van
de wederpartij toegetreden. In april 1992 is het pensioenreglement
gewijzigd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze
wijziging onderscheid naar burgelijke staat heeft gemaakt, zoals
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, terwijl tevens indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten
ter zake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie), die is
ingesteld op grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB) op 1 september 1994. De Commissie heeft de
behandeling van deze zaak overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling, die het onderzoek heeft voortgezet.

2.3. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 20 juni 1995. De wederpartij is niet ter zitting
verschenen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – (gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mevrouw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – de heer mr W.A. van Veen (lid Kamer) – de heer drs
B. van Schijndel (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 in dienst geweest
van de wederpartij. Per 1 januari 1987 is verzoekster toegetreden tot
de in de onderneming geldende pensioenregeling. Verzoekster is
ongehuwd.

3.2. In de loop van 1991 en begin 1992 is door de wederpartij overleg
gevoerd, extern met de pensioenverzekeraar en intern met de
ondernemingsraad over een wijziging van het pensioenreglement. Deze
wijziging betrof, voor zover in casu van belang, een toevoeging aan het
pensioenreglement. Tot 1 april 1992 luidde artikel 4 van het
pensioenreglement: “Oudedagspensioen Het oudedagspensioen gaat in op
de pensioendatum en eindigt op de laatste dag van de maand voorafgaand
aan de maand waarin de gewezen deelnemer komt te overlijden. Het
jaarlijkse oudedagpensioen bedraagt voor elk op de pensioendatum
meetellend dienstjaar 1,75 % van de voor de deelnemer laatstgeldende
pensioengrondslag met dien verstande dat vanaf de datum waarop de
deelnemer de 55-jarige leeftijd heeft bereikt, de laatstgeldende
pensioengrondslag gelijk zal worden gesteld aan het gemiddelde van de
hoogste drie opeenvolgende pensioengrondslagen in de laatste 10 jaar
voor de pensioendatum. Hierbij wordt telkens aangenomen dat de nog niet
bekende toekomstige pensioengrondslag(en) gelijk is (zijn) aan de
laatst bepaalde pensioengrondslag”. Aan dit artikel is per 1 april 1992
een nieuw artikel (4a) toegevoegd luidende: “Aanvullend
oudedagspensioen Indien de echtgenote c.q. de echtgenoot van de
deelnemer voor de pensioendatum is overleden c.q. het huwelijk van de
deelnemer voor de pensioendatum anders dan door overlijden is geeindigd
of de echtgenote c.q. de echtgenoot op of na de pensioendatum komt te
overlijden, wordt op de pensioendatum respectievelijk op de eerste dag
van de maand waarin de echtgenote of echtgenoot overlijdt een
oudedagspensioen voor ongehuwden uitgekeerd. De uitkering eindigt op de
laatste dag voorafgaand aan de maand, waarin de gewezen deelnemer komt
te overlijden; Het oudedagspensioen voor ongehuwden bedraagt voor elk
meetellend dienstjaar 2,50 % van het verschil tussen de AOW-uitkering
voor een echtpaar, waarvan beide partners ouder zijn dan 65 jaar, en de
AOW-uitkering voor een ongehuwde”.

Bij brief d.d. 22 oktober 1993 heeft verzoekster van de
pensioenverzekeraar van de wederpartij een brief ontvangen met als
aanduiding ‘bewijsstuk aanspraken’. In deze brief is verzoekster zowel
voor het oudedagspensioen als het ongehuwden oudedagspensioen als
begunstigde vermeld, respectievelijk met de volgende bedragen per jaar:
ƒ 4019,- en ƒ 983,-.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat jegens haar door de wijziging per 1
april 1992 van de pensioenregeling en in het bijzonder door het
invoeren van artikel 4a van de pensioenregeling, betreffende de
invoering van het aanvullend oudedagspensioen voor ongehuwden, waarop
zij sinds 1 april 1992 nog slechts aanspraak zou kunnen maken,
onderscheid wordt gemaakt naar burgelijke staat. Zij vindt dit
onderscheid des te meer schrijnend, omdat het percentage van de
pensioengrondslag, dat als bijdrage van iedere werknemer wordt geheven,
voor iedere werknemer even hoog (5,5%) is. Tevens is verzoekster van
mening dat het aanvullend ouderdomspensioen indirecte discriminatie met
zich brengt, omdat in het algemeen onder de werkende bevolking relatief
meer ongehuwde vrouwen dan ongehuwde mannen voorkomen.

3.4. De wederpartij is van mening dat er sprake moet zijn van een
misverstand. Volgens de wederpartij gaat verzoekster er van uit dat de
regeling als beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement bij
ongehuwden in de plaats komt van de regeling, zoals vervat in artikel 4
van het pensioenreglement. Dat is niet juist. De regeling als
beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement betreft een
aanvulling op het oudedagspensioen voor personen die ongehuwd zijn. Ook
in artikel 4, dat van kracht is na 1 april 1992, staat dat naast het
aanvullend oudedagspensioen, als bedoeld in artikel 4a, ook nog
aanspraak bestaat op het gewone oudedagspensioen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Ter zitting heeft de Commissie aan de gemachtigde van verzoeker
nogmaals met nadruk gevraagd of de gemachtigde van verzoeker aan kon
geven op welk punt de door de wederpartij aangegeven mogelijkheid van
een misverstand onjuist zou zijn.

De gemachtigde van de verzoekster heeft daarop geantwoord dat het heel
wel mogelijk zou kunnen zijn dat er sprake is van een misverstand, maar
dat hij in de door de wederpartij verstrekte stukken niet kon lezen,
dat het in artikel 4a uitsluitend om een aanvullende regeling gaat.

De Commissie is van mening dat er geen aanleiding is om aan te nemen
dat de regeling, zoals vervat in de artikelen 4 en 4a van het
gewijzigde pensioenreglement, niet uitsluitend beoogt een aanvulling te
geven op de in artikel 4 van het reglement neergelegde aanspraken. De
Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat door de wijziging van het
pensioenreglement per 1 april 1992, in het bijzonder door de toevoeging
van artikel 4a van het pensioenreglement, voor verzoekster enig nadeel
is ontstaan. De Commissie acht in het bijzonder de in het geding
gebrachte brief d.d. 22 oktober 1993, hierboven aangeduid als
‘bewijsstuk aanspraken’ overtuigend.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de besloten vennootschap
te ‘s-Hertogenbosch geen onderscheid heeft gemaakt noch in de zin
van de Algemene wet gelijke behandeling noch in de zin van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen jegens mevrouw te
‘s-Hertogenbosch.

Rechters

mevrouw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), de heer mrW.A. van Veen (lid Kamer), de heer drs B. van Schijndel (lid Kamer), mwmr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer)