Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 27 april 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Bij de vaststelling van de hoogte van de onderhoudsbijdrage van de
onderhoudsplichtige ouder ten behoeve van zijn minderjarige kinderen is
alleen de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van het
kind bepalend. Nu de gemeente niet kan aantonen dat de behoefte van het
kind hoger is, wordt de bovengrens van de onderhoudsbijdrage die de
gemeente kan verhalen op de onderhoudsplichtige ouder bepaald door het
bruto-verschil tussen de bijstandsnorm voor een eenoudergezin en die van
een alleenstaande. Nog geen vier maanden eerder, op 5 januari 1995,
bepaalde ditzelfde hof dat de bijstandsuitkering niet kon worden gesplitst
in een deel dat de moeder en een deel dat het kind ten goede komt. Op
grond daarvan concludeerde het hof toen, dat de behoefte van de moeder (en
dus niet die van het kind) bepalend is voor de onderhoudsbijdrage door de
vader.

Bij verzoekschrift heeft de gemeente Hoorn de rechtbank te Alkmaar
verzocht de onderhoudsbijdrage van F voor zijn minderjarige dochter P vast
te stellen op in totaal ƒ 521,81 per maand. De rechtbank stelt vast dat
F geen onderhoudsplicht meer heeft ten opzichte van zijn ex-echtgenote.
Voor zijn dochter is hij wel onderhoudsplichtig. Dit betekent dat het
verhaal wordt begrensd door de behoefte van het kind. Deze behoefte is in
de gegeven situatie gelijk te stellen aan het verschil tussen de bruto
bijstandsnorm voor een eenoudergezin en de brutonorm voor een
alleenstaande. Aannemelijk is dat de gemeente de bijstand, voor zover
bestemd voor het kind, tot een bedrag ter grootte van dat verschil dient
te bekostigen. Een verhaalsbijdrage die genoemd verschil te boven gaat,
zou in feite dienen tot het onderhoud van de ex-echtgenote.Tegen deze
uitspraak gaat de gemeente in beroep.

Het hof stelt dan vast dat de hoogte van de door de man te betalen
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van P uitsluitend wordt
bepaald door de behoefte van P en de draagkracht van F. Nu de gemeente op
geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat P behoefte heeft aan een
bijdrage in de orde van grootte als door de gemeente verzocht, althans aan
een hogere bijdrage dan door de rechtbank bij de beschikking waarvan
beroep is bepaald, zal dan ook reeds om die reden het verzoek van de
gemeente moeten worden afgewezen.Het hof verwerpt het beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De gemeente is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een
beschikking van 15 november 1994 van de rechtbank te Alkmaar, nummers
902/1994 en 1008/1994.

1.2. De man heeft eveneens een verweerschrift ingediend en heeft daarbij
eveneens hoger beroep ingesteld.

1.3. De zaak is behandeld op 15 februari 1995 door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. De man is in 1973 gehuwd met S (de vrouw). Hun huwelijk is in 1985
ontbonden. Uit hun huwelijk is op 13 maart 1980 P geboren. Bij beschikking
van 27 december 1985 van de rechtbank te Alkmaar is de moeder benoemd tot
voogdes over P en is voorts de door de man te betalen bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van P bepaald op ƒ 250,- per maand.
Krachtens de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage thans rond ƒ
304,- per maand. Bij het echtscheidingsvonnis van 31 oktober 1985 is geen
door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald.

2.2. Aan de vrouw wordt sedert 1 augustus 1985, met een onderbreking van
1 september 1991 tot 1 oktober 1991, toen zij inkomsten genoot uit arbeid,
door de gemeente bijstand verleend. Zij ontvangt een uitkering berekend
naar de norm van een eenoudergezin, waarop telkens de bijdragen, die de
man in de kosten van verzorging en opvoeding voor P heeft betaald in
mindering zijn gebracht.

2.3. In geschil is de vaststelling van de door de man over de periode van
15 februari 1994 tot 1 juli 1994 verschuldigde verhaalsbijdrage ten
behoeve van P op ƒ 378,65 per maand en over de periode 1 juli 1994 tot
1 november 1994 op ƒ 393,62 per maand en de vaststelling van de aldus
ontstane betalingsachterstand over deze periodes, na aftrek van de
betaalde onderhoudsbijdrage op totaal ƒ 713,- met bepaling dat de man
deze achterstand met ingang van 1 november 1994 aan de gemeente zal
voldoen in maandelijkse termijnen van ƒ 100,-, een en ander zoals
bepaald bij de beschikking waarvan beroep. Voort is in geschil de
vaststelling bij de beschikking waarvan beroep, in afwijking van de
beschikking van 27 december 1985, dat de man met ingang van 1 november
1994 terzake van kosten van bijstand ten behoeve van P aan de gemeente een
bedrag van ƒ 396,62 per maand zal voldoen zolang de bijstandsverlening
voortduurt en de bepaling dat de proceskosten tussen partijen aldus worden
gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. De beslissingen
zijn gegeven op het – voor zover hier van belang – verzoek van de
gemeente:

