Instantie: Commissie gelijke behandeling, 12 april 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is vanaf 1 september 1987 in dienst van de wederpartij. De
geldende pensioenregeling sluit deelname van vrouwelijke
personeelsleden uit. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door
deze uitsluiting direct onderscheid maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. De Commissie stelt vast dat de deelname aan de
onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637ij BW.

De bestreden pensioenregeling sluit vrouwelijke personeelsleden van
deelname aan de regeling uit.De Commissie concludeert dat de
pensioenregeling een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt.
De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf ook geen aanleiding om tot
toepassing van deze gronden te concluderen. De Commissie concludeert
derhalve dat de wederpartij in strijd met artikel 7A:1637ij BW
verzoekster niet heeft toegelaten tot de pensioenregeling die in haar
bedrijf van toepassing was.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 februari 1994 verzocht mevrouw te Soesterberg
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Baarn (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is vanaf 1 september 1987 in dienst van de
wederpartij. De geldende pensioenregeling sluit deelname van
vrouwelijke personeelsleden uit. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij door deze uitsluiting direct onderscheid maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid (hierna: de Commissie m/v) heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. De wederpartij heeft de gelegenheid
gehad zijn standpunt terzake uiteen te zetten. De wederpartij heeft
niet schriftelijk gereageerd, doch in een telefoongesprek met een
juridisch adviseur van de Commissie m/v te kennen gegeven geen nadere
inhoudelijke reactie te hebben op het verzoekschrift. De Commissie m/v
heeft de behandeling van de pensioenzaken opgeschort in verband met het
feit dat het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen uitspraak
zou doen in voor de interpretatie van de pensioenproblematiek relevante
zaken.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan
de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op grond van de
inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling op 1 september
1994 (AWGB; Stb. 1994, 230). De Commissie heeft de zaak gevoegd
behandeld met het verzoek van mevrouw , die op dezelfde grond
eveneens een verzoek om een oordeel tegen de wederpartij heeft
ingediend. (Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer 95-11, 12
april 1995.)

2.3. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 31
januari 1995. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt. Bij de zitting waren aanwezig:

van de zijde van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw
mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh
(secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is aangehouden in afwachting van een kopie van de
pensioenregeling, die door de wederpartij aan de Commissie zou worden
verstrekt. De wederpartij is daarmee ondanks herhaald verzoek in
gebreke gebleven.

2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad-hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is vanaf 1 september 1987 in dienst van de
wederpartij. De toepasselijke pensioenregeling sluit vrouwelijke
werknemers uit van deelname.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij, door vrouwelijke
personeelsleden uit te sluiten van deelname aan de pensioenregeling
direct onderscheid maakt op grond van geslacht, in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

3.3. De wederpartij is van mening dat zij niet op Nederlandse wetgeving
vooruit hoeft te lopen en geen verandering hoeft aan te brengen in de
pensioenregeling.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Tussen partijen is onbetwist dat de geldende pensioenregeling
vrouwelijke werknemers van deelname uitsluit.

4.2. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt/heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster van
deelname aan de geldende pensioenregeling uit te sluiten.

De eerste vraag die rijst is over welke periode de Commissie aan welke
artikelen uit de wetgeving gelijke behandeling moet toetsen. Daarover
overweegt de Commissie alsvolgt. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB Oud; Stb. 1980, 86), waarbij
tevens de voorloper van het huidige artikel 7A:1637ij BW werd
ingevoerd. Op 1 juli 1989 werd een aantal wijzigingen in artikel
7A:1637ij BW van kracht, terwijl tevens de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen in werking trad (WGB oud: Stb. 168, in werking
getreden op 1 juli 1989). In beide wijzigingswetten was voorzien in
Commissies, die als achtereenvolgende rechtsopvolgsters tot onderzoek
en oordelen bevoegd waren bij vermeende overtreding van genoemde
wetgeving.

Evenals het huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel
1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect
(middellijk) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder
meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder
de arbeidsvoorwaarden werden begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 7A:1637ij BW
mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-
Verdrag.

Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Van Colson/Kamann
(Hof van Justitie der Europese gemeenschappen, Van Colson versus
Kamann, Zaaknummer C-14/83, 10 april 1984) van mening dat nationale
rechters en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed gehouden zijn
om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te
leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve
doelstelling van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG- Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de wettelijke norm van
gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.3. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt
binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het Barber-arrest (Hof van Justitie der
Europese gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, zaaknummer C-262/88, 17 mei 1990.) stelt het EG-Hof
dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest (Hof van
Justitie der Europese gemeenschappen, Bilka versus Kaufmann, zaaknummer
C-170/84, 13 mei 1986, Jurisprudentie 1986. p. 1607) uitgesproken.

In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht
moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te
vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van
toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen,
zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit
de dienstbetrekking met de betrokken werkgever. De onderhavige
pensioenregeling heeft geen betrekking op algemene categorieen van
werknemers, maar slechts op werknemers van het bedrijf van de
wederpartij.

De Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de deelname
aan de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel
119 EEG- Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637ij BW.

4.4. Over de vraag vanaf welk moment de norm van gelijke beloning,
zoals neergelegd in artikel 7A:1637ij BW, in rechte kan worden
afgedwongen overweegt de Commissie hierna als volgt. Het EG-Hof heeft
in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van justitie der Europese
gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV
en Stichting Pensioenfonds NCIV, zaaknummer C-57/93, 28 september 1994,
Nemesis 1994 nummer 424).

(Hof van justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis
Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel,
zaaknummer C-128/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nummer 425)
bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en dus wordt
bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod. In
genoemde uitspraken heeft het Hof voorts aangegeven dat er voor het
recht op aansluiting geen beperking in de tijd geldt, en dat dit recht
derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof
van Justitie van de Europese gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), zaaknummer C-43/75,
Jurisprudentie 1976 455, 8 april 1976), waarin het Hof voor het eerst
de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, kan
worden ingeroepen. Het Hof wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht
op aansluiting bij de pensioenregeling mede betekent dat ook over de
betrokken periode (alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de
werknemer indien het pensioenreglement een werknemersbijdrage
voorschrijft. In genoemde uitspraak inzake Fisscher heeft het Hof
tenslotte aangegeven dat de nationale regels betreffende de in het
nationale recht geldende beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen
aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regeling voor dit soort
vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale
vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan
het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen.

Het bovenstaande betekent dat onderscheid op grond van geslacht
weliswaar in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling vanaf 8
april 1976, maar dat nog niet duidelijk is vanaf welke moment een
werknemer dit recht ook daadwerkelijk kan doen gelden. (Nog) niet
duidelijk is namelijk of er een verjaringstermijn van toepassing is en
zo ja, welke. De Commissie kan hierover geen oordeel uitspreken, omdat
het niet haar (wettelijke) taak is om vast te stellen welke
verjaringstermijn naar burgerlijk recht van toepassing is. Zij kan
slechts haar oordeel uitspreken over de vraag of er een door de
wetgeving gelijke behandeling verboden onderscheid is gemaakt.

4.5. De bestreden pensioenregeling sluit vrouwelijke personeels-leden
van deelname aan de regeling uit. De Commissie concludeert op
bovenstaande gronden dat de pensioenregeling een direct onderscheid
tussen mannen en vrouwen maakt. De wederpartij heeft geen beroep gedaan
op een van de wettelijke uitzonderingsgronden. De Commissie ziet zelf
ook geen aanleiding om tot toepassing van deze gronden te concluderen.

4.6. De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij in strijd met
artikel 7A:1637ij BW verzoekster niet heeft toegelaten tot de
pensioenregeling die in haar bedrijf van toepassing was.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te Baarn jegens mevrouw te Soesterberg onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek door haar niet toe te laten als deelneemster aan de geldende
pensioenregeling om reden dat zij een vrouw is.

Rechters

Mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lidKamer), mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer)