Instantie: Rechtbank Breda, 17 januari 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde verkracht. Gedaagde is hiervoor veroordeeld tot een
jaar gevangenisstraf. Eiseres stelt door de verkrachting schade te hebben
geleden. Zij heeft hierdoor onder andere een drankprobleem gekregen. De
rechtbank meent dat een schadevergoeding van ƒ 5000 op zijn plaats is. (ook
tussenvonnis van 13 september 1994 is opgenomen)

Volledige tekst

Tussenvonnis rechtbank Breda 13 september 1994
1. Het verloop van het geding.
Dit blijkt uit de volgende, door partijen, hierna te noemen
respectievelijk eiseres en gedaagde, ter vonniswijzing overgelegde stukken:
– de dagvaarding,
– de conclusie van eis,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.
2. Het geschil.
Eiseres vordert bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
veroordeling van gedaagde tot betaling van ƒ 10 000 (tienduizend gulden)
vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot
die der algehele voldoening kosten.
Gedaagde weerspreekt de vordering en concludeert tot niet
ontvankelijkheidsverklaring danwel afwijzing daarvan, met veroordeling van
eiser in de kosten van de procedure.
3. De beoordeling.
3.1. Op grond van de wederzijdse proceshouding staat tussen partijen vast:
– eiseres is op 23 maart 1991 verkracht door gedaagde, die daarvoor bij
onherroepelijk vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda (…) is
veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf.
– bij brief van 23 juni 1993 is gedaagde door de raadsman van eiseres
aansprakelijk gesteld voor de door eiseres als gevolg van die verkrachting
geleden immateriële schade.
3.2. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag de stelling dat zij
tengevolge van de verkrachting door gedaagde schade heeft geleden met name op
het psychisch vlak: zij zou te kampen hebben met angst- en onrustgevoelens
waardoor zij niet alleen op straat zou durven en problemen zou hebben met
sociale contacten, alsmede in haar relatie met haar zoon. Voorts zou een
verminderd gevoel van eigenwaarde haar verhinderen op een normale wijze aan
het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Bovendien zou er bij haar vanuit
haar poging haar, ten gevolge van de verkrachting optredende angsten de baas
te worden een alcoholprobleem zijn ontstaan.
Het door haar gevorderde bedrag zou haar enigszins genoegdoening kunnen
verschaffen voor het leed dat haar als gevolg van het handelen van gedaagde
is overkomen.
Gedaagde betwist dat eiseres als gevolg van de verkrachting schade zou hebben
geleden. Voorts betwist hij dat de door eiseres gestelde gevolgen van de
verkrachting een zodanige aantasting van de persoon van eiseres is dat
toekennen van schadevergoeding daarvoor op zijn plaats zou zijn.
3.3. Op voet van art. 188 Rv geldt hetgeen bij het onder 3.1. genoemde vonnis
bewezen is verklaard als bewezen in deze procedure; dat feit vormt dus bij
verdere oordeelsvorming van de rechtbank het uitgangspunt.
Op grond van art. 173 OW vindt de vordering van eiseres zijn grondslag in art
1401/1407 BW oud.
3.4. Verkrachting is een zeer ernstige inbreuk niet alleen op de lichamelijke
maar ook op de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Ter compensatie
van de door een dergelijk handelen toegebrachte schade heeft het slachtoffer
recht op toekenning van smartegeld. Niet de ernst van het aangerichte letsel
doch het feit dat de lichamelijke en geestelijke integriteit van een persoon
is aangetast doet dit recht ontstaan.
3.5. De aard en ernst van het lichamelijk en geestelijk letsel vormen de
maatstaf bij het bepalen van de hoogte van de naar billijkheid vast te
stellen vergoeding van het geleden nadeel dat niet uit vermogensschade
bestaat. Hierbij speelt onder meer een rol de duur en de intensiteit van de
pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het
gevolg zijn van de gebeurtenis waarop aansprakelijkheid berust, terwijl
voorts van belang is de aard van de aansprakelijkheid.
Teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over wat
een passende immateriële schadevergoeding voor eiseres is dient zij, met het
oog op de betwisting door gedaagde van de aard en omvang van de door eiseres
gestelde gevolgen van de verkrachting, de verschillende door haar genoemde en
in 3.2. weergegeven schadebepalende elementen te onderbouwen.
Daartoe zal eiseres stavende bescheiden van de verschillende instanties als
politie, huisarts en RIAGG, bij wie zij naar zij stelt, naar aanleiding van
de verkrachting hulp heeft gezocht in het geding dienen te brengen.
4. De beslissing

De rechtbank
verwijst de zaak naar de rol van 11 oktober 1994 voor het nemen van een
nadere conclusie door eiseres teneinde schriftelijke bescheiden zoals die
zijn genoemd onder 3.5., aan de rechtbank over te leggen.
bepaalt dat hoger beroep tegen deze beslissing niet eerder dan tegelijk met
het in deze procedure te wijzen eindvonnis kan worden ingesteld;
houdt verder iedere beslissing aan.
Eindvonnis rechtbank Breda van 17 januari 1995
1. Het verdere verloop van het geding;
Dit blijkt uit het volgende, door partijen hierna te noemen respectievelijk
eiseres en gedaagde, ter vonniswijzing overgelegde stukken:
– het tussen-vonnis d.d. 13 september 1994 en de daarin genoemde stukken;
– de conclusie na tussen-vonnis van de zijde van eiseres met producties.
– de nadere antwoordconclusie van de zijde van gedaagde.
2. De beoordeling.
Bij voornoemd tussen-vonnis is eiseres opgedragen bescheiden ter staving van
haar stelling met betrekking tot de omvang en de aard van de gevolgen van de
door gedaagde gepleegde verkrachting over te leggen.
Eiseres heeft vervolgens bij conclusie na tussen-vonnis overgelegd:
– een verklaring van 28 september 1994 van de heer J.P.M. van Groesen,
brigadier van Politie, ten tijde van de verkrachting van eiseres werkzaam bij
afdeling jeugd en zedenpolitie, die eiseres na de verkrachting heeft
begeleid,
– een rapportage van het CAD opgemaakt door W. Schouten, arts en H. Duine
maatschappelijk werkster van 13 oktober 1992.
– een brief van 5 oktober 1994 van het CAD en
– een brief van 5 oktober 1994 van haar huisarts J. Verkuyl.
Uit deze bescheiden in hun onderlinge samenhang bezien blijkt in ieder geval
dat eiseres na het tijdstip van verkrachting is gaan kampen met psychische
problemen, zich ondermeer uitend in hevige angsten, en dat zij ter
bestrijding van haar problemen heil heeft gezocht bij sterke drank waardoor
een alcohol probleem is ontstaan. Voorts dat zij door een arts en een
maatschappelijk werkster van het CAD is gediagnostiseerd als een vrouw die is
getraumatiseerd door een seksueel geweldsdelict waardoor zeer diep is
ingegrepen in haar leven. Bovendien dat zij van juni 1992 tot maart 1994
onder behandeling is geweest bij het CAD en dat zij deze behandeling heeft
afgebroken op een tijdstip waarop deze naar het inzicht van de behandelaars
nog niet was afgesloten.
Op grond van deze overgelegde stukken, waartegen overigens inhoudelijk geen
verweer is gevoerd door gedaagde, staat vast dat eiseres als gevolg van de
verkrachting is geconfronteerd met een aantal psychische problemen zoals die
zijn opgesomd in het tussenvonnis van 13 september 1994 onder 3.2.
Gedaagde stelt zich thans op het standpunt dat de in het geding gebrachte
bescheiden niet als rechtvaardiging van het door eiseres gevorderde bedrag
kunnen dienen.
De rechtbank is van oordeel dat nu vaststaat dat eiseres in ieder geval tot
drie jaar na de verkrachting als gevolg daarvan met aanzienlijke psychische
problemen te kampen heeft gehad ter zake van vergoeding van immateriële
schade een bedrag van ƒ 5000 billijk is.
De vordering ligt derhalve tot het hiervoor genoemde bedrag voor toewijzing
gereed. Gedaagde dient als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de
kosten van de procedure te dragen.
3. De beslissing.
De rechtbank:
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van de somma ƒ 5000
(vijfduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf 28 december 1993 tot aan de dag der algehele voldoening;
verwijst gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt deze tot
betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van eiseres tot op heden
begroot op ƒ 2167,67;
bepaalt, nu eiseres met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling
dient te geschieden door voldoening
a. aan de griffier van deze rechtbank, door overschrijving op
postbank-rekening nummer 1101800 van de Gerechten in het Arrondissement Breda
– wegens het in debet gestelde deel van het griffierecht
ƒ 217,50,
– wegens exploitkosten ƒ 77,67,
– wegens procureurssalaris ƒ 1800 met welke bedragen de griffier zal dienen
te handelen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b Rv;
b. aan eiseres het voor rekening van die partij komende deel van het
griffierecht ad ƒ 72,50;
wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs. Poerink, Van der Poel, Filippini