1. het door de man ten behoeve van P verschuldigde verhaalsbedrag, met
ingang van 15 februari 1994, in afwijking van de beschikking van 27
december 1985, vast te stellen op ƒ 220,- per maand en de inmiddels
ontstane achterstand in de betaling van het verhaalsbedrag over de periode
van 15 februari 1994 tot 1 juli 1994 vast te stellen op ƒ 997,33;

2. te bepalen dat de man met ingang van 1 juli 1994 ƒ 220,- per maand
aan de gemeente zal voldoen zolang de bijstandsverlening mede ten behoeve
van P voortduurt en daarenboven de inmiddels ontstane achterstand in de
betalingen, groot ƒ 997,33 af te lossen in bedragen van ƒ 300,- per
maand;

3. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, bestaande uit
reiskosten, overheadkosten en verletkosten van gemachtigde, begroot op ƒ
300,-.

2.4. De gemeente verzoekt primair:

1. met ingang van 15 februari 1994, door wijziging van de beschikking van
27 december 1985, de door de man als verhaalsbijdrage aan de gemeente te
betalen onderhoudsverplichting voor P vast te stellen op ƒ 521,81 per
maand, een en ander zolang de bijstandsverlening voortduurt;

2. de sedert 15 februari 1994 tot aan de datum van de door het hof te
geven beslissing ontstane achterstand vast te stellen en de man te
verplichten dit in bedragen van ƒ 300,- per maand af te lossen;
subsidiair:

3. het onder 1 genoemde bedrag vast te stellen op ƒ 378,61 per maand tot
1 juli 1994 en ƒ 393,58 per maand na 1 juli 1994 met het recht voor de
gemeente om bij wijziging van de bijstandsnorm het bedrag
dienovereenkomstig aan te passen;

4. idem als primair 2.

2.5. De man verzoekt de gemeente in de kosten van beide instanties te
veroordelen.

2.6. Het volgende is gebleken.

Bij brief van 4 juni 1993 is de man door de gemeente verzocht zijn
financiele omstandigheden op te geven ten einde de gemeente in de
gelegenheid te stellen de grens van zijn onderhoudsplicht te bepalen.

De man betaalt thans rond ƒ 304,- per maand als bijdrage in de kosten
van de verzorging en opvoeding van P.

Bij verhaalsbeschikking van de gemeente van 15 februari 1994 is de
verhaalsbijdrage die de man aan de gemeente moet betalen met ingang van
15 februari 1994 vastgesteld op ƒ 1.983,- per maand. Bij beschikking van
31 maart 1994 – de man heeft bij brief van 9 maart 1994 bezwaar gemaakt
tegen voornoemde bijdrage – is de verhaalsbijdrage door de gemeente met
ingang van 15 februari 1994 (naast hetgeen door de man reeds aan
onderhoudsbijdrage ten behoeve van P werd voldaan) vastgesteld op ƒ
220,- per maand.

De man kan de door de gemeente verzochte bedragen betalen.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Voor de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van P is uitsluitend de behoefte van P en de
draagkracht van de man bepalend. Nu de gemeente op geen enkele wijze
aannemelijk heeft gemaakt dat P behoeft heeft aan een bijdrage in de orde
van grootte als door de gemeente verzocht, althans aan een hogere bijdrage
dan door de rechtbank bij de beschikking waarvan beroep is bepaald, zal
dan ook reeds om die reden het verzoek van de gemeente moeten worden
afgewezen.

3.2. Nu het verzoek van de gemeente in eerste aanleg gedeeltelijk is
toegewezen – de man is daartegen niet in hoger beroep gekomen – zijn de
proceskosten door de rechtbank op goede grond gecompenseerd.

3.3. In hoger beroep is de gemeente in het ongelijk gesteld. Daarom zal
zij veroordeeld worden in de kosten van het geding in hoger beroep, zoals
hieronder vermeld.

3.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van
het hof onderworpen:

verwijst de gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de
zijde van de man tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 3.150,- (drieduizend
honderdvijftig gulden).

