Instantie: Rechtbank Almelo, 15 februari 1995

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


Partijen zijn 16 jaar getrouwd en hebben een meerderjarig en een
minderjarig kind. De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft omdat
zij als genezeres inkomen geniet. De vrouw heeft dit gemotiveerd
betwist. Zij ontvangt een WAO-uitkering, door de Sociale Dienst
aangevuld. De vrouw heeft genoegzaam aangetoond behoefte te hebben.
Alimentatie wordt ƒ 710,=.

Volledige tekst

Overweegt ten aanzien van:

het procesverloop:

Bij op 12 september 1994 ter griffie ingekomen verzoekschrift met
bijlagen en op 21 oktober 1994 aanvullend verzoekschrift is verzocht de
echtscheiding tussen partijen uit te spreken en nevenvoorzieningen te
treffen.

Op 31 oktober 1994 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank
ingekomen. Dit verweerschrift bevat tevens een tegenverzoek, tegen welk
verzoek op 30 november 1994 een verweerschrift is ingediend.

Van de vrouw is tenslotte op 13 december 1994 een verweerschrift op het
aanvullend verzoekschrift ter griffie ingekomen.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 januari 1995, alwaar
partijen, bijgestaan door hun procureur, zijn gehoord.

de standpunten van partijen:

Partijen verschillen van mening over de door de vrouw verzochte
alimentatie en over de door de man verzochte vergoeding voor het
voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

de beoordeling van het verzoek:

De in artikel 815 lid 2 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv)
gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoek gevoegd.

Partijen verschillen van nationaliteit.

Gebleken is dat de situatie als bedoeld in artikel 814 RV zich hier
voordoet, zodat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzochte
echtscheiding rechtsmacht toekomt.

De keuze voor toepassing van Nederlands recht is onweersproken gebleven
zodat op grond van het bepaalde in de Wet van 25 maart 1981, houdende
regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en
scheiding van tafel en bed, Nederlands recht op het verzoek tot
echtscheiding van toepassing is.

Naar aanleiding van de nevenvoorziening tot verdeling van de
gemeenschap rijst de vraag aan welke huwelijksvermogensrecht partijen
onderworpen zijn. Partijen zijn na 22 augustus 1977 gehuwd. Niet
gebleken is van een ten tijde van de sluiting van het huwelijk
uitdrukkelijk gemaakte dan wel na 1 september 1992 -conform artikel 13
van het op 14 maart 1978 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen en op 1
september 1992 voor Nederland in werking getreden verdrag inzake recht
dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime- in een notariele
akte neergelegde rechtskeuze van partijen. Bij gebreke van een
toenmalige gemeenschappelijke nationaliteit van partijen leidt dit
derhalve tot de toepassing van het Nederlands recht. Deze uitkomst
berust op het feit dat de eerste huwelijksdomicilie van partijen in
Nederland gelegen is. Deze voorziening is naar het toe te passen recht
voor toewijzing vatbaar.

Omdat op het verzoek tot echtscheiding het Nederlands recht wordt
toegepast, beheerst dit recht ook de nevenvoorziening tot
levensonderhoud.

De gezagsvoorziening en kinderalimentatie worden beheerst door het
Nederlands recht, aangezien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats
in Nederland heeft. De rechtbank is van oordeel dat de man in zijn
verzoek voor wat betreft niet kan worden ontvangen, nu deze op 11
november 1994 meerderjarig is geworden. De minderjarige is in de
gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken en heeft hiervan
gebruik gemaakt.

De rechtbank acht na te melden -mede door de ouders voorgestane-
voorziening in het gezag het meest in het belang van de onderhavige
minderjarige.

De rechtbank begrijpt dat het verzoek van de vrouw tot voortgezet
gebruik van de echtelijke woning is ingetrokken, nu de vrouw vanaf 1
januari 1995 niet meer bewoont.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw met
terugwerkende kracht over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1995
een bedrag van ƒ 400,= per maand dient te betalen als redelijke
vergoeding voor het voortgezet gebruik. Hij stelt hiertoe dat de vrouw
zich jegens hem onredelijk heeft gedragen terzake de verkoop van de
echtelijke woning. Hij acht het derhalve niet redelijk dat hij de
woonlasten over voormelde periode heeft gedragen. De rechtbank is van
oordeel dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. Bij
beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank d.d. 19
september 1994 is het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan
de vrouw toegewezen. Het betalen van een redelijke vergoeding door de
vrouw aan de man is hierbij niet opgelegd. Het op de weg van de man
gelegen bij wijziging van omstandigheden -in casu het gedrag van de
vrouw- de beschikking voorlopige voorzieningen te doen wijzigen in die
zin dat aan de vrouw het gebruik van de woning slechts zou worden
toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten. Daar komt bij
dat het voorts niet dan wel onvoldoende aannemelijk is geworden dat de
vrouw zich daadwerkelijk onredelijk jegens de man heeft gedragen.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man een bedrag van ƒ 250,=
per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding
van en een bedrag van ƒ 1.500,= per maand in haar kosten van
levensonderhoud.

De man verweert zich tegen deze verzoeken van de vrouw. Hij stelt
hiertoe dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage, nu zij in
staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien middels inkomsten
die zij geniet als genezeres. De man stelt voorts dat de vrouw een
bedrag van ƒ 44.807,26, zijnde de uit de opbrengst van de verkoop van
de vorige echtelijke woning van partijen gerealiseerde overwaarde, op
haar rekening gestort heeft gekregen. Tot op heden heeft hij zijn deel
niet ontvangen. De man stelt tenslotte dat zijn draagkracht het
opleggen van een bijdrage niet toelaat.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond
behoefte te hebben aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.
Zij ontvangt een WAO-uitkering die door de gemeentelijke sociale dienst
wordt aangevuld tot het bijstandsniveau. De rechtbank gaat voorbij aan
de stelling dat de vrouw inkomsten geniet als genezeres, nu de vrouw
gemotiveerd heeft betwist dergelijke inkomsten te genieten en de man
geen bewijs van zijn stelling heeft aangeboden. De algemene regels van
bewijsrecht rechtvaardigen niet de stelling van de man dat in casu
bewijs door de vrouw dient te worden geleverd dat zij die inkomsten
niet geniet. De stelling van de man dat de vrouw een bedrag van ruim ƒ
44.000,= heeft ontvangen en zij de man zijn deel niet heeft doen
toekomen wordt door de vrouw betwist. De vrouw heeft een verklaring van
de bank overgelegd waaruit blijkt dat voormeld bedrag is aangewend ter
financiering van de aankoop van de huidige echtelijke woning. Eventuele
aanspraken die de man op de vrouw stelt te hebben zal hij te zijner
tijd bij de boedelnotaris naar voren hebben te brengen.

De rechtbank is bij de berekening van de draagkrachtruimte aan de zijde
van de man -die als alleenstaande moet worden aangemerkt- uitgegaan van
een inkomen van ƒ 2.827,= netto per maand, inclusief de waarde van de
door de man te ontvangen vakantiebonnen. Zij heeft hierbij rekening
gehouden met de op de door de man overgelegde salarisspecificatie
vermelde fiscale vermindering (beschikking inspecteur) van ƒ 192,= per
week. De rechtbank acht het redelijk tot het moment dat de echtelijke
woning zal zijn verkocht rekening te houden met een bedrag van ƒ
1.025,= per maand terzake woonlasten boven de norm, waarbij zij het
forfaitaire bedrag terzake eigenaarslasten van ƒ 150,= per maand en het
door de man te genieten fiscale voordeel in aanmerking heeft genomen.
De rechtbank heeft hierbij tevens rekening gehouden met de door de man
opgevoerde huurlast van ƒ 315,= per maand voor de thans door hem
bewoonde woning aan de te E. Vanaf het moment dat de echtelijke
woning zal zijn verkocht heeft de man, gelet op de hoogte van de thans
door hem verschuldigde huur, geen woonkosten boven de norm.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het door de man
opgevoerde bedrag van ƒ 25,= per maand terzake verwervingskosten, een
bedrag van ƒ 173,= per maand terzake kosten omgangsregeling, een bedrag
van ƒ 12,50 per maand terzake de begrafenispremie en een bedrag van ƒ
210,= per maand terzake rente en aflossing op de kredietovereenkomst.

Gelet op het hiervoren overwogene is de rechtbank van oordeel dat de
man tot het moment dat hij de hypothecaire lasten van de echtelijke
woning heeft te voldoen, in staat moet worden geacht een bedrag van ƒ
50,= per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding
van V.

Vanaf het moment dat de echtelijke woning zal zijn verkocht moet de man
in staat worden geacht na te melden bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van V en na te melden bijdragen in de kosten
van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De rechtbank heeft hierbij
rekening gehouden met de aftrek wegens buitengewone lasten en het
hierdoor te genieten fiscale voordeel.

In de omstandigheid dat partijen echtelieden zijn wordt aanleiding
gevonden de proceskosten als na te melden te compenseren.

de beslissing:

1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op gehuwd.

2. Beveelt partijen om, zodra deze beschikking zal zijn ingeschreven in
de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot
verdeling van de gemeenschap, waarin zij zijn gehuwd.

Benoemt notaris Th. J.M. de Rooy te Enschede tot notaris, voor wie, zo
partijen niet binnen veertien dagen na die inschrijving een ander
kiezen, de werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben op door
die notaris te bepalen tijd en plaats.

Verstaat, dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris in het kader
van voormelde werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen
gemeenschap komen. Benoemt mr. A.M Kuipers, advocaat en procureur te
Almelo, en mr. E.J. van Zoelen, advocaat en procureur te Enschede, tot
onzijdige personen om de man respectievelijk de vrouw te
vertegenwoordigen, zo deze of dezen in gebreke mocht of mochten blijven
op de door de benoemde of gekozen notaris voor de verdeling bepaalde
tijd en plaats te verschijnen, of verschenen zijnde, mocht of mochten
weigeren aan de verdeling mede te werken.

3. Veroordeelt de man om, vanaf de dag dat de echtelijke woning zal
zijn verkocht en mits deze beschikking is ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand, aan de vrouw tot haar levensonderhoud te
betalen een bedrag van ƒ 710,= (zevenhonderdtien gulden) per maand,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Benoemt de vrouw tot voogdes over: V geboren te en de man tot
toeziend voogd en beveelt de afgifte aan de aldus met het gezag beklede
ouder, voor zover een eerdere rechterlijke beslissing zich daar niet
tegen verzet.

5. Bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken als
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde
minderjarige thans op ƒ 50,= (vijftig gulden) per maanden vanaf het
moment dat de echtelijke woning zal zijn verkocht op ƒ 250,=
(tweehonderdvijftig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te
voldoen.

6. Verklaart deze beschikking ten aanzien van de onderdelen 2. tot en
met 5. uitvoerbaar bij voorraad.

7. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

8. Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr. Derks