Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 4 mei 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vrouw wordt door huisvriend, priester van beroep, van haar achtste tot
haar zestiende jaar seksueel misbruikt. De strafzaak loopt; er moet nog een
gerechtelijk vooronderzoek plaatsvinden. In kort geding heeft vrouw ƒ
50.000,= voorschot gevorderd; de schade heeft zij begroot op ƒ 150.000,=.
Omdat de dader ontkent wijst de kort gedingrechter wegens onvoldoende
bewijs de vordering af, stellende dat een vordering slechts toewijsbaar
is wanneer met grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat die
vordering ook in de bodemprocedure zal slagen. In hoger beroep wordt
deskundigenverhoor afgewezen en vonnis kort geding bekrachtigd.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij exploit van 8 juli 1994 is appellante -V- in hoger beroep gekomen
van het door de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam
onder rolnummer KG 94/1562P tussen partijen gewezen en op 30 juni 1994
uitgesproken vonnis, met dagvaarding van geintimeerde -A- voor dit hof
teneinde te horen concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vordering van
V tot veroordeling van A tot betaling van een voorschot op haar materiele
en immateriele schade ad ƒ 50.000,= zal toewijzen, alsmede de daarover
verschuldigde wettelijke rente vanaf 6 april 1994 tot aan de dag der
algehele voldoening, met veroordeling van A in de kosten van beide
instanties.

1.2. Bij memorie voerde zij drie grieven aan en concludeerde zij
overeenkomstig de appeldagvaarding.

1.3. Bij memorie van antwoord bestreed A de aangevoerde grieven en
concludeerde hij dat het hof het beroepen vonnis zal bekrachtigen met
veroordeling van V in de kosten van (naar het hof begrijpt:) het hoger
beroep.

1.4. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide
instanties, waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. De grieven

De grieven komen neer op het volgende:

Grief I Ten onrechte overweegt de president dat het verweer van A doel
treft, dat gezien het stadium waarin de strafzaak verkeert daaruit geen
conclusie omtrent de strafbaarheid van A te trekken is en dat niet met
grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat de onderhavige vordering
in de bodemprocedure zal slagen.

Grief II Ten onrechte overweegt de president dat op de uitslag van het
gerechtelijk vooronderzoek en de verdere strafrechtelijke vervolging van
A onder de omstandigheden van het geval niet vooruit gelopen kan worden.

Grief III Ten onrechte overweegt de president dat de door V in dit geding
overgelegde verklaringen voorshands niet als voldoende bewijs van haar
stellingen kunnen gelden en ten onrechte weigerde de president de
gevraagde voorziening.

3. Uitgangspunt

De eerste overweging van het vonnis is in hoger beroep niet bestreden
zodat ook het hof zal uitgaan van de daarin a. tot en met f. vermelde
feiten.

4. Beoordeling

4.1 V vordert in dit geding de veroordeling van A tot betaling aan haar
van een voorschot op beweerdelijk geleden materiele en immateriele schade
welke veroorzaakt zou zijn doordat zij tussen haar 8e en haar 16e meerdere
malen seksueel misbruikt en verkracht zou zijn door A. Tengevolge van die
gedragingen van A is zij in ernstige mate psychisch getraumatiseerd
geraakt en heeft zij tevens ernstige lichamelijke klachten gekregen, aldus
V, die daaraan toevoegt dat zij als gevolg van een en ander reeds
jarenlang maatschappelijke en therapeutische begeleiding nodig heeft, aan
depressies en zelfmutatie lijdt, ziek en arbeidsongeschikt geworden is en
uiteindelijk in de W.A.O. beland is.

4.2. De president heeft in het vonnis a quo de gevraagde voorziening
geweigerd met de motivering dat -kort gezegd- tegenover de ontkenning door
van A van de hem verweten gedragingen, het aangevoerde bewijs ontoereikend
is om voldoende waarschijnlijk te achten dat de bodemrechter de vordering
zal honoreren.

