Instantie: Gerechtshof Arnhem, 28 februari 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn 19 jaar gehuwd geweest en hebben een kind van 8 jaar. De man
voert aan dat de vrouw geen behoefte heeft. Zij heeft eigen inkomen en de
mogelijkheid haar werkzaamheden uit te breiden. Het Hof oordeelt dat
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw haar werkzaamheden kan
uitbreiden. Gelet op het inkomen van de vrouw heeft zij behoefte aan
alimentatie voor het kind en haarzelf. Bij de rechtbankprocedure had de
vrouw geen verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat hij
onvoldoende draagkracht had om bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw, waarop de rechtbank geen alimentatie voor
de vrouw vaststelde. Het Hof bepaalt de alimentatie op ƒ 260,=.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het Hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8
september 1994, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De partijen worden hierna aangeduid met “de vrouw” respectievelijk
“de man”.

2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 26 september
1994 is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij
verzoekt het Hof die beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
te bepalen dat de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud
(bedoeld is: in de kosten van verzorging en opvoeding) van het
minderjarige kind van partijen, , geboren op te , ten
bedrage van ƒ 350,= per maand en ten behoeve van de vrouw ƒ 364,= per
maand verschuldigd is, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als
het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, met
uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 oktober 1994, heeft
de man het beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof primair het
door de vrouw ingesteld beroep af te wijzen en subsidiair de door de man
aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vast te stellen in
die zin, dat de kinderalimentatie ƒ 350,= per maand bedraagt en de
alimentatie voor de vrouw tot 1 januari 1995 ƒ 373,73 per maand en vanaf
die datum ƒ 130,81 per maand, althans een zodanige bijdrage als het Hof
in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.4. De mondelinge behandeling heeft op 19 januari 1995 plaatsgevonden.
Verschenen zijn partijen, de vrouw bijgestaan door mr. A.M. Bruin,
advocaat te Wezep, gemeente Oldebroek en de man, bijgestaan door mr. B.J.
van Gent, advocaat te Zwolle.

2.5. Het Hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een
faxbericht van de advocaat van de man van 26 januari 1995 en een brief van
de advocaat van de vrouw van 27 januari 1995.

3. De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank
hieromtrent in haar beschikking heeft vastgesteld.

4. De beoordeling

4.1. Het Hof stelt voorop dat de bestreden beschikking nog niet is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. De vrouw voert aan dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de
kosten van haar levensonderhoud. Zij werkt parttime en geniet een inkomen
van ƒ 1.497,= netto per maand.

De man betwist die behoefte. Hij voert hiertoe aan dat de vrouw eigen
inkomsten heeft en dat zij voorts de mogelijkheid heeft haar werkzaamheden
uit te breiden. Het Hof is van oordeel dat de vrouw gelet op haar inkomen
behoefte heeft aan een alimentatiebijdrage voor en voor haarzelf,
temeer nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw mogelijkheden
heeft haar werkzaamheden uit te breiden.

4.3. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man gaat het Hof uit van
een inkomen van ƒ 3.291,= bruto per maand en een toeslag van ƒ 116,02
bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Naast een dertiende maand
ontvangt de man een gratificatie van gemiddeld ƒ 1.400,= per jaar. Het Hof
beschouwt de man als alleenstaande. Het houdt rekening met een kale huur
van ƒ 710,75 per maand, nu voldoende is aangetoond dat de man de huur
daadwerkelijk betaalt.

4.4. De man voert aan dat ter zake herinrichtingskosten rekening dient te
worden gehouden met een bedrag van ƒ 250,= per maand. Hij heeft ter
financiering van die kosten een lening afgesloten. De vrouw stelt dat
maximaal een bedrag van ƒ 125,= per maand in aanmerking mag worden
genomen, aangezien de man bij zijn vertrek uit de echtelijke woning veel
zaken met zich mee heeft genomen. Het Hof is van oordeel dat de man
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij herinrichtingskosten heeft en
brengt in redelijkheid een bedrag van ƒ 250,= per maand in mindering op
zijn draagkracht. De noodzaak van een tweede lening is niet aannemelijk
geworden.

4.5. Ter zitting is gebleken dat de man geen omgang heeft met het
minderjarige kind van partijen. Aangezien kosten van omgang niet worden
gemaakt, zal het Hof er thans geen rekening mee houden.

4.6. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van het kind ƒ 350,= per
maand bedraagt. Hiermee rekening houdend en voor het overige uitgaande van
bovenstaande financiele gegevens, acht het Hof de man in staat, naast de
door hem te betalen kinderalimentatie, bij te dragen in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van ƒ 260,= per maand.

5. De slotsom

Op grond van het voorgaande wordt de navolgende beslissing gegeven onder
compensatie van proceskosten, nu partijen echtgenoten zijn.

De beslissing

Het Hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8 september
1994, voor zover zij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw betreft, en te dien aanzien opnieuw
beschikkende: bepaalt dat de man in de kosten van verzorging en opvoeding
van met ingang van de dag waarop de voogdij zal aanvangen dient bij te
dragen met een bedrag van ƒ 350,= per maand bij vooruitbetaling te
voldoen;

veroordeelt de man bij vooruitbetaling aan de vrouw uit te keren als
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van ƒ 260,= per
maand, met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

mr. Fokker