Noot

Bijstandsverhaal/maximale hoogte onderhoudsbijdrage kind De
onderhoudsplichtige ouder kan op basis van de uitspraak van het hof nimmer
meer worden verplicht door de bijstandsverlenende gemeente tot het betalen
van een bijdrage voor het onderhoud van zijn kinderen dat uitkomt boven
het verschil tussen de bruto bijstandsnorm voor een alleenstaande en dat
voor een eenoudergezin. Niet als hij een kind heeft maar ook niet als hij
er bijvoorbeeld vijf heeft. Want ook in dat geval is immers de behoefte
van deze kinderen tezamen niet meer dan het verschil tussen de
eerdergenoemde bijstandsnormen. Terecht, want een hogere bijdrage door de
onderhoudsplichtige ouder zou immers neerkomen op een verkapte vorm van
partneralimentatie.

Deze uitspraak van het hof is opmerkelijk aangezien hetzelfde hof enkele
maanden eerder, op 5 januari 1995, rekestnummer 434/94, JABW 23, nr 331,
een uitspraak deed die lijnrecht hiermee in tegenspraak is. Ook in deze
casus ging het om een man die wel onderhoudsplichtig was jegens zijn
(drie) kinderen, maar niet jegens zijn ex-partner. De gemeente stelde op
basis van de inkomensgegevens van de man een onderhoudsbijdrage vast van
ƒ 250,- per kind per maand, derhalve in totaal ƒ 750,- per maand. De
Rechtbank Haarlem haalde hier een streep door en stelde vast dat de hoogte
van de verhaalsbijdrage, nu de vader geen wettelijke onderhoudsplicht
heeft ten opzichte van de moeder, uitsluitend bepaald dient te worden door
de hoogte van de kosten van de bijstand die ten behoeve van de kinderen
wordt verstrekt.

Volgens de Rechtbank Haarlem kan de gemeente derhalve verhalen voor een
bedrag van maximaal het verschil tussen de bijstandsnorm voor
alleenstaanden en die van een eenoudergezin. De gemeente gaat tegen deze
uitspraak in beroep bij het Hof Amsterdam. De gemeente heeft daarbij
aangevoerd dat de bijstand, die wordt verleend als gezinsbijstand, niet
kan worden gesplitst in een deel dat ten goede komt aan de moeder en een
deel dat ten goede komt aan de kinderen. Naar de mening van de gemeente
is daarom de behoefte van de moeder bepalend voor de hoogte van de
onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Het hof is het met de
gemeente eens en stelt de onderhoudsbijdrage van de man vast op in totaal
ƒ 750,- per maand. Dat was 5 januari 1995. Sinds de bovengenoemde
uitspraak van het hof van 27 april 1995 is splitsing dus wel mogelijk. Dat
is niet alleen leuk voor de ouder die met een verhaalsactie van de
gemeente wordt geconfronteerd. Deze ommezwaai van het hof heeft ook
verrassende consequenties voor de moeders die van een uitkering
afhankelijk zijn. Zij kunnen nu in principe aanspraak maken op de
kinderalimentatie die de bijstandsnorm te boven gaat. Ter toelichting
hierop het volgende.

Door de uitspraak is er een onderscheid aangebracht tussen de behoefte van
kinderen in het kader van het verhaalsrecht en de behoefte van kinderen
in het kader van het alimentatierecht. Daardoor kan er een verschil
bestaan tussen de hoogte van de alimentatie die door de rechter,
bijvoorbeeld op verzoek van de vrouw, is vastgesteld en het bedrag waarop
de gemeente op basis van het verhaalsrecht kan vorderen. Als de
vastgestelde kinderalimentatie het bedrag van de bijstandsnorm overtreft,
dat wil zeggen meer is dan een bedrag van een kleine ƒ 400,- voor alle
kinderen tezamen, kan de gemeente op dit meerdere geen aanspraak meer
maken. De vraag is dan wie dat meerdere dan wel toekomt. Het lijkt mij
niet dat dit zonder meer kan terugvloeien in de portemonnaie van de
onderhoudsplichtige. Daarmee zou immers de kinderen worden onthouden wat
hen op grond van het alimentatierecht toekomt. Het dient dan ook, volgens
mij, beschikbaar te blijven voor de kinderen en alsnog aan de moeder te
worden uitbetaald, bovenop haar bijstandsuitkering dus.

Daarmee komt een einde aan de ijzeren wet voor bijstandsmoeders dat de
hoogte van de kinderalimentatie geen invloed heeft op de hoogte van het
gezinsinkomen. Het heeft dus voortaan – en dat is de betekenis van het
arrest – zin voor vrouwen om in een echtscheidings- of
alimentatieprocedure een maximale kinderalimentatie te vorderen. Dit zou
een stap zijn in de (goede) richting waarin de bijstandsuitkering voor de
ouder wordt losgekoppeld van de uitkering ten behoeve van de kinderen.

Joke Bol

Rechters

Mrs Verspyck Mijnssen, IJland-Van Veen, De Vreeze- Oostvogel