4.3. De grieven, in samenhang beschouwd, bestrijden dit oordeel. V voert
in hoger beroep in het geheel geen nieuw bewijsmateriaal aan. Haar, in de
memorie van grieven reeds aangekondigd verzoek tot het houden van een
voorlopig deskundigenonderzoek -welk onderzoek de bewijsvoering zou moeten
versterken, onder meer door een antwoord te geven op de vraag wie van
partijen de waarheid te dezen spreekt – , is inmiddels door (de derde
kamer van) dit hof bij onder de gedingstukken aanwezige beschikking van
22 december 1994 (rekestnummer R 634/94) afgewezen. Het hof zal dus het
in eerste aanleg aan de president voorgelegde bewijs opnieuw moeten
beoordelen.

4.4. Het hof stelt voorop dat de president terecht -en in hoger beroep
overigens niet bestreden- in haar zesde overweging oordeelt dat de
ingestelde vordering slechts dan toewijsbaar is, wanneer met grote mate
van waarschijnlijkheid vaststaat dat die vordering ook in de
bodemprocedure zal slagen. Ook het hof zal derhalve voor de
toewijsbaarheid van de gevraagde voorziening deze maatstaf hanteren.

4.5. In wezen wordt het enige thans voorhanden bewijs voor de gestelde
gedragingen van A gevormd door de verklaring van V zelf. Ook al komt deze
gedetailleerde verklaring op zichzelf voorshands zeker niet onbetrouwbaar
voor en lijkt zij aanwijzingen te bevatten voor de juistheid van de daarin
vervatte -en in dit geding aan de vordering ten grondslag gelegde-
stellingen van V, de verklaring van A staat hier diametraal tegenover. A
wijst voorts op enige onjuistheden die in de verklaring van V zouden
voorkomen en verwijst bovendien naar een als productie overgelegde brief
van V aan hem van 7 januari 1986, welke brief inderdaad niet lijkt te
rijmen met de hem door V gemaakte verwijten. Onder deze omstandigheden kan
zonder nader onderzoek, waartoe dit geding zich niet leent maar een
bodemgeding de geeigende procedure is, niet met voldoende zekerheid worden
uitgemaakt aan wiens zijde het gelijk is.

4.6. Dit wordt niet anders wanneer de voorhanden schriftelijke
verklaringen van de moeder en zuster van V en die van haar vriend M in de
beschouwingen betrokken worden aangezien deze getuigen niet uit eigen
waarneming kunnen verklaren en hun verklaringen omtrent de gestelde feiten
hetzij niets inhouden hetzij te vaag zijn om de verklaringen van V
genoegzaam steun te verlenen. Het moge waar zijn dat, zoals V in de
toelichting op haar derde grief stelt, bewijs in ontuchtzaken moeilijk te
leveren is omdat bij het plegen van ontucht geen getuigen aanwezig plegen
te zijn, dat gegeven rechtvaardigt, anders dan V lijkt te menen, niet om
minder zware eisen aan de bewijslevering te stellen en verklaringen van
familieleden, die aangeven hoe het gestelde gebeuren “heeft kunnen
plaatsvinden”, meer gewicht toe te kennen dan op grond van de inhoud van
hun verklaringen gerechtvaardigd is.

4.7 Ook de brief van de psychiater Drs W.M. Heins-v.d. Bruinhorst legt bij
deze stand van zaken onvoldoende gewicht in de schaal.

4.8 In de toelichting op haar eerste grief merkt V nog op dat zij van
mening is voldoende aannemelijk gemaakt te hebben dat A de hem verweten
strafbare feiten wel degelijk gepleegd heeft en zij verwijst daartoe naar
het feit dat de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek
gevorderd heeft. Het hof kan haar daarin niet volgen nu het vorderen van
zo’n onderzoek er juist op wijst dat volgens de officier van justitie in
de strafzaak onvoldoende duidelijkheid over de feiten bestaat om tot
strafvervolging over te gaan. Hoe dit ook zij, het enkele gegeven dat een
dergelijk onderzoek gevorderd is kan het thans voorhanden bewijs niet
versterken.

4.9 Toepassing van de in rechtsoverweging 4.4 vermelde maatstaf leidt het
hof tot de slotsom dat de president terecht en op goede gronden de
gevraagde voorziening geweigerd heeft. De grieven falen en het beroepen
vonnis moet worden bekrachtigd met verwijzing van V in de kosten van het
hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt appellante in de op het
hoger beroep gevallen kosten, deze tot op heden aan de zijde van
geintimeerde begroot op ƒ 2.600,=.

Rechters

Mrs. Coeterier, Bakels en Cornelissen